ECLI:NL:RBNHO:2026:1177

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
10 februari 2026
Publicatiedatum
10 februari 2026
Zaaknummer
15-326314-24
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 342 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak wegens onvoldoende steunbewijs bij ontuchtige handelingen met minderjarige

De rechtbank Noord-Holland behandelde op 10 februari 2026 de zaak tegen verdachte die werd beschuldigd van ontuchtige handelingen met een minderjarige van tussen de twaalf en zestien jaar. De tenlastelegging betrof onder meer het plegen van seksuele handelingen zoals pijpen en vaginale gemeenschap op of omstreeks 27 april 2024.

Hoewel de verklaring van het slachtoffer als betrouwbaar werd beoordeeld, voldeed het dossier niet aan het bewijsminimum van artikel 342 Sv Pro, omdat er onvoldoende steunbewijs was dat de verdachte de tenlastegelegde handelingen daadwerkelijk heeft verricht. DNA-sporen van de verdachte werden weliswaar op de buitenzijde van de tailleband van de onderbroek en op de rechterborst van het slachtoffer aangetroffen, maar deze sporen boden geen overtuigend bewijs voor de seksuele handelingen.

De rechtbank oordeelde ook dat de tenlastelegging geen ruimte bood voor medeplegen en dat dit niet bewezen kon worden. De vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding werd afgewezen wegens het ontbreken van wettig bewijs. De rechtbank sprak verdachte vrij en bepaalde dat beide partijen hun eigen proceskosten dragen.

Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voor ontuchtige handelingen met minderjarige.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Team Straf, zittingsplaats Haarlem
Meervoudige strafkamer
Parketnummer: 15-326314-24 (P)
Uitspraakdatum: 10 februari 2026
Tegenspraak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 27 januari 2026 in de zaak tegen:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 2005 te [geboorteplaats] ,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres] .
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie
mr. M. Lommers en van wat de verdachte en zijn raadsvrouw mr. I.J.K. van der Meer, advocaat te Haarlem, naar voren hebben gebracht.

1.Tenlastelegging

Aan de verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:
Primair
hij op of omstreeks 27 april 2024 te Heemskerk en/of Beverwijk, tezamen en in vereniging, althans alleen, met [het slachtoffer] geboren op [geboortedatum A] , die de leeftijd van twaalf jaren
maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van [het slachtoffer] , te weten
- het zich door [het slachtoffer] laten pijpen en/of
- het brengen van zijn, verdachtes, penis in de vagina van [het slachtoffer] en/of (vaginale) gemeenschap hebben met [het slachtoffer] .
Subsidiair
hij op of omstreeks 27 april 2024 te Heemskerk en/of Beverwijk, tezamen en in vereniging, althans alleen, met [het slachtoffer] geboren op [geboortedatum A] , die toen de leeftijd van zestien
jaren nog niet had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, te weten
- het betasten van de borsten van [het slachtoffer] en/of
- het zich door [het slachtoffer] laten pijpen en/of
- het brengen van zijn, verdachtes, penis in de vagina van [het slachtoffer] en/of (vaginale) gemeenschap hebben met [het slachtoffer] .

2.Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3.Beoordeling van het bewijs

3.1
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde feit.
3.2
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft bepleit dat de verdachte van het primair en subsidiair ten laste gelegde feit moet worden vrijgesproken. Zij heeft hiertoe aangevoerd dat de verklaring van [het slachtoffer] (hierna: aangeefster) onvoldoende betrouwbaar is en dat het dossier onvoldoende steunbewijs bevat voor een bewezenverklaring.
3.3
Oordeel van de rechtbankNaar het oordeel van de rechtbank is niet wettig en overtuigend bewezen wat aan de verdachte primair en subsidiair is ten laste gelegd, zodat hij daarvan moet worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
Bewijsminimum in zedenzaken
De rechtbank stelt voorop dat bij zedenzaken doorgaans slechts twee personen aanwezig zijn geweest bij het ten laste gelegde: het vermeende slachtoffer en de vermeende dader. Het bewijs dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, kan volgens het tweede lid van artikel 342 van Pro het Wetboek van Strafvordering (Sv) door de rechter niet uitsluitend worden aangenomen op basis van de verklaring van één persoon (bijvoorbeeld degene die aangifte heeft gedaan). Voor een bewezenverklaring moet in ieder geval sprake zijn van een ander bewijsmiddel dat aan die verklaring voldoende steun biedt. Niet vereist is dat ieder onderdeel van de bewezenverklaring wordt ondersteund. Het kan voldoende zijn dat de verklaring van het slachtoffer op onderdelen steun vindt in een ander bewijsmiddel, afkomstig van een andere bron dan het slachtoffer.
Hoewel in deze zaak bij de gebeurtenis waarvan aangifte is gedaan de verklaring van de verdachte deels overeenkomt met de verklaring van de aangeefster, is dat niet op alle punten het geval. De rechtbank is daarom van oordeel dat ook in deze zaak voor het bewijs van de seksuele handelingen bovengenoemd kader moet worden toegepast en dat de aangifte alleen voldoende kan zijn voor het bewijs van het ten laste gelegde als deze betrouwbaar is en op specifieke punten wordt bevestigd door uit andere bron afkomstige bewijsmiddelen.
Gelet op het verweer van de verdediging zal de rechtbank eerst ingaan op de betrouwbaarheid van de verklaring van de aangeefster.
Betrouwbaarheid verklaring van de aangeefster
Op 5 mei 2024 heeft de aangeefster, destijds vijftien jaar oud, aangifte gedaan van verkrachting door de verdachte en de medeverdachte. De aangeefster heeft verklaard dat zij de avond van Koningsdag op 27 april 2024 vanuit een café met de verdachte en de medeverdachte mee is gegaan in de auto van de medeverdachte naar zijn huis. Daar heeft zij getongzoend met beide verdachten. Op de terugweg heeft de aangeefster allereerst op de achterbank de verdachte moeten pijpen waarna ze ook seks met hem heeft gehad. Vervolgens zou ze naar voren in de auto zijn geklommen en heeft ze op de bestuurdersstoel seks gehad met de medeverdachte en heeft ze ook hem gepijpt. Hierna zijn ze weer verder gaan rijden en is de aangeefster bij de Albert Heijn in Heemskerk uit de auto gezet. De aangeefster heeft verklaard dat zij met seks bedoelt: piemel gaat in de vagina.
De rechtbank heeft geen twijfel aan de kern van de verklaring van de aangeefster. Zij heeft de avond van het feit direct aan de politie ter plaatse een spontane verklaring afgelegd en vervolgens ook in een informatief gesprek haar verhaal gedaan. Deze verklaringen en de aangifte zijn in grote lijnen consistent en ook op specifieke punten gedetailleerd. Zo heeft ze steeds verklaard dat ze tegen de verdachte heeft gezegd dat de seks niet ging omdat het in een rijdende kleine auto plaatsvond. Ook heeft zij verklaard dat ze het sperma na het pijpen van de medeverdachte heeft doorgeslikt. Daarnaast heeft de aangeefster in haar aangifte nog meer details gegeven, namelijk onder meer wat ze die avond heeft gedronken, dat het stil was in de auto, dat de verdachten elkaar een boks gaven en dat ze niet wist waar ze het sperma moest uitspugen en daarom maar heeft doorgeslikt. Verder is de rechtbank van oordeel dat het een authentieke en eerlijke verklaring betreft. De aangeefster heeft verklaard over haar eigen rol, namelijk dat ze niet kenbaar heeft gemaakt tegenover de verdachten dat ze de seksuele handelingen niet wilde en dat ze zelfs moest lachen toen ze tegen de toeter van de auto aankwam. Ten slotte draagt bij aan de betrouwbaarheid van de gehele aangifte dat het dossier bewijsmiddelen bevat die de aangifte ondersteunen, namelijk het DNA-onderzoek waaruit blijkt dat er DNA van de medeverdachte is aangetroffen op de binnenste schaamlippen van de aangeefster.
De rechtbank acht gelet op het voorgaande de verklaring van de aangeefster betrouwbaar en bruikbaar voor het bewijs.
Ten aanzien van het primair ten laste gelegde
(Gebrek aan) steunbewijs
De rechtbank moet vervolgens de vraag beantwoorden of de aangifte voldoende steun vindt in de rest van het dossier, zodat het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen. De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend en overweegt daartoe het volgende.
Na het informatief gesprek is forensisch medisch onderzoek verricht bij de aangeefster. Tijdens dit onderzoek, dat kort na de vermeende seksuele handelingen is verricht, zijn het lichaam en de kleding van de aangeefster op verschillende plekken bemonsterd en sporen(dragers) veiliggesteld. Uit dit onderzoek volgt dat in de bemonstering van de buitenzijde van de tailleband van de onderbroek van de aangeefster en op de rechterborst van de aangeefster DNA van de verdachte is aangetroffen.
Het aangetroffen DNA van de verdachte ondersteunt de aangifte, in die zin dat de verdachte haar heeft aangeraakt. Dat hij dit heeft gedaan, heeft de verdachte ook ter zitting bevestigd. De verdachte heeft verklaard dat hij de avond van 27 april 2024 in de auto van de medeverdachte met de aangeefster heeft gezoend en dat ze aan elkaar hebben gezeten. Hij heeft echter ontkend dat hij zich door haar heeft laten pijpen en dat ze seks hebben gehad. Naar het oordeel van de rechtbank levert het DNA van de verdachte dat is aangetroffen op de buitenzijde van de tailleband van de onderbroek en de rechterborst geen steunbewijs op voor de verweten gedragingen. De omstandigheid dat op de buitenzijde van de tailleband DNA van de verdachte is aangetroffen, is te onbepaald voor de conclusie dat de verdachte met zijn penis in de vagina van de aangeefster is geweest. Daarnaast komt aan de omstandigheid dat DNA van de verdachte op de rechterborst van de aangeefster is aangetroffen, in dit verband geen betekenis toe reeds omdat het betasten van de borsten niet onder het primair ten laste gelegde aan de verdachte wordt verweten.
Het feit dat DNA van de medeverdachte is aangetroffen op de binnenste schaamlippen van de aangeefster kan niet als steunbewijs dienen voor enige handelingen die de verdachte heeft begaan. Ook de aanwijzing voor spermavloeistof in de mond van de aangeefster levert geen steunbewijs op voor het zich door de aangeefster laten pijpen van de verdachte. Uit het onderzoek blijkt immers niet van wie deze sperma is.
Verder overweegt de rechtbank dat de getuigenverklaringen geen steun bieden aan de verweten handelingen gepleegd door de verdachte. Drie getuigen hebben ter plaatse aan een verbalisant verklaard dat de aangeefster aan het huilen was toen zij uit de auto werd gezet en dat ze op dat moment tegen hen heeft gezegd dat ze was verkracht. Gelet op het feit dat de verdachte samen met de medeverdachte in de auto heeft gezeten, kunnen deze emoties en uitlatingen niet in direct verband gebracht worden met gedragingen van de verdachte. De emoties en uitlatingen kunnen immers ook in verband worden gebracht met gedragingen die door de medeverdachte zijn verricht.
De rechtbank is gelet op voorgaande overwegingen van oordeel dat het dossier onvoldoende steun, afkomstig uit een andere bron, biedt voor de verklaring van de aangeefster, waardoor niet wordt voldaan aan het bewijsminimum van artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering.
Medeplegen
Niet bewezen kan worden dat de verdachte de verweten seksuele handelingen als pleger heeft begaan. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat sprake is geweest van medeplegen. De rechtbank kijkt hier anders tegenaan. In de tenlastelegging zijn de feitelijke handelingen enkel toegespitst op de verdachte, als pleger, en niet op een vermeende medepleger. In de tenlastelegging is immers opgenomen dat hij (de verdachte) zich heeft laten pijpen en dat hij (de verdachte) zijn penis in de vagina van de aangeefster heeft gebracht. Omdat de rechtbank niet bewezen acht dat de verdachte deze feitelijke handelingen heeft begaan, biedt de tenlastelegging geen ruimte voor een bewezenverklaring als medepleger.
Conclusie
Naar het oordeel van de rechtbank is niet wettig en overtuigend bewezen wat aan de verdachte primair ten laste is gelegd, zodat hij daarvan moet worden vrijgesproken.
Ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde
(Gebrek aan) bewijs
Subsidiair wordt de verdachte verweten dat hij ontuchtige handelingen heeft verricht bij de aangeefster door haar borsten te betasten, door het zich door haar laten pijpen en het hebben van geslachtsgemeenschap met haar. De rechtbank overweegt ten aanzien van de twee laatstgenoemde handelingen, dat deze handelingen gelet op de reeds hiervoor getrokken conclusies niet wettig en overtuigend kunnen worden bewezen.
Uit de aangifte blijkt niet dat de verdachte de borsten van de aangeefster zou hebben betast. Ter zitting heeft de verdachte desgevraagd verklaard dat hij niet zeker weet of hij haar borsten heeft aangeraakt, maar dat het misschien gebeurd zou kunnen zijn. De rechtbank acht dit een onvoldoende concrete verklaring. Zoals eerder vastgesteld is uit het DNA-onderzoek gebleken dat er DNA van de verdachte is aangetroffen op de rechterborst van de aangeefster. Het enkele aantreffen van DNA op deze plek is onder deze omstandigheden echter onvoldoende voor een bewezenverklaring.
Medeplegen
Ook het subsidiair ten laste gelegde feit biedt geen ruimte voor een medepleger variant, zoals hiervoor overwogen, waardoor de rechtbank van oordeel is dat er geen sprake is van medeplegen.
Conclusie
Naar het oordeel van de rechtbank is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte subsidiair ten laste is gelegd, zodat hij ook daarvan moet worden vrijgesproken.

4.Vordering benadeelde partij

De benadeelde partij [het slachtoffer] heeft een vordering tot schadevergoeding van
€ 12.671,30ingediend tegen de verdachte wegens immateriële en materiële schade die zij als gevolg van het ten laste gelegde feit zou hebben geleden.
De rechtbank is van oordeel dat nu niet wettig en overtuigend is bewezen hetgeen aan de verdachte is ten laste gelegd, de benadeelde partij niet in de vordering, die betrekking heeft op dat ten laste gelegde feit, kan worden ontvangen.
Gelet hierop zal de rechtbank bepalen dat de benadeelde partij niet ontvankelijk is in de vordering.

5.Beslissing

De rechtbank:
Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.
Verklaart de benadeelde partij [het slachtoffer] niet-ontvankelijk in de vordering.
Bepaalt dat de benadeelde partij [het slachtoffer] en de verdachte ieder de eigen proceskosten dragen.
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door
mr. A.K. Korteweg, voorzitter,
mr. G.D. Kleijne en mr. K.I.E. Lammers, rechters,
in tegenwoordigheid van de griffier mr. W.S. Speelman,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 10 februari 2026.