6.3Oordeel van de rechtbank
Bij de beslissing over de straf die aan de verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
Ernst van het feit
De verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan een gewapende overval bij een bedrijf in luxe horloges in Opmeer, waarbij een aanwezige medewerker is bedreigd met een hakbijl en een pistool. Het slachtoffer werd op zijn hoofd geslagen met het pistool, werd gedwongen op de grond te gaan liggen en zijn handen werden op zijn rug vastgebonden. Er zijn diverse spullen van het slachtoffer gestolen. Vervolgens zijn de verdachten er met een eerder gestolen auto vandoor gegaan. Deze auto is kort na de overval uitgebrand aangetroffen. Voor het slachtoffer moet dit een angstaanjagende gebeurtenis zijn geweest, zoals ook is gebleken uit zijn ter terechtzitting voorgedragen slachtofferverklaring. De verdachte had duidelijk alleen voor ogen dat hij makkelijk en snel veel geld kon verdienen. Hij heeft op geen enkele manier rekening gehouden met de gevoelens van en de gevolgen voor het slachtoffer. Naast de gevolgen voor het slachtoffer veroorzaken dit soort feiten ook sterke gevoelens van onveiligheid bij de directe omgeving van het slachtoffer en in de gehele samenleving.
Persoon van de verdachte
Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank gelet op het strafblad van
de verdachte (Uittreksel Justitiële Documentatie) van 27 januari 2026. Hieruit blijkt dat de
verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke feiten. Dit weegt dan
ook niet in zijn nadeel mee.
De rechtbank heeft kennisgenomen van het Pro Justitia psychologisch onderzoeksrapport van 30 december 2024. Hieruit blijkt onder meer dat bij de verdachte sprake is van een psychische stoornis in de vorm van ADHD - gecombineerd beeld en een oppositionele-opstandige stoornis. De psycholoog ziet voldoende aanwijzingen voor cognitieve beperkingen die het functioneren van de verdachte zouden belemmeren. Het lukt hem niet om zonder begeleiding aan de verwachtingen van de maatschappij te kunnen voldoen. Pedagogische sturing en invloed lijken moeilijk, gezien het beperkt lerend vermogen van de verdachte, maar niet onmogelijk. De verdachte is impulsief en beïnvloedbaar. Hij is gebaat bij een groepsgericht leefklimaat. Gelet op het voorgaande ziet de psycholoog voldoende aanwijzingen om het jeugdstrafrecht toe te passen.
De voorlopige hechtenis van de verdachte is met ingang van 14 februari 2025 geschorst.
Sindsdien staat de verdachte onder toezicht van de reclassering. De reclassering heeft voor het laatst op 17 januari 2026 een advies uitgebracht. Aan de hand van onder meer het hiervoor besproken Pro Justitia rapport komt de reclassering tot de conclusie dat het psychosociaal functioneren en de financiën van de verdachte als criminogeen en risicoverhogend kunnen worden gezien. De relatie met zijn gezin en zijn huisvesting omschrijft de reclassering als stabiel. De reclassering noemt het positief dat de verdachte goed samenwerkt met zijn toezichthouder en met zijn begeleider van [naam 1], dat hij openheid van zaken heeft gegeven bij het psychologisch onderzoek en in de gesprekken met de reclassering, dat hij spijt heeft betuigd over wat hij het slachtoffer heeft aangedaan en dat hij zich bereid heeft verklaard om met een psycholoog te gaan praten. Het risico op recidive wordt ingeschat als gemiddeld. Geadviseerd wordt het jeugdstrafrecht toe te passen gelet op de verbeteringen sinds de begeleiding door [naam 1], de LVB-problematiek van de verdachte en zijn psychische problematiek. Bij een veroordeling wordt geadviseerd een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met als bijzondere voorwaarden (i) begeleiding door de jeugdreclassering, (ii) een ambulante behandeling, (iii) een contactverbod met het slachtoffer en de mededaders, (iv) een locatieverbod voor Opmeer en (v) het volgen van onderwijs.
Namens de jeugdreclassering is ter terechtzitting het volgende naar voren gebracht. De begeleiding door [naam 1] verloopt zo goed dat deze moet worden voortgezet. Er zijn weinig aanknopingspunten om nog een ambulante behandeling op te leggen. Het is van belang dat de verdachte leert omgaan met zijn problematiek, maar daarbij hoeft niet te worden opgenomen dat hij de voorgeschreven medicatie moet gebruiken. Ook de geadviseerde voorwaarde van het volgen van onderwijs is niet meer nodig. Het is geen noodzaak voor de jeugdreclassering dat de verdachte naar school gaat. De jeugdreclassering acht het daarentegen wel van belang dat de verdachte dagbesteding heeft. Het advies van de jeugdreclassering is om het jeugdstrafrecht toe te passen.
Ten aanzien van de persoonlijke omstandigheden betrekt de rechtbank tot slot dat de verdachte ter terechtzitting heeft verklaard dat hij bereid is mee te werken aan de eventueel op te leggen bijzondere voorwaarden, met uitzondering van de ambulante behandeling en het volgen van onderwijs. Daarbij heeft hij aangegeven de voorkeur te hebben om te werken en te sporten.
Toepassing van het jeugdstrafrecht?
Wat betreft de vraag of het volwassenstrafrecht of het jeugdstrafrecht moet worden
toegepast, overweegt de rechtbank het volgende. De verdachte was ten tijde van het bewezen
verklaarde feit achttien jaar oud en dus meerderjarig. Het uitgangspunt is dan berechting
volgens het volwassenenstrafrecht. De rechtbank kan, ten aanzien van een verdachte die ten
tijde van het begaan van een strafbaar feit de leeftijd van achttien jaar, maar nog niet de
leeftijd van drieëntwintig jaar heeft bereikt, beslissen het jeugdstrafrecht toe te passen, indien
de rechtbank daartoe grond vindt in de persoonlijkheid van de dader of de omstandigheden
waaronder het feit is begaan.
De rechtbank is – met de officier van justitie, de verdediging, de psycholoog en de (jeugd)reclassering – van oordeel dat in dit geval, gelet op de persoonlijkheid van de verdachte, het jeugdstrafrecht toegepast moet worden. De rechtbank acht hierbij doorslaggevend dat de verdachte, ondanks zijn beperkt lerend vermogen, pedagogisch beïnvloedbaar lijkt te zijn.
Verminderd toerekeningsvatbaar?
Wat betreft de vraag of het feit in verminderde mate aan de verdachte moet worden toegerekend, overweegt de rechtbank dat zij in de constateringen in het Pro Justitia rapport over de beperkingen in het functioneren van de verdachte onvoldoende aanleiding ziet om het bewezen verklaarde feit verminderd toe te rekenen aan de verdachte. Ook anderszins is de rechtbank niet gebleken van enige omstandigheid waardoor het bewezen verklaarde feit in verminderde mate moet worden toegerekend aan de verdachte.
De op te leggen straf
Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat de eis van de officier van justitie passend is. De rechtbank zal dan ook een jeugddetentie van 353 dagen opleggen, met aftrek van het voorarrest. Daarvan zullen 180 dagen vooralsnog niet ten uitvoer worden gelegd, zodat het onvoorwaardelijk strafdeel gelijk is aan de duur van het voorarrest. Dit betekent dat de verdachte op dit moment niet terug hoeft naar de gevangenis en dus de kans krijgt om de positieve wending die hij sinds de schorsing van de voorlopige hechtenis aan zijn leven heeft gegeven, door te zetten. Hierbij heeft de rechtbank ook in aanmerking genomen dat de verdachte door zijn bekentenis bij de politie en spijt betuiging op de zitting zijn verantwoordelijkheid heeft genomen en heeft laten blijken dat hij inziet fout te hebben gehandeld. De rechtbank zal aan het voorwaardelijk strafdeel de door de reclassering geadviseerde voorwaarden en een proeftijd van twee jaar verbinden, met als doel dat de verdachte ervan wordt weerhouden zich in de toekomst wederom schuldig te maken aan een strafbaar feit. De rechtbank zal de formulering van de bijzondere voorwaarden aanpassen overeenkomstig de eis van de officier van justitie en in lijn met de wensen van de verdachte en de jeugdreclassering. Nu ter terechtzitting is gebleken dat het bedrijf waar het slachtoffer nog steeds werkzaam is naar Heerhugowaard is verhuisd, zal de rechtbank de formulering van het locatieverbod aanpassen, in die zin dat het locatieverbod geldt voor Heerhugowaard.
Voorlopige hechtenis
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis
opheffen.