ECLI:NL:RBNHO:2026:1206

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
4 februari 2026
Publicatiedatum
11 februari 2026
Zaaknummer
1165903
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:217 BWArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geen koopovereenkomst bij veiling tweedehands auto wegens ontbreken overeenstemming over prijs

BCA Autoveiling vordert betaling van een annuleringsvergoeding van de gedaagde wegens vermeend tekortschieten in de nakoming van een koopovereenkomst over een tweedehands Peugeot EXPERT 229. De gedaagde had via de veilingsite een bod van € 1.800 uitgebracht, waarna telefonisch contact volgde. BCA bevestigde een aankoop voor € 2.584,35, maar de gedaagde betwist dat partijen overeenstemming bereikten over een koopprijs van € 2.300.

De kantonrechter stelt vast dat een overeenkomst tot stand komt door aanbod en aanvaarding, en dat de bewijslast bij BCA ligt. BCA heeft onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld die het bestaan van een onvoorwaardelijke koopovereenkomst aannemelijk maken. De verklaring van de veilingmeester en het systeeminvoerbewijs zijn onvoldoende om het betoog van de gedaagde te weerleggen.

Daarom wordt het bestaan van een koopovereenkomst niet vastgesteld, en is er geen sprake van tekortschieten of schadeplichtigheid van de gedaagde. De vorderingen van BCA worden afgewezen, inclusief rente en incassokosten. BCA wordt veroordeeld in de proceskosten en wettelijke rente over deze kosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: De rechtbank wijst de vorderingen van BCA af wegens onvoldoende bewijs van een totstandgekomen koopovereenkomst.

Uitspraak

RECHTBANKNOORD-HOLLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Haarlem
Zaaknummer: 11659024 \ CV EXPL 25-2497
Vonnis van 4 februari 2026
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
BCA AUTOVEILING B.V.
gevestigd te Barneveld,
eisende partij,
hierna te noemen: BCA,
gemachtigde: LAVG BV (Groningen),
tegen
[gedaagde],handelend onder de naam
[bedrijf],
te [plaats],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde],
gemachtigde: mr. R. van Viersen.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding
- de conclusie van antwoord
- de conclusie van repliek
- de conclusie van dupliek.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.Feiten

2.1.
BCA houdt zich bezig met de verkoop van voertuigen via (online) veilingen.
2.2.
[gedaagde] heeft op 27 juni 2023 een bod van € 1.800,00 gedaan op een Peugeot EXPERT 229 (hierna: de auto), die via de veilingsite van BCA werd aangeboden.
2.3.
Naar aanleiding van het bod heeft telefonisch contact plaatsgevonden tussen partijen.
2.4.
BCA heeft vervolgens de aankoop van de auto voor een bedrag van € 2.584,35 aan [gedaagde] bevestigd.
2.5.
Op 6 juli 2023 heeft BCA [gedaagde] aangemaand tot betaling.
2.6.
[gedaagde] heeft op de aanmaning gereageerd dat partijen nimmer tot overeenstemming zijn gekomen over de koop van de auto.
2.7.
In artikel 11.2 van de algemene voorwaarden BCA Autoveiling B.V. staat:
“Indien de Koper na ontvangst van betalingsherinneringen op de 3e en 5e dag na de factuurdatum het Voertuig op de 7e dag na factuursdatum niet heeft betaald, behoudt BCA zich het recht voor om de verkoop te annuleren, een extra annuleringsvergoeding van € 500,- per Voertuig in rekening te brengen en de Koper dientengevolge te blokkeren.”

3.Het geschil

3.1.
BCA vordert - samengevat - veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 605,00, vermeerderd met rente en kosten.
3.2.
BCA legt aan de vordering ten grondslag dat partijen op 27 juni 2023 een mondelinge koopovereenkomst hebben gesloten voor een bedrag van € 2.300,00. Omdat [gedaagde] verwijtbaar tekortgeschoten is in zijn nakomingsverplichting, vordert BCA op grond van haar algemene voorwaarden de annuleringsvergoeding.
3.3.
[gedaagde] betwist dat er een koopovereenkomst tot stand is gekomen. Hij voert aan dat hij nimmer meer dan € 1.900,00 heeft geboden op de auto.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
De kern van het geschil betreft de vraag of tussen partijen een overeenkomst tot stand is gekomen. Een overeenkomst komt tot stand door aanbod en aanvaarding. [1]
4.2.
Vaststaat dat [gedaagde] via de veilingsite een bod van € 1.800,00 op de auto heeft uitgebracht en dat BCA dit bod niet heeft geaccepteerd. Vervolgens heeft de veilingmeester in een telefoongesprek onderzocht of partijen toch tot overeenstemming zouden kunnen komen. Partijen verschillen van mening over de vraag of dat ook gelukt is. De stelplicht (en bewijslast) ten aanzien van de totstandkoming van een overeenkomst, rust op de partij die zich op die overeenkomst beroept, in dit geval BCA. De kantonrechter is van oordeel dat BCA daar niet in is geslaagd. Dat oordeel wordt hierna toegelicht.
4.3.
BCA heeft in algemene bewoordingen gesteld dat de veilingmeester met [gedaagde] heeft onderhandeld en dat [gedaagde] er toen € 500,00 ‘bij heeft gedaan’. [gedaagde] heeft hiertegen aangevoerd dat hij eerder al een auto had gekocht via BCA en dat daar diverse problemen uit naar voren waren gekomen. [gedaagde] heeft daarom in het telefoongesprek van 27 juni 2023 met de veilingmeester aangegeven dat hij bereid was om zijn bod te verhogen, onder de voorwaarde dat deze eerdere problemen zouden worden opgelost. Hij heeft echter nimmer een bedrag van € 2.300,00 geboden. Volgens [gedaagde] heeft hij naar aanleiding van de aankoopbevestiging van 27 juni 2023 nogmaals met BCA gebeld om aan te geven dat partijen geen overeenstemming hadden bereikt. BCA heeft tegenover dit gemotiveerde betoog door [gedaagde] onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld waaruit blijkt dat wél overeenstemming is bereikt over een (onvoorwaardelijke) koopprijs van € 2.300,00. De verklaring van de veilingmeester is daartoe niet voldoende. Ook het feit dat de veilingmeester de ‘koop’ naar aanleiding van het gesprek in zijn eigen systeem heeft ingevoerd, bewijst in dit geval niets. Het blijft immers het woord van de veilingmeester tegenover dat van Van de Veer.
4.4.
Gelet op het voorgaande is de kantonrechter van oordeel dat het bestaan van een koopovereenkomst tussen BCA en [gedaagde] niet is komen vast te staan. Daardoor is ook geen sprake van tekortschieten van [gedaagde] en schadeplichtigheid op die grond. Het voorgaande leidt ertoe dat de vordering van BCA tot betaling van de hoofdsom wordt afgewezen. De gevorderde wettelijke rente en buitengerechtelijke incassokosten worden daarom ook afgewezen.
4.5.
BCA is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:
- salaris gemachtigde
288,00
(2 punten × € 144,00)
- nakosten
72,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
360,00
4.6.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
wijst de vorderingen van BCA af,
5.2.
veroordeelt BCA in de proceskosten van € 360,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als BCA niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
veroordeelt BCA tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.N. Schipper en in het openbaar uitgesproken op 4 februari 2026.
De griffier De kantonrechter

Voetnoten

1.Artikel 6:217 van Pro het Burgerlijk Wetboek, hierna: BW.