Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNHO:2026:1269

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
16 februari 2026
Publicatiedatum
12 februari 2026
Zaaknummer
11976907
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:669 lid 1 BWArt. 7:669 lid 3 BWArt. 7:671b lid 9 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontbinding arbeidsovereenkomst wegens niet-nakoming re-integratieverplichtingen

De werkgever Simon Loos Transport B.V. verzoekt ontbinding van de arbeidsovereenkomst met de werknemer wegens verwijtbaar handelen, namelijk het niet nakomen van re-integratieverplichtingen.

De werknemer meldde zich ziek op 24 mei 2025 en was vervolgens niet bereikbaar, reageerde niet op uitnodigingen en verscheen niet op afspraken met de bedrijfsarts. De werkgever gaf meerdere officiële waarschuwingen en schortte het loon op. De bedrijfsarts constateerde beperkingen, maar adviseerde contact te blijven houden. De werknemer verscheen wel op twee spreekuren, maar hield geen contact met de werkgever.

Het UWV stelde in een deskundigenoordeel vast dat de werknemer onvoldoende meewerkt aan re-integratie. De werknemer voerde geen verweer en verscheen niet op de zitting. De kantonrechter acht de feiten juist en oordeelt dat er een redelijke grond is voor ontbinding wegens verwijtbaar handelen. Herplaatsing binnen redelijke termijn is niet mogelijk. De arbeidsovereenkomst wordt ontbonden met ingang van 1 april 2026. De werknemer wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: De arbeidsovereenkomst wordt ontbonden per 1 april 2026 wegens niet-nakoming van re-integratieverplichtingen door de werknemer.

Uitspraak

RECHTBANKNOORD-HOLLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Zaanstad
Zaaknummer / rekestnummer: 11976907 \ AO VERZ 25-51
Beschikking van 16 februari 2026
in de zaak van
de besloten vennootschap
Simon Loos Transport B.V.,
te Wognum,
verzoekende partij,
hierna te noemen: Simon Loos,
gemachtigde: mr. N. Poggenklaas,
tegen
[gedaagde],
te [plaats] ,
verwerende partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
niet verschenen.
De zaak in het kort
In deze zaak verzoekt de werkgever om ontbinding van de arbeidsovereenkomst met de werknemer. De kantonrechter wijst het verzoek toe, omdat er een redelijke grond is voor ontbinding, namelijk dat de werknemer zijn re-integratieverplichtingen niet nakomt.

1.De procedure

1.1.
Simon Loos heeft op 20 november 2025 een verzoekschrift met producties ingediend.
1.2.
Op 2 februari 2026 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Simon Loos is op de zitting verschenen. [gedaagde] is, ondanks dat hij behoorlijk is opgeroepen, niet op de zitting verschenen. Simon Loos heeft haar verzoek toegelicht en vragen beantwoord. De griffier heeft daarvan aantekeningen gemaakt. Vóór de mondelinge behandeling heeft Simon Loos met een e-mail van 23 januari 2026 nog stukken toegezonden.

2.De feiten

2.1.
[gedaagde] , geboren [geboortedatum] , is sinds 3 juni 2024 in dienst bij Simon Loos. De functie van [gedaagde] is chauffeur met een loon van € 2.704,28 bruto per vier weken.
2.2.
Op 24 mei 2025 heeft [gedaagde] zich ziekgemeld. Simon Loos heeft geprobeerd contact te leggen met [gedaagde] en hem ook verzocht om zelf contact op te nemen, maar [gedaagde] was niet bereikbaar en heeft niet gereageerd.
2.3.
Simon Loos heeft op 2 juni 2025 een eerste officiële waarschuwing gegeven en meegedeeld dat zij zou overgaan tot het opschorten van het loon totdat [gedaagde] zou meewerken aan zijn re-integratie.
2.4.
Op 3 juni 2025 heeft Simon Loos een huisbezoek gebracht, maar [gedaagde] niet aangetroffen. Simon Loos is daarna overgegaan tot het opschorten van het loon en zij heeft [gedaagde] opgeroepen voor het spreekuur bij de bedrijfsarts op 5 juni 2025. [gedaagde] is niet op dat spreekuur verschenen.
2.5.
Op 6 juni 2025 is er een tweede, schriftelijke, officiële waarschuwing aan [gedaagde] gegeven. In de brief is de loonopschorting bevestigd en is er op aangedrongen dat [gedaagde] contact op zou nemen met Simon Loos.
2.6.
[gedaagde] is vervolgens wel verschenen op het spreekuur van de bedrijfsarts van 1 juli 2025. De bedrijfsarts heeft geconstateerd dat er sprake was van een opvlamming van al langer spelende klachten op het gebied van persoonlijk en sociaal functioneren en dat re-integratie ‘op dit moment niet aan de orde is’. De bedrijfsarts heeft partijen geadviseerd om periodiek contact te blijven onderhouden. Simon Loos heeft vervolgens de loonopschorting opgeheven.
2.7.
Op 29 juli 2025 is [gedaagde] op een nieuw spreekuur bij de bedrijfsarts verschenen. In het advies heeft de bedrijfsarts geschreven dat [gedaagde] moeite heeft met het onderhouden van contacten en dat re-integratie nog niet aan de orde is, maar dat partijen wel contact met elkaar moeten blijven houden.
2.8.
Simon Loos heeft [gedaagde] uitgenodigd voor een gesprek op 31 juli 2025, maar daar is hij niet verschenen. Bij brief van 6 augustus 2025 is [gedaagde] opnieuw uitgenodigd voor een gesprek. [gedaagde] heeft niet op de brief gereageerd en is ook niet op deze afspraak verschenen. Simon Loos heeft vervolgens een derde officiële waarschuwing naar [gedaagde] verzonden, waarin ook is medegedeeld dat de loonbetaling met ingang van 14 augustus 2025 werd stopgezet.
2.9.
Hierna is [gedaagde] meerdere keren uitgenodigd om op gesprek te komen, maar daaraan heeft [gedaagde] geen gehoor gegeven. Simon Loos heeft meermaals geprobeerd contact te leggen, ook door een huisbezoek af te leggen, maar dit heeft niet tot resultaat geleid.
2.10.
Ook op de afspraak bij de bedrijfsarts van 23 september 2025 is [gedaagde] niet verschenen. Simon Loos heeft daarom op 1 oktober 2025 een vierde officiële waarschuwing gegeven en [gedaagde] er op gewezen dat hij moet meewerken aan zijn re-integratie en instructies van Simon Loos dient op te volgen, op straffe van arbeidsrechtelijke consequenties. Ook is aangekondigd dat Simon Loos een deskundigenoordeel bij het UWV gaat aanvragen over de vraag of [gedaagde] voldoende meewerkt aan zijn re-integratie.
2.11.
[gedaagde] is door het UWV uitgenodigd voor een gesprek op 6 november 2025, maar daar is hij niet verschenen. In het deskundigenoordeel van het UWV van 10 november 2025 staat dat [gedaagde] onvoldoende meewerkt aan zijn re-integratie.

3.Het verzoek

3.1.
Simon Loos verzoekt de arbeidsovereenkomst met [gedaagde] te ontbinden vanwege verwijtbaar handelen. Simon Loos heeft aan het verzoek ten grondslag gelegd – kort weergegeven – dat [gedaagde] verwijtbaar handelt doordat hij zijn re-integratieverplichtingen niet naleeft.

4.Geen verweer

4.1.
[gedaagde] heeft geen verweerschrift ingediend en hij is niet op de zitting verschenen; hij heeft dus geen verweer gevoerd.

5.De beoordeling

5.1.
[gedaagde] is bij deurwaardersexploot opgeroepen voor de zitting. Bij dat exploot zat ook een exemplaar van het verzoekschrift. [gedaagde] had dus op de hoogte kunnen zijn van het verzoek en de plaats en het tijdstip van de zitting. [gedaagde] heeft echter geen verweer gevoerd en hij is niet op de zitting verschenen en hij heeft daar dus ook geen vragen van de kantonrechter kunnen beantwoorden of nadere inlichtingen of toelichting gegeven. De kantonrechter verbindt hier het gevolg aan dat moet worden uitgegaan van de juistheid van de feiten en omstandigheden die Simon Loos heeft gesteld.
5.2.
Het gaat in deze zaak om de vraag of de arbeidsovereenkomst tussen partijen moet worden ontbonden.
5.3.
Een arbeidsovereenkomst kan alleen worden ontbonden als daar een redelijke grond voor is. In de wet is bepaald wat een redelijke grond is. [1] Ook is voor ontbinding vereist dat herplaatsing van de werknemer binnen een redelijke termijn niet mogelijk is of niet in de rede ligt. [2]
5.4.
De kantonrechter oordeelt dat er een redelijke grond is voor ontbinding. Dat wordt als volgt toegelicht.
5.5.
Simon Loos baseert het verzoek tot ontbinding op de omstandigheid dat [gedaagde] zonder deugdelijke grond zijn re-integratieverplichtingen niet nakomt. Voor een ontbinding op die grond is nodig dat de werknemer eerst schriftelijk wordt aangemaand of een loonstop wordt ingesteld en dat een verklaring van een deskundige van het UWV wordt overgelegd. Dat heeft Simon Loos gedaan.
5.6.
[gedaagde] is na zijn ziekmelding twee keer op het spreekuur van de bedrijfsarts geweest. Volgens de bedrijfsarts kon van [gedaagde] verwacht worden dat hij, ondanks de geconstateerde beperkingen, contact zou blijven houden met zijn werkgever. [gedaagde] heeft echter geen contact onderhouden met Simon Loos. Simon Loos heeft meerdere keren geprobeerd contact te leggen maar zonder resultaat. Simon Loos heeft ook aangekondigd het loon op te schorten en dat uiteindelijk ook gedaan en Simon Loos heeft meerdere officiële waarschuwingen gegeven en ook dat heeft niet geleid tot een teken van leven van [gedaagde] . Simon Loos is tot slot overgegaan tot het stoppen van het loon en zij heeft een deskundigenoordeel bij het UWV aangevraagd; uit het deskundigenoordeel blijkt dat [gedaagde] niet aan zijn re-integratieverplichtingen voldoet. De kantonrechter volgt Simon Loos en de deskundige van het UWV in hun conclusie dat [gedaagde] onvoldoende meewerkt aan zijn re-integratie. [gedaagde] heeft geen verweer gevoerd en de kantonrechter ziet dan ook geen aanknopingspunt of reden om aan te nemen dat [gedaagde] een deugdelijke grond had om niet mee te werken aan zijn re-integratie. [gedaagde] heeft daarmee verwijtbaar gehandeld en dit vormt een redelijke grond om tot de ontbinding van de arbeidsovereenkomst te komen.
5.7.
Herplaatsing van [gedaagde] binnen een redelijke termijn ligt niet in de rede. Daarbij is van belang dat de arbeidsovereenkomst wordt ontbonden wegens verwijtbaar handelen van [gedaagde] .
5.8.
De conclusie is dat de arbeidsovereenkomst zal worden ontbonden. Het einde van de arbeidsovereenkomst zal worden bepaald op 1 april 2026. Dat is de datum waarop de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging zou zijn geëindigd, verminderd met de duur van deze procedure. [3] De kantonrechter zal niet afwijken van deze termijn omdat niet wordt aangenomen dat sprake is van
ernstigverwijtbaar handelen van [gedaagde] .
5.9.
De proceskosten komen voor rekening van [gedaagde] , omdat [gedaagde] overwegend ongelijk krijgt en sprake is van verwijtbaar handelen of nalaten van [gedaagde] . De proceskosten aan de zijde van Simon Loos worden begroot op € 856,00 (€ 135,00 aan griffierecht, € 577,00 aan salaris gemachtigde en € 144,00 aan nakosten), plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing.

6.De beslissing

De kantonrechter
6.1.
ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 1 april 2026,
6.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 856,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend,
6.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad [4] .
Deze beschikking is gegeven door mr. P.J. Jansen en in het openbaar uitgesproken op 16 februari 2026.

Voetnoten

1.Artikel 7:669 lid 3 van Pro het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW).
2.Artikel 7:669 lid 1 BW Pro.
3.Artikel 7:671b lid 9, onder a, BW.
4.Uitvoerbaar bij voorraad betekent dat de veroordelingen in de beschikking uitgevoerd moeten worden, ook als eventueel in hoger beroep wordt gegaan.