Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
1.Tenlastelegging
- gemeen gevaar voor goederen, de woning gelegen aan de [adres 2] te Purmerend en/of de in voornoemde woning aanwezige inboedel en/of een of meer aangrenzende woningen aan de [adres 2] te Purmerend, en/of
- levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten (een) aanwezige(n) in de woning aan de [adres 2] en/of in de woning aan de [adres 3] en/of aangrenzende woningen en/of (een) passant(en) te duchten was.
2.Voorvragen
3.Beoordeling van het bewijs
- gemeen gevaar voor goederen, te weten de woning gelegen aan de [adres 2] te Purmerend en de in voornoemde woning aanwezige inboedel te duchten was.
4.Kwalificatie en strafbaarheid van het feit
5.Strafbaarheid van de verdachte
6.Motivering van de sanctie
wederomeen misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. De rechtbank acht niet bewezen dat door de brandstichting levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten was. Dat maakt dat het bewezen verklaarde feit geen misdrijf is dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Naar het oordeel van de rechtbank is er daarom ook geen sprake van een situatie waarin er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de veroordeelde wederom een dergelijk misdrijf zal begaan.
7.Vordering benadeelde partijen en schadevergoedingsmaatregel
Rotterdamse schaal.
8.Vordering tot tenuitvoerlegging
9.Toepasselijke wettelijke voorschriften
10.Beslissing
30 maanden.
10 maanden nietten uitvoer zal worden gelegd en stelt daarbij een proeftijd vast van twee jaren.
€ 18.919,12bestaande uit € 16.919,12 als vergoeding voor de materiële en € 2.000,00 als vergoeding voor de immateriële schade, en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 21 april 2025 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [slachtoffer] , voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.
€ 18.919,12, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 119 dagen gijzeling en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 21 april 2025 tot aan de dag der algehele voldoening. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.