ECLI:NL:RBNHO:2026:1284

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
10 februari 2026
Publicatiedatum
12 februari 2026
Zaaknummer
15-123785-25
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 36f SrArt. 157 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor opzettelijke brandstichting met gemeen gevaar voor goederen

Op 21 april 2025 stichtte de verdachte opzettelijk brand in de woning van de aangeefster te Purmerend door open vuur te plaatsen op of bij de hoekbank, waarbij gemeen gevaar voor de woning en inboedel bestond. De rechtbank achtte het gevaar voor aangrenzende woningen, levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel niet bewezen.

De verdachte had kort voor de brand een ruzie met de aangeefster, die met haar kinderen de woning verliet. Camerabeelden en WhatsApp-berichten toonden dat de verdachte alleen in de woning was toen de brand ontstond. Een foto van de brandende fleecedeken op de bank werd door de verdachte naar de aangeefster gestuurd. De rechtbank verwierp het verweer dat de brand door een sigaret was ontstaan en achtte opzet bewezen.

De rechtbank veroordeelde de verdachte tot 30 maanden gevangenisstraf, waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar en bijzondere voorwaarden, waaronder een contactverbod met de aangeefster. De verdachte werd vrijgesproken van de meer ernstige bestanddelen. Daarnaast werd de verdachte veroordeeld tot schadevergoeding van €18.919,12 en een schadevergoedingsmaatregel opgelegd. De vordering tot tenuitvoerlegging van een eerdere voorwaardelijke straf werd toegewezen.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 30 maanden gevangenisstraf, waarvan 10 maanden voorwaardelijk, en schadevergoeding van €18.919,12 wegens opzettelijke brandstichting.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Team Straf, zittingsplaats Haarlem
Meervoudige strafkamer
Parketnummer: 15-123785-25 en 15-382909-24 (TUL) (P)
Uitspraakdatum: 10 februari 2026
Tegenspraak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 27 januari 2026 in de zaak tegen:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum 1] 1986 te [geboorteplaats 1] ,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres 1] ,
thans gedetineerd in Justitieel Complex Zaanstad.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie
mr. M. Lenderink en van wat de verdachte en zijn raadsman mr. M.A.C. van Vuuren, advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht.

1.Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 21 april 2025 te Purmerend opzettelijk brand heeft gesticht door het bijbengen of achterlaten van (open) vuur, bij of op de korte zijde van de hoekbank en/of een deken op de bank in de woning aan de [adres 2] te Purmerend, terwijl daarvan
- gemeen gevaar voor goederen, de woning gelegen aan de [adres 2] te Purmerend en/of de in voornoemde woning aanwezige inboedel en/of een of meer aangrenzende woningen aan de [adres 2] te Purmerend, en/of
- levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten (een) aanwezige(n) in de woning aan de [adres 2] en/of in de woning aan de [adres 3] en/of aangrenzende woningen en/of (een) passant(en) te duchten was.

2.Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3.Beoordeling van het bewijs

3.1
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit, met dien verstande dat niet bewezen kan worden dat sprake was van gevaar voor een of meer aangrenzende woningen aan de [adres 2] , levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel.
3.2
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft de rechtbank primair verzocht de verdachte vrij te spreken van het ten laste gelegde feit. Voor het geval de rechtbank toch tot een bewezenverklaring komt, heeft de raadsman subsidiair en in voorwaardelijke zin verzocht om de behandeling van de zaak aan te houden en het Nederlands Forensisch Instituut (hierna: NFI) de opdracht te geven om de aangedragen scenario’s te onderzoeken. Meer subsidiair heeft de raadsman verzocht om de verdachte vrij te spreken van het bestanddeel dat van de brandstichting levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten was. De door de verdediging gevoerde verweren zullen, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.
3.3
Oordeel van de rechtbank
3.3.1
Redengevende feiten en omstandigheden
De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde op grond van de volgende bewijsmiddelen die in de bijlage bij dit vonnis zijn opgenomen.
3.3.2
Bewijsmotivering
Feitenvaststelling
Op 21 april 2025 omstreeks 05:21 uur komt de politie naar aanleiding van een melding van een woningbrand ter plaatse bij de [adres 2] te Purmerend, zijnde de woning van de aangeefster waar zij destijds met de verdachte en hun kinderen als samengesteld gezin woonden (hierna ook: de woning). Aldaar ziet de verbalisant vlammen en zwarte rook uit de woning komen en treft hij de verdachte bewusteloos in de achtertuin bij de deuropening aan.
Zowel de aangeefster als de verdachte hebben verklaard dat zij vlak voor de brand een fikse ruzie hebben gehad in de woning. De aangeefster is daarop als eerste uit de woning vertrokken met haar twee kinderen [voornaam 1] en [voornaam 2] . De verdachte heeft met de aangeefster die nacht tussen 05:05 uur en 05:07 uur Whatsappberichten uitgewisseld. In deze berichten vraagt de verdachte om 05:05 uur aan de aangeefster waar zij is. De aangeefster schrijft daarop tussen 05:06 en 05:07 uur dat zij weg is, en de kinderen ook (“I’m gone Kids ook”).
Uit de beschrijving van de camerabeelden van de [adres 2] [nummer] , waarop onder meer de achtertuin en achterzijde van de woning aan de [adres 2] en de daarnaast gelegen parkeerplaats zichtbaar is, blijkt dat om 05:07:40 uur een persoon binnen in de woning staat, die heen en weer voor het achterraam loopt. Daarna verdwijnt hij uit het zicht. Een kind komt naar buiten en om 05:08:16 uur komt een tweede kind naar buiten. Om 05:08:42 uur verschijnt een persoon weer voor het raam en komt deze naar buiten lopen. Op dat moment staan twee kinderen met een fatbike op de straat. Het eerste kind stapt achter op de fatbike. Om 05:08:56 uur staat de persoon in de tuin bij het hek en zegt tegen de kinderen “Ik kom er aan ja!’’ en “Ga slapen’’. Hierop rijden de kinderen op de fatbike weg. Als zij aan het einde van de parkeerplaats zijn, hoor je een brandmelder piepen.
De verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij de persoon op deze beelden is en dat zijn twee kinderen, [voornaam 3] en [voornaam 4] op een fatbike de woning hebben verlaten. De verdachte heeft bevestigd dat hij vanaf dat moment alleen in en bij de woning was. Op diezelfde beelden – die ter zitting zijn bekeken – is om 05:09 uur te zien dat de verdachte in de tuin bij het raam van de keuken staat en dat er bij hem een lichtflits verschijnt. Vanaf dat moment is op de camerabeelden het brandalarm te horen. Vrijwel direct daarna ontstaan rookwolken in de woning en is oranje schijnsel te zien in de woning.
Diezelfde nacht om 05:09 uur heeft de verdachte met Whatsapp een foto naar de aangeefster gestuurd waarop een deel van de keuken en de woonkamer te zien is. De verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij die foto vanuit de tuin heeft gemaakt. In het midden van die foto is een brandend voorwerp te zien, gelegen op de leuning van de bank. De verdachte heeft bij het sturen van de foto de teksten “Weltruste’’ en “Mzzzl’’ aan de aangeefster gestuurd. De aangeefster heeft op enig moment bij de politie verklaard dat het brandende voorwerp op de bank een fleecedeken is. De verdachte is aangehouden op verdenking van brandstichting en bij zijn fouillering is onder andere een aansteker aangetroffen.
Opzet
De politie heeft in de woning een sporenonderzoek verricht. Op grond van dit onderzoek is de conclusie dat de brand zeer waarschijnlijk is ontstaan door het bijbrengen of achterlaten van (open) vuur, op of bij de bekleding van de hoekbank of materiaal dat op de hoekbank lag. Het gebruik van een sigarettenaansteker als ontstekingsmiddel wordt hierbij het meest passend geacht.
De rechtbank volgt deze conclusie van de brandweerdeskundige, werkzaam bij de politie, en neemt deze conclusie over. Op grond van het sporenonderzoek en de hiervoor genoemde feitelijke bevindingen, in onderling verband en samenhang bezien, is de brand naar het oordeel van de rechtbank dan ook ontstaan door het bijbrengen of het achterlaten van open vuur bij of op de hoekbank, dan wel de fleecedeken die op de bank lag. De rechtbank vindt hiervoor bevestiging in de omstandigheid dat de verdachte in de betreffende nacht een aansteker bij zich had. Bovendien had de verdachte in de periode gelegen tussen 05:07:40 uur en 05:08:42 uur de gelegenheid om brand te stichten. Dit geldt temeer omdat de verdachte vanaf 05:08:16 uur als enige persoon in de woning is geweest. Gelet op het voorgaande oordeelt de rechtbank dat de verdachte willens en wetens (opzettelijk) brand heeft gesticht in de woning.
De verklaring van de verdachte dat hij – mede vanwege zijn beschonken toestand – niet door had dat de brandmelder afging, dat de keuken zich op dat moment met rook vulde en dat hij op de door hem genomen foto niet gezien heeft dat er een brandend voorwerp op de bank lag, acht de rechtbank niet geloofwaardig. Daarvoor zijn deze gebeurtenissen en omstandigheden te duidelijk en omvangrijk van aard. De verdachte was bovendien kort daarvoor – ondanks zijn beschonken toestand – nog in staat zijn kinderen uit te zwaaien en met hen te spreken, terwijl op de camerabeelden te zien is dat hij op beide benen staat, heen en weer loopt en handelingen verricht, zoals het openen en sluiten van de deur. Hij was ook in staat om met zijn telefoon een foto te maken en via Whatsapp contact te hebben met de aangeefster. Dat de verdachte om 05:20:30 uur, nadat hij bij de buren aanbelt en roept dat er brand is, terug naar de woning rent en “ [voornaam 5] , [voornaam 5] ” roept (waarmee hij aangeefster bedoelt) en uiteindelijk bewusteloos in de deuropening wordt gevonden, doet – anders dan de verdediging meent – aan het voorgaande niets af.
De rechtbank volgt niet de suggestie van de verdediging, onder verwijzing naar het rapport, gedateerd 25 januari 2025 (de rechtbank leest: 2026) van een door de verdediging ingeschakelde deskundige van het Brand Technisch Bureau, dat de brand ook door een andere oorzaak kan zijn ontstaan, namelijk door het veronachtzamen van een brandende sigaret. Dit rapport stelt weliswaar dat het neerwaartse brandverloop en het daaruit voortvloeiende brandbeeld beter aansluit bij het roken-scenario dan bij het (open)vuur-scenario, maar het rapport sluit niet uit dat de brand door open vuur is ontstaan. Dit geldt temeer omdat bij het door de politie uitgevoerde sporenonderzoek enkel op de slaapkamers, en dus niet in de woonkamer, aanwijzingen voor het roken zijn aangetroffen. Bovendien stelt de deskundige van het Brand Technisch Bureau dat in de woonkamer op één plaats sprake is van warmteontwikkeling tot op vloerniveau, namelijk ter plaatse van het linker deel van de hoekbank. Hij stelt daarop de (tussen)conclusie dat de primaire brandhaard zich bevond op de zitting van de hoekbank. Deze bevindingen sluiten aan bij de bevindingen uit het sporenonderzoek door de politie. Daarin wordt gesteld dat het ontstaansgebied van de brand zich zeer waarschijnlijk op het linkerdeel van de hoekbank bevond. Deze bevindingen uit de rapportages worden naar het oordeel van de rechtbank ondersteund door de foto die door de verdachte aan de aangeefster is gestuurd. Daarop is immers een brandende fleecedeken te zien die over het linkerdeel van de hoekbank was gelegen. Nader onderzoek naar de eigenschappen van de fleecedeken heeft uitgewezen dat deze niet kan vlamvatten door een brandende sigaret. Gelet hierop stelt de rechtbank de conclusie in het rapport van het Brand Technisch Bureau met betrekking tot het roken-scenario ter zijde. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een nader onderzoek, zoals door de verdediging subsidiair en in voorwaardelijke zin is verzocht. Dat verzoek wordt dan ook afgewezen.
Vrijspraak gevaar goederen aangrenzende woningen, levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander
Met de officier van justitie en de raadsman is de rechtbank van oordeel dat zowel uit het dossier als uit het verhandelde ter terechtzitting niet is gebleken dat er bij de brandstichting gemeen gevaar voor een of meer aangrenzende woningen aan de [adres 2] of voor personen te duchten is geweest. Uit het forensisch onderzoek blijkt dat de brandschade zich heeft beperkt tot de woning van de aangeefster en dat sprake was van levensgevaar voor personen die zich in de woning aan de [adres 2] zouden begeven tijdens de brand. Zoals hiervoor overwogen was er tijdens de brandstichting, behalve de verdachte, niemand aanwezig in de woning. De verdachte moet om die reden vrijgesproken worden van deze bestanddelen.
Conclusie
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte opzettelijk brand heeft gesticht in de woning aan de [adres 2] te Purmerend. Als gevolg van die brand was gemeen gevaar voor goederen, namelijk de betreffende woning en de daarin aanwezige inboedel, te duchten.
3.4
Bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit begaan, met dien verstande dat
hij op 21 april 2025 te Purmerend opzettelijk brand heeft gesticht door het bijbrengen van open vuur, bij of op de hoekbank en/of een deken op de bank in de woning aan de [adres 2] te Purmerend, terwijl daarvan
- gemeen gevaar voor goederen, te weten de woning gelegen aan de [adres 2] te Purmerend en de in voornoemde woning aanwezige inboedel te duchten was.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.
Hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4.Kwalificatie en strafbaarheid van het feit

Het bewezen verklaarde levert op:
opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is.
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezen verklaarde zou ontbreken. Het bewezen verklaarde is om die reden strafbaar.

5.Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is om die reden strafbaar.

6.Motivering van de sanctie

6.1
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk met daaraan verbonden de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering, met een proeftijd van twee jaren. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd om de verdachte een vrijheidsbeperkende maatregel in de vorm van een contactverbod en locatieverbod op te leggen op grond van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht (Sr) met toepassing van vervangende hechtenis voor de duur van veertien dagen voor iedere keer dat de verdachte zich niet aan de maatregel houdt, met een maximum van zes maanden. De officier van justitie heeft de rechtbank tevens verzocht deze maatregel dadelijk uitvoerbaar te verklaren.
6.2
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft de rechtbank verzocht bij de strafoplegging rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van niet langer dan de duur van het voorarrest op te leggen. Een voorwaardelijk deel acht de raadsman niet nodig gelet op de reeds opgelegde voorwaarden in de zaak met parketnummer 15-382909-24 waarvan de proeftijd slechts twee dagen heeft gelopen.
6.3
Oordeel van de rechtbank
Bij de beslissing over de sanctie die aan de verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.
De ernst van de feiten
De verdachte heeft in de nacht van 21 april 2025 brand gesticht in de woning van aangeefster. De verdachte en de aangeefster hebben kort daaraan voorafgaand diezelfde nacht een fikse ruzie gehad, waarna aangeefster en haar twee kinderen zijn vertrokken. Op het moment van de brandstichting waren zij niet meer aanwezig in de woning. De verdachte heeft een foto gemaakt van een fleecedeken op de bank die in brand staat en naar aangeefster gestuurd.
Brandstichting is een zeer gevaarlijk feit omdat het tot een oncontroleerbaar gevaarlijke situatie kan leiden die snel uit de hand kan lopen. Gelet op de voorafgaande ruzie en de foto met daarop een brandende fleecedeken op de bank, die de verdachte tijdens de brandstichting naar aangeefster heeft gestuurd, was dit duidelijk een gerichte actie om aangeefster te treffen. De verdachte heeft de brandstichting in nota bene haar woning gepleegd. Het zien van een dergelijke foto moet veel angst en onmacht teweeg hebben gebracht bij aangeefster. De gevolgen van de brand zijn beperkt gebleven tot de woning van aangeefster en gelukkig niet overgeslagen naar de woning van de buren, maar de woning van aangeefster is wel volledig onbewoonbaar geworden en door de brand is veel schade aangericht aan haar eigendommen. Een feit als dit roept gevoelens van angst en onveiligheid op bij zowel aangeefster als de bewoners rondom de woning van aangeefster en heeft maatschappelijke onrust tot gevolg. Daarnaast heeft de verdachte geen openheid van zaken gegeven en blijft hij de opzettelijke brandstichting ontkennen.
De persoon van de verdachte
Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank gelet op het strafblad van de verdachte van 30 december 2025, waaruit blijkt dat hij eerder onherroepelijk is veroordeeld voor strafbare feiten, maar niet eerder voor brandstichting.
Verder heeft de rechtbank acht geslagen op het reclasseringsrapport van 17 juli 2025. Hieruit volgt dat de verdachte voorafgaand aan zijn detentie beschikte over een zekere mate van stabiliteit op sociaal-maatschappelijk vlak. Maar ook dat sprake is van een patroon van geweldsdelicten waar de brandstichting eveneens in past. Het middelengebruik van de verdachte lijkt een ontremmende werking te hebben op zijn gedrag, naast zijn gebrekkige probleemoplossende vaardigheden. De reclassering schat het risico op recidive in als hoog en adviseert om bij een voorwaardelijk strafdeel meerdere bijzondere voorwaarden op te leggen. Ten slotte heeft de rechtbank rekening gehouden met het feit dat de verdachte ten tijde van het bewezen verklaarde feit twee dagen in de proeftijd liep van een voorwaardelijke veroordeling voor een aantal geweldsfeiten.
De op te leggen sanctie
Gezien de ernst van het feit kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd.
Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf van dertig maanden passend.
De rechtbank zal echter bepalen dat een gedeelte daarvan, namelijk tien maanden, vooralsnog niet ten uitvoer zal worden gelegd en zal daaraan een proeftijd verbinden van twee jaren, om de verdachte ervan te weerhouden zich voor het einde van die proeftijd opnieuw een strafbaar feit te plegen. Daarnaast acht de rechtbank het noodzakelijk dat aan het voorwaardelijk strafdeel de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden worden verbonden. Daaraan wordt door de rechtbank toegevoegd de bijzondere voorwaarde dat de verdachte op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zoekt of heeft met [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum 2] 1993 te [geboorteplaats 2], zolang de reclassering dit gedurende de proeftijd noodzakelijk acht, tenzij de reclassering toestemming geeft voor het contact in verband met hun gezamenlijke dochter [voornaam 6] of met de woning van de verdachte, waar de aangeefster op dit moment verblijft.
Op grond van artikel 14e Sr kan de rechtbank bevelen dat de gestelde voorwaarden dadelijk uitvoerbaar zijn. Hiervoor moet de rechtbank beoordelen of er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de veroordeelde
wederomeen misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. De rechtbank acht niet bewezen dat door de brandstichting levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten was. Dat maakt dat het bewezen verklaarde feit geen misdrijf is dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Naar het oordeel van de rechtbank is er daarom ook geen sprake van een situatie waarin er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de veroordeelde wederom een dergelijk misdrijf zal begaan.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van Pro het Wetboek van Strafvordering.

7.Vordering benadeelde partijen en schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [slachtoffer] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 26.419,12 ingediend tegen de verdachte wegens materiële en immateriële schade die zij als gevolg van het ten laste gelegde feit zou hebben geleden. De gestelde schade bestaat uit € 16.919,12 materiële schade, € 3.500,00 immateriële schade ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer] en € 6.000,00 immateriële schade ten behoeve van haar minderjarige kinderen.
7.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering ten aanzien van de gestelde materiële schade toegewezen moet worden. Daarnaast heeft de officier van justitie verzocht om de immateriële schadevergoeding voor de benadeelde partij [slachtoffer] te matigen tot een bedrag van € 2.500,00 en het overige af te wijzen. De vordering immateriële schade ten aanzien van haar minderjarige kinderen kan volgens de officier van justitie geheel worden toegewezen. De officier van justitie heeft gevorderd dat de toegewezen vorderingen worden vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
7.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft de rechtbank verzocht de hoogte van de materiële vordering te matigen, omdat een aantal posten niet rechtstreeks voortvloeien uit het bewezen verklaarde feit, wegens onvoldoende onderbouwing waaruit de waarde van bepaalde goederen blijkt en dat de benadeelde partij de goederen deels zelf heeft aangeschaft. Daarnaast heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de immateriële vordering voor zowel de benadeelde partij [slachtoffer] als haar minderjarige kinderen moet worden gematigd, gelet op de voorgestelde schadevergoedingen in de zogenoemde
Rotterdamse schaal.
7.3
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat de materiële schade rechtstreeks voortvloeit uit het bewezen verklaarde feit. Daarbij gaat de rechtbank uit van de schadebedragen zoals vastgesteld door de schade-expert van de verzekeraar van de benadeelde partij. De rechtbank gaat ervan uit dat de goederen aan de benadeelde partij toebehoorden, omdat deze op het moment van de brand in haar woning stonden. De verdachte heeft weliswaar gesteld, maar niet onderbouwd aannemelijk gemaakt dat (een deel van) de inboedel aan hem toebehoorde. Bovendien ligt het voor de hand dat de benadeelde partij vervangingskosten heeft moeten maken, zodat niet doorslaggevend is in hoeverre de benadeelde partij de verloren gegane goederen uit eigen middelen heeft aangeschaft of niet. De rechtbank is verder van oordeel dat de verdediging onvoldoende heeft onderbouwd dat de omgevallen spullen al beschadigd waren voorafgaande aan de brandstichting. De enkele omstandigheid dat enkele goederen - door toedoen van de verdachte - al voor de brand waren omgevallen, maakt niet dat deze goederen reeds daardoor onherstelbaar waren beschadigd. De brand wordt door de rechtbank daarom als schadeveroorzakende oorzaak beschouwd. De vordering materiële schade zal dan ook volledig worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 21 april 2025 tot aan de dag der algehele voldoening.
Tevens komt de rechtbank vergoeding van de immateriële schade voor de benadeelde partij [slachtoffer] tot een bedrag van € 2.000,00 billijk voor gelet op de onderbouwing van de vordering en het verhandelde ter terechtzitting. De benadeelde partij was ten tijde van de brandstichting niet aanwezig in de woning, maar haar hele woning is volledig onbewoonbaar geworden. De benadeelde partij heeft een bericht van een psychiater overlegd waaruit voldoende blijkt dat, als gevolg van de brand, de frequentie en intensiteit van de behandelingen is toegenomen. In zoverre zal de vordering dan ook worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 21 april 2025 tot aan de dag der algehele voldoening.
Daarnaast moet de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.
De rechtbank is van oordeel dat de benadeelde partij [slachtoffer] niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vordering ten aanzien van de gestelde immateriële schade bij haar kinderen, omdat onvoldoende is onderbouwd dat de gevolgen van de brandstichting voor de kinderen psychische schade tot gevolg hebben gehad. De door de bij de kinderen betrokkenen genoemde wijzigingen in hun gedrag, is daarvoor onvoldoende specifiek.
Schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank ziet als gevolg van verdachtes bewezen verklaarde handelen [kort gezegd: opzettelijke brandstichting met gemeen gevaar voor goederen] aanleiding ter zake van de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f Sr op te leggen.

8.Vordering tot tenuitvoerlegging

Bij vonnis van 4 april 2025 in de zaak met parketnummer 15-382909-24 heeft de rechtbank Noord-Holland de verdachte ter zake meerdere geweldsfeiten veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes maanden. De vastgestelde proeftijd is ingegaan op 19 april 2025. De officier van justitie heeft de rechtbank gevorderd over te gaan tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde straf.
De raadsman heeft afwijzing van de vordering bepleit. Subsidiair heeft de raadsman de rechtbank verzocht de proeftijd van de voorwaardelijk opgelegde straf met één jaar te verlengen.
De rechtbank is van oordeel dat de vordering moet worden toegewezen, omdat uit de overige inhoud van dit vonnis blijkt dat de verdachte de (algemene) voorwaarde dat hij zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit, niet heeft nageleefd.

9.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:
artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 157 van het Wetboek van Strafrecht.

10.Beslissing

De rechtbank:
Verklaart bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven.
Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.
Bepaalt dat het bewezen verklaarde feit het hierboven onder 4. vermelde strafbare feit oplevert.
Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van
30 maanden.
Beveelt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot
10 maanden nietten uitvoer zal worden gelegd en stelt daarbij een proeftijd vast van twee jaren.
Stelt als algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.
Stelt als bijzondere voorwaarden dat:
de veroordeelde zich meldt bij GGZ Reclassering Fivoor te Haarlem. De veroordeelde blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De veroordeelde moet zich houden aan de aanwijzingen die de reclassering hem geeft, voor zover deze niet reeds zijn opgenomen in een andere bijzondere voorwaarde.
de veroordeelde zich laat behandelen door GGZ Noord-Holland Noord of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling.
de veroordeelde verblijft indien nodig bij een instelling voor beschermd wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Het verblijf duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De veroordeelde houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering voor hem heeft opgesteld.
e veroordeelde geen drugs gebruikt en meewerkt aan controle op dit verbod. De controle gebeurt met urineonderzoek. De reclassering bepaalt hoe vaak de veroordeelde wordt gecontroleerd.
de veroordeelde geen alcohol gebruikt, en meewerkt aan urineonderzoek en ademonderzoek (blaastest) om dit alcoholverbod te controleren. De reclassering bepaalt met welke controlemiddelen en hoe vaak de veroordeelde wordt gecontroleerd.
de verdachte op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zoekt of heeft met [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum 2] 1993 te [geboorteplaats 2], zolang de reclassering dit gedurende de proeftijd noodzakelijk acht, tenzij de reclassering toestemming geeft voor het contact in verband met hun gezamenlijke dochter [voornaam 6] of met de woning van de verdachte, waar de aangeefster om dit moment verblijft.
Geeft aan voornoemde reclasseringsinstelling de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, Sr toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, Sr, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zo lang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen.
Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Ten aanzien van de vordering benadeelde partij [slachtoffer]
Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij geleden schade tot een bedrag van
€ 18.919,12bestaande uit € 16.919,12 als vergoeding voor de materiële en € 2.000,00 als vergoeding voor de immateriële schade, en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 21 april 2025 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [slachtoffer] , voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.
Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.
Schadevergoedingsmaatregel
Legt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [slachtoffer] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van
€ 18.919,12, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 119 dagen gijzeling en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 21 april 2025 tot aan de dag der algehele voldoening. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.
Vordering tot tenuitvoerlegging
Wijst toe de vordering van de officier van justitie tot tenuitvoerlegging in de zaak met parketnummer 15-382909-24 en gelast de tenuitvoerlegging van de niet ten uitvoer gelegde gevangenisstraf voor de duur van zes maanden, opgelegd bij vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 4 april 2025.
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door
mr. G.D. Kleijne, voorzitter,
mr. A.K. Korteweg en mr. K.I.E. Lammers, rechters,
in tegenwoordigheid van de griffier mr. W.S. Speelman,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 10 februari 2026.