ECLI:NL:RBNHO:2026:1301

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
12 februari 2026
Publicatiedatum
12 februari 2026
Zaaknummer
HAA 24/6599
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4.1 WhtArt. 4.3 WhtArt. 8:29 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek overname schulden kinderopvangtoeslagaffaire wegens niet-opeisbaarheid vóór 1 juni 2021

Eiseres, gedupeerde van de kinderopvangtoeslagaffaire, verzocht om overname van private schulden door Sociale Banken Nederland (SBN) op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). Verweerder wees dit verzoek af omdat niet aannemelijk was dat de schulden vóór 1 juni 2021 opeisbaar waren, een vereiste volgens artikel 4.1 en 4.3 van de Wht.

Eiseres stelde dat zij aan haar informatieplicht had voldaan door diverse stukken, waaronder bankafschriften en kredietovereenkomsten, te overleggen. De rechtbank oordeelde echter dat uit deze stukken niet bleek dat er sprake was van betalingsachterstanden of opeisbare termijnen vóór de genoemde datum. Ondanks moeilijke financiële omstandigheden werden de maandelijkse termijnen volgens de stukken netjes voldaan.

De rechtbank concludeerde dat de schulden niet voldeden aan de wettelijke voorwaarden voor overname en dat het beroep daarom ongegrond moest worden verklaard. De vraag of de schulden al dan niet voldaan waren op het moment van aanvraag werd niet meer behandeld. Er werd geen proceskostenvergoeding toegekend.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard omdat niet is aangetoond dat de schulden vóór 1 juni 2021 opeisbaar waren.

Uitspraak

Rechtbank noord-holland

Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 24/6599

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 februari 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , wonende te [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. M. Stam),
en

de Minister van Financiën, verweerder.

Procesverloop

Sociale Banken Nederland (SBN) heeft op 24 april 2024 een definitieve beschikking voor het terugbetalen van al betaalde schulden gegeven.
Eiseres heeft daartegen bezwaar gemaakt.
Verweerder heeft bij beslissing op bezwaar het bezwaar ongegrond verklaard en de beschikking gehandhaafd.
Eiseres heeft daartegen beroep bij de rechtbank ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift en op de zaak betrekking hebbende stukken bij de rechtbank ingediend, waarin passages onleesbaar zijn gemaakt.
Verweerder heeft voor een aantal door hem in beroep overgelegde stukken een verzoek om beperkte kennisneming in de zin van artikel 8:29 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) gedaan. Dit verzoek is door de geheimhoudingskamer van de rechtbank beoordeeld. Voor het procesverloop wordt in zoverre verwezen naar de beslissing van de geheimhoudingskamer van 3 oktober 2025. In die beslissing is bepaald dat de door verweerder gevraagde beperking van de kennisneming gerechtvaardigd is.
Eiseres is in de gelegenheid gesteld om de rechtbank binnen twee weken na de beslissing te berichten of zij er in toestemt dat de rechtbank uitspraak doet mede op grondslag van de ongeschoonde versie van de productie. Eiseres heeft hier niet op gereageerd. De rechtbank doet uitspraak zonder inachtneming van de voor eiseres geheim blijvende passages.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 januari 2026 te Haarlem. Eiseres is samen met haar echtgenoot verschenen en bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [naam] .

Overwegingen

Feiten
1. Eiseres is aangemerkt als gedupeerde van de kinderopvangtoeslagaffaire en heeft van de Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen in totaal een bedrag van € 125.253 aan compensatie ontvangen omdat bij de beoordeling van de kinderopvangtoeslag fouten zijn gemaakt door de Dienst Toeslagen.
2. Door eiseres is op 27 december 2023 bij: SBN een schuldenlijst ingediend en is verzocht om terugbetaling van de daarin vermelde schulden, te weten:
  • een schuld aan [schuldeiser 1] van € 30.000 (hierna: schuld 1);
  • een schuld aan [schuldeiser 2] van € 2.566,31 (hierna: schuld 2);
  • een schuld aan [schuldeiser 3] van € 2.764,99 (hierna: schuld 3).
3. Bij brief van 19 maart 2024, door eiseres ontvangen op 24 maart 2024, heeft verweerder aan eiseres meer informatie gevraagd over de schulden. Eiseres heeft hierop niet gereageerd.
4. Bij beschikking van 24 april 2024 (het primaire besluit) heeft SBN beslist dat de schulden niet kunnen worden terugbetaald. De terugbetaling van de schulden is afgewezen onder vermelding van code 13, met de volgende uitleg: “Dit bedrag betalen wij niet terug omdat wij de schuld niet goed kunnen beoordelen. Wij hebben u om extra bewijs gevraagd maar dat hebt u niet (op tijd of compleet) aangeleverd.”
5. Bij het bezwaarschrift van 23 mei 2024 en op 1 juli 2024 heeft verweerder van eiseres aanvullende stukken (waaronder rekeningoverzichten) ontvangen.
Geschil
6. In geschil is of verweerder het verzoek van eiseres om terugbetaling van de hiervoor genoemde schulden terecht heeft afgewezen.
7. Eiseres neemt het standpunt in dat de schulden aan haar moeten worden terugbetaald. Eiseres is van mening dat zij wel degelijk aan haar informatieplicht heeft voldaan, omdat zij meerdere keren bescheiden ter zake van de schulden heeft overgelegd. Het bestreden besluit is volgens eiseres genomen in strijd met de wet c.q. enig algemeen beginsel van behoorlijk bestuur.
Eiseres concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, tot vernietiging van de beslissing op bezwaar en tot wijziging van de beschikking waarbij wordt beslist dat de schulden worden overgenomen. Verder verzoekt eiseres om een proceskostenvergoeding.
8. Verweerder neemt het standpunt in dat het beroep ongegrond moet worden verklaard en heeft daartoe aangevoerd dat de schulden niet kunnen worden terugbetaald omdat zij niet voldoen aan de voorwaarden die daaraan worden gesteld in de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht).
9. Voor de volledige weergave van de standpunten van partijen en de onderbouwing daarvan, verwijst de rechtbank naar de gedingstukken.
Beoordeling van het geschil
Juridisch kader
10. Op grond van het Besluit betalen private schulden (Stcrt. 2021, 44723), dat gold vanaf 29 oktober 2021, kon de Dienst Toeslagen private schulden van gedupeerde ouders overnemen of betalen. Het Besluit is per 2 november 2022 verankerd in de Wht, dat alle eerdere regelingen van de hersteloperatie vervangt. SBN voert de regeling namens de Dienst Toeslagen uit.
11. Hoofdstuk 4 van de Wht regelt onder welke voorwaarden gedupeerden van de Toeslagenaffaire in aanmerking komen voor het overnemen en betalen van private schulden. Voor deze uitspraak zijn de artikelen 4.1 en 4.3 van de Wht van belang.
12. Een geldschuld wordt op grond van artikel 4.1, tweede lid, van de Wht door de Minister overgenomen als deze:
  • is ontstaan na 31 december 2005 (sub a);
  • vóór 1 juni 2021 opeisbaar is geworden (sub b), én
  • niet is voldaan op het moment dat de aanvraag wordt gedaan (sub c).
13. Op grond van artikel 4.3 van de Wht komt een reeds afgeloste private schuld in aanmerking voor compensatie, als die schuld is afgelost na ontvangst van een bedrag op grond van een herstelmaatregel en de schuld op grond van artikel 4.1 van de Wht zou zijn overgenomen als deze niet voldaan was.
14. De rechtbank beoordeelt of verweerder terecht heeft geweigerd de aangemelde schulden van eiseres over te nemen, dan wel te compenseren. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.
15. In geschil is of de schulden vóór 1 juni 2021 opeisbaar waren in de zin van artikel 4.1, tweede lid, onder b, van de Wht. De rechtbank overweegt dat de bewijslast dat de schulden vóór 1 juni 2021 opeisbaar waren op eiseres rust. Dat betekent dat eiseres voor elke aangemelde schuld aannemelijk moet maken dat er is voldaan aan de voorwaarden voor opeisbaarheid zoals die tussen de kredietverstrekker en kredietafnemer contractueel zijn vastgelegd.
16. Eiseres stelt dat aan alle voorwaarden voor overname van de schulden is voldaan en verwijst daarbij naar de door haar overgelegde bankafschriften, schuldenoverzichten en kredietovereenkomsten. De rechtbank begrijpt hieruit dat volgens eiseres sprake was van schulden die vóór 1 juni 2021 opeisbaar zijn geworden. Verweerder betwist dat.
17. De rechtbank overweegt dat uit de door eiseres overgelegde stukken weliswaar volgt dat eiseres en haar echtgenoot vóór 1 juni 2021 schulden hadden, maar uit die stukken kan niet worden afgeleid dat er sprake is geweest van betalingsachterstanden en ook niet dat er achterstallige termijnen opeisbaar zijn geweest. Integendeel, uit die stukken volgt juist dat eiseres en haar echtgenoot, ondanks de moeilijke financiële omstandigheden waarin zij zich bevonden, de maandelijkse termijnbedragen op de kredieten netjes aflosten. Dat eiseres en haar echtgenoot aanvullende leningen zijn aangegaan om de termijnbedragen te kunnen voldoen, zoals zij ter zitting hebben gesteld, maakt niet dat er daardoor wel sprake is van schulden die vóór 1 juni 2021 opeisbaar waren.
18. De rechtbank is van oordeel dat de schulden niet voldoen aan de gestelde eisen van artikel 4.1 en artikel 4.3. van de Wht, omdat niet aannemelijk is geworden dat de schulden vóór 1 juni 2021 opeisbaar waren. De rechtbank is daarom van oordeel dat verweerder het verzoek van eiseres tot overname van de schulden terecht heeft afgewezen.
19. Nu niet aannemelijk is geworden dat is voldaan aan de voorwaarde dat de schulden vóór 1 juni 2021 opeisbaar waren, behoeft de vraag of de schulden al dan niet voldaan waren op het tijdstip van de aanvraag geen behandeling meer.
Conclusie
20. Gelet op het voorgaande wordt het beroep ongegrond verklaard. Dit betekent dat eiseres geen gelijk krijgt.
Proceskosten
21. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Snitker, rechter, in aanwezigheid van mr. I. Kroesemeijer, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 12 februari 2026.
griffier rechter
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift per post verzonden op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.