Uitspraak
RECHTBANK Noord-Holland
1.De procedure
2.Het verzoek en het verweer
3.De beoordeling
4.De beslissing
mr. M. Bouwen, en in het openbaar uitgesproken op 8 januari 2026.
Rechtbank Noord-Holland
In deze zaak verzoekt een gepensioneerde, hierna te noemen verzoeker, de rechtbank om Stichting Pensioenfonds ABP (hierna: ABP) te bevelen persoonsgegevens te verstrekken. Verzoeker beroept zich op het inzagerecht van de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG). De rechtbank verklaart het verzoek niet-ontvankelijk, omdat verzoeker eerst ABP had moeten verzoeken om de gegevens te verstrekken op basis van de Uitvoeringswet Algemene verordening gegevensbescherming (UAVG), wat hij niet heeft gedaan. Hierdoor kan het verzoek niet inhoudelijk worden beoordeeld. Zelfs als het verzoek wel inhoudelijk zou zijn beoordeeld, zou het zijn afgewezen, omdat verzoeker geen persoonsgegevens van ABP wenst te verkrijgen, maar berekeningen van zijn huidige en toekomstige pensioen in het kader van de Wet toekomst pensioenen. De rechtbank oordeelt dat de AVG en de UAVG niet van toepassing zijn op verzoekers verzoek. Verzoeker wordt veroordeeld in de proceskosten van ABP, tot een bedrag van € 2.120,00, omdat hij ongelijk krijgt. De procedure begon met een verzoekschrift van verzoeker op 7 augustus 2025, gevolgd door een zitting op 27 november 2025. De rechtbank concludeert dat verzoeker geen recht heeft op de gevraagde informatie, omdat deze niet onder de AVG valt. De rechtbank benadrukt dat verzoeker zijn verzoek niet correct heeft ingediend, wat leidt tot de niet-ontvankelijkheid van zijn verzoek.