Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNHO:2026:1354

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
3 februari 2026
Publicatiedatum
16 februari 2026
Zaaknummer
C/15/373260 / JU RK 25-1859
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265b BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Machtiging tot uithuisplaatsing van minderjarige wegens onveilige thuissituatie

De gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Regio Amsterdam verzocht om een machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige, die onder toezicht is gesteld tot 10 september 2026. De machtiging was eerder verleend maar verviel omdat deze niet binnen drie maanden werd uitgevoerd.

De minderjarige woont bij haar moeder, met wie de relatie onder druk staat en recentelijk tot hevige escalaties leidde. De minderjarige vertoont forse persoonlijke problematiek, zit veel op haar kamer en heeft geen dagbesteding. De moeder erkent de noodzaak van plaatsing, ondanks de wens dat de minderjarige thuis blijft.

De kinderrechter voerde een zitting met gesloten deuren, waarbij de minderjarige haar mening gaf en de moeder en GI aanwezig waren. De kinderrechter concludeerde dat de machtiging noodzakelijk is voor de verzorging en opvoeding van de minderjarige, die baat heeft bij behandeling en dagbesteding in een gespecialiseerde accommodatie.

De machtiging wordt verleend met ingang van 3 februari 2026 tot 10 september 2026 en is direct uitvoerbaar, ook bij hoger beroep. De kinderrechter benadrukt de positieve ontwikkelingen zoals de start van paardentherapie en de intentie om naar school te gaan.

Uitkomst: De kinderrechter verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige in een jeugdhulpaccommodatie tot 10 september 2026, direct uitvoerbaar.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Haarlem
Zaaknummer: C/15/373260 / JU RK 25-1859
Datum uitspraak: 3 februari 2026
Beschikking van de kinderrechter over een machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Regio Amsterdamte Amsterdam,
hierna te noemen: de GI,
over
[de minderjarige], geboren op [geboortedatum] in [plaats] ( [land] ),
hierna te noemen: [de minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat mr. C.J. Avis uit Hoofddorp,
[de stiefvader],
hierna te noemen: de stiefvader,
wonende in [plaats] .

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt het verzoekschrift, met bijlagen, ontvangen op 24 december 2025, mee in de beoordeling.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 3 februari 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder met haar advocaat;
- de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI] .
1.3.
De stiefvader is, zonder afmeldbericht, niet verschenen.
1.4.
De kinderrechter heeft [de minderjarige] naar haar mening gevraagd. [de minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [de minderjarige] heeft verteld.

2.De feiten

2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] . De vader van [de minderjarige] is op [datum] overleden.
2.2.
[de minderjarige] woont bij de moeder.
2.3.
Bij beschikking van de kinderrechter van 10 september 2025 is [de minderjarige] onder toezicht gesteld tot 10 september 2026. Ook is een machtiging verleend om [de minderjarige] uit huis te plaatsen in een 24 uurs instelling tot 10 september 2026. Deze machtiging is vervallen, nu de machtiging na drie maanden niet ten uitvoer is gelegd.

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlenen voor de duur van de ondertoezichtstelling (te weten tot 10 september 2026) en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De GI heeft het verzoek mondeling en schriftelijk als volgt toegelicht. De machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] is nog steeds nodig op basis van de gronden zoals genoemd onder “het verzoek” bij beschikking van 10 september 2025. De onveiligheid is nog niet weggenomen. [de minderjarige] zit bijna de hele dag op haar kamer en heeft geen dagbesteding. Zij zegt de hulpverlening vaak af of is niet bereikbaar. De relatie tussen [de minderjarige] en de moeder staat erg onder druk en is kwetsbaar. Zo vond er in december 2025 opnieuw een heftige escalatie tussen hen plaats. Doordat zij samenwonen komen zij niet toe aan hun individuele verwerking en aan herstel van hun relatie. In de afgelopen periode heeft de GI veel aanmeldingen gedaan voor een driemilieuvoorziening en andere plekken voor [de minderjarige] . [de minderjarige] was uiteindelijk gemotiveerd voor [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] , waar ook een plek voor haar is. Het is gelukt om de daarvoor vereiste behandeling te starten. [de minderjarige] kan in januari 2026 ook starten bij een zorgboerderij en/of speciaal onderwijs. Zij kan dan beginnen met haar individuele traject richting herstel en zelfstandigheid en later herstel voor het gezin. Het is positief dat zij inmiddels open staat voor paardentherapie en stappen heeft gezet. [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] is voor nu de meest passende plek voor [de minderjarige] , al moet de GI de mogelijkheid hebben om haar te kunnen overplaatsen naar een andere residentiële woonvoorziening. Het is altijd het doel om terug te werken naar een thuisplaatsing.

4.Het standpunt van de moeder

4.1.
De moeder en haar advocaat hebben aangegeven dat de moeder het eens is met het verzoek. Hoewel de moeder en [de minderjarige] het liefst willen dat [de minderjarige] bij de moeder woont, zien zij dat de plaatsing van [de minderjarige] bij [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] nodig is. Vooral voor de kerstvakantie ging het niet goed thuis. [de minderjarige] heeft veel last van haar emoties en het is voor de moeder lastig om daarmee om te gaan. Het is positief dat [de minderjarige] nu gestart is met paardentherapie. Ook wil zij graag weer naar school.

5.De mening van [de minderjarige]

5.1.
vindt de plaatsing bij [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] “oké”, maar het liefst wil zij bij de moeder wonen. Sinds de kerstvakantie gaat het beter thuis.

6.De beoordeling

6.1.
Op basis van de stukken en de zitting is de kinderrechter van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding. [1] Bij [de minderjarige] is sprake van forse persoonlijke problematiek en in de thuissituatie is er veel onrust tussen [de minderjarige] en de moeder. Tussen [de minderjarige] en de moeder vonden er tot voor kort heftige escalaties plaats. De moeder staat open voor advies van de hulpverlening, maar het lukt haar niet altijd om [de minderjarige] te bieden wat zij nodig heeft. Hoewel het thuis nu iets beter lijkt te gaan, is de situatie nog pril en kwetsbaar. [de minderjarige] moet eerst aan zichzelf werken en daarna kan er gewerkt worden aan het verstevigen van haar band met de moeder. Vanuit de thuissituatie lukt het onvoldoende om [de minderjarige] te laten starten met behandeling, dagbesteding en/of school, terwijl zij dat wel nodig heeft. Het is gebleken dat [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] [de minderjarige] daarbij kan helpen, zodat het in [de minderjarige] ’s belang is om daar te verblijven. Het is een positieve verandering dat [de minderjarige] is gestart met paardentherapie en graag wil starten bij de zorgboerderij en met school. De kinderrechter hoopt en verwacht dat deze positieve lijn wordt voortgezet.
6.2.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

7.De beslissing

De kinderrechter:
7.1.
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van
[de minderjarige]in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder, met ingang van 3 februari 2026 tot 10 september 2026;
7.2.
verklaart deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 3 februari 2026 door mr. J. Lintjer, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. F.G. van der Erve als griffier, en op schrift gesteld op 13 februari 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Amsterdam. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:265b, eerste lid, Burgerlijk Wetboek.