ECLI:NL:RBNHO:2026:1390

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
13 februari 2026
Publicatiedatum
16 februari 2026
Zaaknummer
C/15/340171 / FA RK 23-2424
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253c BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing gezamenlijk gezag en vaststelling omgangsregeling voor minderjarige

De rechtbank Noord-Holland heeft op 13 februari 2026 uitspraak gedaan in een zaak tussen de vader en moeder van een minderjarige over gezag, omgang en informatieregeling. De procedure omvatte meerdere schriftelijke stukken en een zitting waarbij ook de Raad voor de Kinderbescherming was vertegenwoordigd. De minderjarige sprak met de kinderrechter.

Uit de beoordeling blijkt dat de omgang tussen de vader en de minderjarige ontspannen verloopt en dat de ouders flexibel omgaan met de omgangsregeling. Er is overeenstemming bereikt over een reguliere omgangsregeling en een vakantieregeling, die de rechtbank als basisregeling vaststelt. De communicatie tussen de ouders is stroef, met name over het verkrijgen van informatie en het aanvragen van een paspoort voor de minderjarige.

De moeder voert aan dat zij het gezag alleen wil houden, maar de rechtbank oordeelt dat gezamenlijk gezag het uitgangspunt is en dat er geen onaanvaardbaar risico is dat het kind klem komt te zitten. De ouders zijn in staat om belangrijke beslissingen gezamenlijk te nemen en kunnen professionele hulp inschakelen. Het verzoek om een informatieregeling wordt afgewezen wegens gebrek aan belang, nu de vader met het gezag wordt belast en zelf informatie kan verkrijgen.

De rechtbank bepaalt dat de ouders gezamenlijk het gezag over de minderjarige krijgen en stelt een gedetailleerde omgangsregeling vast, inclusief vakanties en kerstdagen. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en kan binnen drie maanden worden aangevochten door hoger beroep.

Uitkomst: De rechtbank wijst het verzoek om gezamenlijk gezag toe en stelt een omgangsregeling vast voor de minderjarige.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Familie en Jeugd
locatie Haarlem
omgang, gezag en informatieregeling
zaak-/rekestnr.: C/15/340171 / FA RK 23-2424
Beschikking van de enkelvoudige kamer voor familiezaken van 13 februari 2026
in de zaak van:
[de vader],
wonende te [plaats] ,
hierna te noemen: de vader,
advocaat mr. M. van Zijtveld, kantoorhoudende te Haarlem,
tegen
[de moeder],
wonende te [plaats] ,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat mr. M.M.C. Wingen, kantoorhoudende te Heemstede,
--betreffende--
[de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] te [plaats] ,
hierna mede te noemen: [de minderjarige] .

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de tussenbeschikking van deze rechtbank van 11 april 2025 en de daarin genoemde stukken;
- de brief van de advocaat van de vader van 1 juli 2025;
- de brief van de advocaat van de moeder van 15 juli 2025;
- het F-formulier van de advocaat van de moeder van 1 augustus 2025;
- de brief van de advocaat van de vader van 13 augustus 2025;
- de brief, met bijlage, van de advocaat van de vader van 27 januari 2026.
1.2.
Partijen hebben op de zitting van 27 maart 2025 afgesproken om uitvoering te geven aan de volgende tijdelijke omgangsregeling, te bezien hoe dit verloopt en voor [de minderjarige] voelt:
- [de minderjarige] verblijft telkens het eerste weekend van de maand op zaterdag van 10.00 uur tot 16.00 uur bij de vader en vervolgens telkens het derde weekend van de maand van zaterdag 12.00 uur tot zondag 16.00 uur.
Alle beslissingen zijn aangehouden in afwachting van het verloop van deze tijdelijke omgangsregeling
1.3.
De behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op de zitting van 9 februari 2026 in aanwezigheid van partijen en hun advocaten.
Tevens was ter zitting als informant aanwezig [vertegenwoordiger van de raad] namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna te noemen: de Raad).
1.4.
[de minderjarige] heeft op 6 februari 2026 met de kinderrechter gesproken.

2.De verdere beoordeling

omgang
2.1.
Uit de stukken, het gesprek met [de minderjarige] en de verklaringen op de zitting komt het beeld naar voren dat de omgang tussen [de minderjarige] en de vader inmiddels op een ontspannen manier verloopt. De ouders sluiten aan bij het tempo en de wensen van [de minderjarige] en gaan op een flexibele manier met de omgangsregeling om. Bij de moeder gaat het goed en met de vader onderneemt [de minderjarige] leuke dingen. Hij is in het bijzonder enthousiast over het samen vissen. Ook zijn [de minderjarige] en de vader samen naar (Disneyland) Parijs en Spanje op vakantie geweest. De ouders hebben op de zitting dan ook overeenstemming bereikt over zowel de reguliere omgangsregeling als de vakantieregeling. De rechtbank zal deze regeling, zoals door partijen verzocht, opnemen in de beschikking als beslissing. Deze regeling zal gelden als basisregeling. Het staat de ouders vrij om in onderling overleg in afwijking van deze regeling andere afspraken te maken, waarbij de behoefte van [de minderjarige] leidend is.
2.2.
Op de zitting is verder nog besproken dat de vader met [de minderjarige] op vakantie naar Turkije wil. [de minderjarige] heeft hiervoor een nieuw paspoort nodig maar hier was tussen de ouders discussie over. Op de zitting heeft de vader toegezegd dat hij bereid is om het paspoort te betalen en te regelen. De moeder heeft toegezegd dat zij haar medewerking zal verlenen aan de aanvraag van een paspoort.
gezag en informatieregeling
2.3.
Op de zitting is besproken dat de communicatie tussen de ouders nog steeds stroef is. Zo was er, zoals hierboven omgeschreven, gedoe over de aanvraag van een paspoort voor [de minderjarige] en vindt de vader het lastig om informatie over [de minderjarige] te krijgen van de moeder. De moeder heeft het gevoel dat zij steeds begrip opbrengt voor de vader, maar dat de vader onvoldoende begrip heeft voor haar en dat alles op zijn manier moet. In de praktijk neemt de moeder beslissingen over [de minderjarige] , zoals schoolkeuze, nu alleen. De moeder geeft aan dat ze de vader over gezagsbeslissingen wil informeren, maar dat het niet nodig is dat hij gezamenlijk met haar het gezag over [de minderjarige] krijgt. De moeder vindt het goed zoals het nu is.
2.4.
De kinderrechter ziet evenwel geen contra-indicaties voor gezamenlijk gezag en overweegt daartoe als volgt. Gezamenlijk gezag is het uitgangspunt. Indien de moeder hier niet mee instemt, wordt het verzoek alleen afgewezen als een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare termijn voldoende verbetering zal komen of afwijzing anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is. [1] In dit geval zijn er communicatieproblemen tussen de ouders, maar niet is gebleken dat die problemen zodanig ernstig zijn dat de ouders geen zakelijk overleg over belangrijke zaken kunnen voeren. Integendeel, het is de ouders gelukt om afspraken over de omgang te maken, zich flexibel op te stellen en [de minderjarige] zo min mogelijk van de onderlinge spanningen mee te geven. Dat de communicatie tussen de ouders niet altijd even vlekkeloos is, is iets waar de ouders aan zullen moeten blijven werken. De kinderrechter is echter van oordeel dat deze ouders in staat moeten worden geacht gezamenlijk belangrijke beslissingen over [de minderjarige] te nemen als volwassen ouders. Indien gewenst, kunnen zij daar professionele hulp voor inschakelen om hen daarbij te ondersteunen. Het is in beginsel het recht van iedere ouder om een stem te hebben bij belangrijke beslissingen die over zijn of haar kind genomen moeten worden. Onvoldoende is gebleken dat sprake is van een reden waarom het verzoek van de vader zou moeten worden afgewezen als bedoeld in artikel 1:253c van het BW. Bij deze stand van zaken zal de kinderrechter de ouders gezamenlijk met het gezag over [de minderjarige] belasten.
2.5.
Het verzoek om een informatieregeling vast te stellen, zal worden afgewezen bij gebrek aan belang. De vader heeft ter zitting naar voren gebracht dat het verzoek om een wekelijkse informatieregeling gedateerd is omdat de omgangsregeling inmiddels op gang is gekomen. De vader zou nog wel een informatieregeling vastgelegd willen zien, omdat hij het soms lastig vindt om tijdig informatie van de moeder over [de minderjarige] te krijgen. Nu de vader mede met het gezag wordt belast zal hij zelf informatie van instanties zoals de school van [de minderjarige] kunnen krijgen, zodat het verzoek om een informatieregeling zal worden afgewezen. Ter overvloede overweegt de kinderrechter, zoals ook door de Raad ter zitting is benadrukt, dat [de minderjarige] niet verantwoordelijk is om de vader te informeren over belangrijke zaken die hem aangaan en dat de verantwoordelijkheid hiervoor bij de ouders ligt.

3.De beslissing

De rechtbank:
3.1.
bepaalt dat de ouders gezamenlijk met de uitoefening van het gezag worden belast over de minderjarige [de minderjarige] :
- [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] te [plaats] ,
3.2.
stelt de omgangsregeling als volgt vast:
[de minderjarige] verblijft bij de vader, volgens een vierwekelijks schema:
  • in het eerste weekend gedurende twee dagen met overnachting (van vrijdag tot zaterdag of van zaterdag tot zondag, in onderling overleg te bepalen);
  • in het derde weekend één dag of dagdeel (op zaterdag of op zondag, in onderling overleg te bepalen);
en gedurende de vakanties volgens het volgende schema:
  • de herfstvakantie in de even jaren bij de moeder, oneven jaren bij de vader;
  • de krokusvakantie in de even jaren bij de vader, oneven jaren bij de moeder;
  • de meivakantie in de even jaren de eerste week bij de vader en de tweede week bij de moeder, oneven jaren andersom;
  • de kerstvakantie in de even jaren de eerste week bij de vader en de tweede week bij de moeder, oneven jaren andersom;
  • kerstavond en eerste kerstdag in de even jaren bij de moeder, oneven jaren bij de vader;
  • de zomervakantie elk jaar twee weken bij de vader en vier weken bij de moeder, waarbij de moeder in de even jaren de weken mag kiezen en de vader in de oneven jaren;
3.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
3.4.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.K. Mireku, rechter, tevens kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. A.E.J. van Schie als griffier en in het openbaar uitgesproken op
13 februari 2026.
Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. De verzoekende partij en/of de zich verwerende partij dient het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen.

Voetnoten

1.Artikel 1:253c van het Burgerlijk Wetboek