ECLI:NL:RBNHO:2026:1393

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
5 februari 2026
Publicatiedatum
16 februari 2026
Zaaknummer
374258 / KG ZA 26/46
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 705 RvArt. 3:13 BWArt. 6:58 BWArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Opheffing conservatoir beslag op woning bij zakelijke borgtocht en herfinanciering

Eisers zijn gezamenlijk eigenaar van een woning waarop conservatoir beslag is gelegd door gedaagde wegens een borgtocht voor een zakelijke lening aan vennootschappen waarvan eiser 1 directeur-grootaandeelhouder is. Eisers vorderen opheffing van het beslag wegens ondeugdelijkheid van de vordering, misbruik van recht en onvolledige betekening.

De rechtbank oordeelt dat het beslag niet nietig is ondanks het ontbreken van een pagina in het proces-verbaal, omdat eiser 1 niet benadeeld is. De borgtocht is zakelijk en niet vernietigbaar wegens consumentenbescherming of dwaling. Schuldeisersverzuim is niet aannemelijk omdat gedaagde gerechtvaardigd om nadere onderbouwing van herfinanciering vraagt.

De vordering van gedaagde is reëel en het beslag niet vexatoir. De woning heeft een overwaarde en de belangenafweging leidt tot het oordeel dat het beslag mag blijven rusten. De rechtbank stelt voorwaarden voor herfinanciering waarbij het beslag blijft bestaan, maar de nieuwe financier een eerste hypotheekrecht krijgt. De kosten worden gecompenseerd en het meer of anders gevorderde wordt afgewezen.

Uitkomst: Het conservatoir beslag op de woning blijft rusten onder voorwaarden voor herfinanciering met behoud van het eerste hypotheekrecht van de nieuwe financier.

Uitspraak

RECHTBANK Noord-Holland

Civiel recht
Zittingsplaats Haarlem
Zaaknummer: C/15/374258 / KG ZA 26-46
Vonnis in kort geding van 5 februari 2026
in de zaak van

1.[eiser 1],2. [eiser 2],

wonende te [plaats 1],
eisende partijen,
hierna te noemen: [eisers] (gezamenlijk) en afzonderlijk [eiser 1] en [eiser 2],
advocaat: mr. D.W. Giltay Veth,
tegen
[gedaagde],
te [plaats 2],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde],
advocaat: mr. A. Bijnevelt.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met 11 producties van [eisers]
- de producties 1 t/m 10 van [gedaagde]
- de akte wijziging/vermeerdering eis en overlegging producties 12 t/m 16 van [eisers]
- de akte aanvulling grondslag eis en overlegging productie 17
- de mondelinge behandeling van 4 februari 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. Op de mondelinge behandeling is beslist dat de nog door [eisers] ingediende productie 19 is toegelaten. De door [eisers] ingediende producties 18, 20 en 21 zijn niet toegelaten.
-de pleitnota van [eisers]
- de pleitnota van [gedaagde]
.
1.2.
Partijen hebben op de mondelinge behandeling gevraagd de zaak aan te houden tot 5 februari 2026 12:00 uur. De voorzieningenrechter heeft meegedeeld in geval partijen vonnis vragen op 6 februari 2026 uitspraak te doen. Op 5 februari 2026 hebben [eisers] om vonnis gevraagd.
1.3.
Uitspraak is bij vervroeging bepaald op heden.
2. De feiten
2.1.
[eisers] zijn ieder voor de onverdeelde helft eigenaar van de woning gelegen [adres] ([postcode]) [plaats 1] (hierna: de woning). Juridisch gezien gaat het om drie appartementsrechten. De woning is op 17 december 2024 getaxeerd op een waarde van € 580.000,00.
2.2.
[eiser 1] en [eiser 2] wonen in de woning samen met de dochter van [eiser 2].
2.3.
[eisers] hebben voor de aankoop van de woning op 6 maart 2025 een hypothecaire geldlening afgesloten bij Eendracht Vastgoed B.V., Polder Invest B.V. en de heer [betrokkene] (hierna: Eendracht Vastgoed c.s.). Op die dag is eveneens de hypotheekakte gepasseerd. Deze lening heeft een looptijd tot 6 februari 2026.
2.4.
[bedrijf 1] N.V. (hierna: [bedrijf 1]) is een bemiddelaar die via haar online platform vraag en aanbod van kapitaal bij elkaar brengt met als beoogd resultaat het tot stand brengen van leningsovereenkomsten tussen geldnemers en (meerdere) anonieme investeerders. [bedrijf 1] handelt in hoedanigheid van gevolmachtigde van die investeerders en vertegenwoordigt de investeerders bij de afwikkeling van de financieringen.
2.5.
[gedaagde] treedt als zekerhedenagent op ten behoeve van zichzelf en ten behoeve van investeerders, [bedrijf 1] en de Stichting [bedrijf 1] in het kader van het beheer en de uitwinning van zekerheden in het kader van leningsovereenkomsten uit hoofde van zekerheidsdocumenten.
2.6.
Door tussenkomst van [bedrijf 1] is een geldlening tot stand gekomen tussen investeerders en [bedrijf 2] B.V. (hierna: [bedrijf 2]) en [bedrijf 3] B.V. (hierna: [bedrijf 3]).
2.7.
Op grond van die overeenkomst is een bedrag verstrekt van € 2.900.000,00 aan deze vennootschappen. [gedaagde], [bedrijf 1] en de Stichting [bedrijf 1] zijn ook partij bij deze overeenkomst.
2.8.
[eiser 1] is (on)middellijk directeur-grootaandeelhouder van [bedrijf 2] en [bedrijf 3].
2.9.
De lening is verstrekt in verband met het verwerven van (de aandelen in) [bedrijf 3]. [bedrijf 3] is eigenaar van een nog te herontwikkelen pand in Rotterdam, een voormalig schoolgebouw.
2.10.
[bedrijf 2] en [bedrijf 3] zijn in verband met de geldlening ook een zogeheten parallelle schuld met [gedaagde] aangegaan. Die schuld correspondeert met de schuld aan de investeerders en eventuele schulden aan [bedrijf 1] en Stichting [bedrijf 1].
2.11.
Ten gunste van onder meer [gedaagde] heeft [eiser 1] op 23 augustus 2024 zich persoonlijk borg gesteld voor € 1.000.000,00 ter zekerheid voor de terugbetaling van de vordering van onder meer [gedaagde] (uit hoofde van de parallelle schuld) vanwege de verstrekte geldlening aan [bedrijf 2] en [bedrijf 3].
2.12.
[bedrijf 3] en [bedrijf 2] zijn sinds juni 2025 in gebreke gebleven met het voldoen aan hun financiële verplichtingen uit hoofde van de geldlening.
2.13.
Bij brief van 12 augustus 2025 heeft [bedrijf 4] B.V. aan [bedrijf 2] een bod gedaan van € 2.200.000,00 op het voormalige schoolgebouw te Rotterdam.
2.14.
[gedaagde] heeft de geldlening op 28 augustus 2025 opgezegd en een bedrag opgeëist van € 3.229.816,53 p.m., te betalen binnen vijf werkdagen. Zij handelde daarbij voor de investeerders, [bedrijf 1] en Stichting [bedrijf 1].
2.15.
[gedaagde] heeft [eiser 1] bij brief van dezelfde datum meegedeeld de lening te hebben opgezegd en opgeëist.
2.16.
[bedrijf 3] en [bedrijf 2] hebben niet betaald.
2.17.
Bij brief van 11 november 2025 heeft [gedaagde] [eiser 1] in zijn hoedanigheid van borg aangesproken op zijn verplichtingen uit hoofde van de borgtocht en verzocht om binnen vijf werkdagen € 1.000.000,00 te voldoen.
2.18.
Op 12 november 2025 heeft [eiser 1] in een e-mail aan [gedaagde] de rechtsgeldigheid van de borgtocht betwist en deze, voor zover dat rechtens is vereist, vernietigd. [eiser 1] heeft daarvoor meerdere gronden aangevoerd.
2.19.
Op 2 januari 2026 heeft [eiser 1], namens [bedrijf 3], aan [gedaagde] geschreven dat [bedrijf 3] de door [gedaagde] op 28 augustus 2025 opgeëiste lening integraal zal aflossen per of omstreeks 27 februari 2026. In de e-mail staat onder meer:
De aflossing zal door [bedrijf 3] B.V. zelf plaatsvinden en zal uitsluitend omvatten:
 de openstaande hoofdsom;
 de contractuele rente tot en met augustus 2025,
 de administratie- en beheervergoedingen tot en met augustus 2025;
 de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW Pro, verschuldigd vanaf 1 september 2025 tot en met de datum van volledige aflossing;
 eventuele daadwerkelijk gemaakte en contractueel toelaatbare externe kosten, voor zover gespecificeerd.
De wettelijke rente zal niet tussentijds worden voldaan, maar volledig worden meegenomen in de eindafrekening bij integrale aflossing.
Wij verzoeken u ons tijdig voorafgaand aan de aflossingsdatum een correcte, volledige en gespecificeerde aflosnota te verstrekken die met het bovenstaande in overeenstemming is.
De betaling zal plaatsvinden onder uitdrukkelijk voorbehoud van alle rechten en aanspraken, zonder erkenning van betwiste posten, en uitsluitend tegen gelijktijdige en onvoorwaardelijke medewerking aan royement van de hypotheek. Betaling en royement zullen gelijktijdig plaatsvinden via de behandelend notaris.
2.20.
Op 7 januari 2026 heeft [gedaagde] hierop (onder meer) als volgt gereageerd:
U geeft aan dat [bedrijf 3] B.V. op of omstreeks 27 februari 2026 de aan [bedrijf 2] B.V. en [bedrijf 3] B.V. verstrekte lening bekend onder nummer 49323 welke op 28 augustus jl. is opgezegd en opgeëist integraal af zal lossen. Alvorens wij toe komen aan het opstellen van een gepaste aflosnota ontvangen wij graag eerst een door u getekende offerte voor acceptatie van een lening bij een andere marktpartij dan wel een aantoning van aanwezige beschikbare middelen om deze lening per genoemde datum af te kunnen lossen. Na ontvangst van deze stukken zullen wij verder inhoudelijk reageren op uw e-mail en de door u gestelde voorwaarden.
2.21.
Op 8 januari 2026 heeft [bedrijf 3] zich jegens [gedaagde] op het standpunt gesteld dat sprake is van schuldeisersverzuim met de volgende motivering:
Voor een correcte en tijdige afwikkeling is het verstrekken van een volledige en juiste
aflosnota noodzakelijk. Het stellen van aanvullende voorwaarden aan het verstrekken
daarvan, waaronder het vooraf overleggen van een financieringsovereenkomst, -offerte
of bewijs van beschikbare middelen, ontbeert iedere wettelijke en contractuele
grondslag en kan de afwikkeling van de lening niet opschorten. [bedrijf 1] vervult
geen rol als (her)financier en beschikt evenmin over enige bevoegdheid om inzage te
verlangen in vertrouwelijke financieringsdocumentatie met derden.
Nu u tot op heden nalaat een aflosnota te verstrekken en aflossing afhankelijk stelt van
niet-contractuele voorwaarden, is sprake van het weigeren dan wel belemmeren van
nakoming. Daarmee is vanaf 7 januari 2026 sprake van schuldeisersverzuim in de zin
van artikel 6:58 BW Pro. Eventuele gevolgen van het uitblijven van betaling kunnen vanaf dat
moment niet aan [bedrijf 3] B.V. worden toegerekend.
2.22.
Op 6 oktober 2025 is ten laste van het onverdeelde aandeel in de woning van [eiser 1] een executoriaal beslag ingeschreven op de woning betreffende een vordering van de kerkelijke instelling te dienste van de Salesianen van Don Bosco te Soest (hierna: Don Bosco). [eiser 1] en Don Bosco hebben onder opschortende voorwaarde een schikking getroffen die inhoudt dat [eiser 1] € 32.500,00 aan Don Bosco zal betalen.
2.23.
[gedaagde] heeft op 6 januari 2026 conservatoir beslag gelegd op, onder meer, de onverdeelde helft van [eiser 1] in de woning voor een begrote vordering van € 1.230.000,00 uit hoofde van borgtocht. [eiser 1] is gedagvaard tegen de rolzitting van 11 februari 2026.
2.24.
Eendracht Vastgoed c.s. hebben wegens betalingsachterstanden [eisers] executie van de woning aangezegd voor de executieveiling van 12 februari 2026.
2.25.
Bij vonnis van 29 januari 2026, hersteld op 30 januari 2026, is Eendracht Vastgoed c.s. door de voorzieningenrechter van deze rechtbank verboden om de woning bij wijze van parate executie te doen veilen. Dit verbod geldt niet als Eendracht Vastgoed c.s. binnen 48 uur na betekening van het vonnis een aanzegging tot executie verstrekt van maximaal de hoofdsom van € 375.000,00, de aflosfee van € 3.750,00 en de nog verschuldigde rentebetalingen, met een maximum van € 400.000,00, bij executie alleen te vermeerderen met de gebruikelijke executiekosten. Daarbij is Eendracht Vastgoed c.s. bevolen om aan [eisers] een aflosnota te bezorgen binnen 24 uur na betekening van dat vonnis, met inachtneming van bovenvermelde bedragen. Op 30 januari 2026 hebben Eendracht Vastgoed c.s. ter nakoming van deze veroordeling een daaraan beantwoordende aflosnota verstrekt.

3.Het geschil

3.1.
[eisers] vorderen na vermeerdering van eis  samengevat  dat de voorzieningenrechter, bij vonnis, zo mogelijk bij mondeling vonnis, uitvoerbaar bij voorraad en zo mogelijk uitvoerbaar op alle dagen en uren:
I.
primair:
a. het door [gedaagde] gelegde conservatoir beslag op de onverdeelde helft van [eiser 1] in de woning opheft,
subsidiair: voor het geval de voorzieningenrechter niet zelf tot opheffing overgaat:
[gedaagde] veroordeelt om binnen 24 uur na dit vonnis, dan wel binnen 24 uur na betekening van dit vonnis, het gelegde conservatoir beslag op te heffen en opgeheven te houden,
bepaalt dat [gedaagde] bij niet-nakoming van voornoemde veroordeling een dwangsom verbeurt van € 250.000,00 per dag, althans per gedeelte daarvan, met een maximum van € 1.500.000,00,
II.
[gedaagde] verbiedt om uit hoofde van de beschikking van 24 december 2025 opnieuw conservatoir beslag op de woning te doen leggen,
bepaalt dat [gedaagde] bij niet-nakoming van voornoemde veroordeling een dwangsom verbeurt van € 250.000,00 per dag, althans per gedeelte daarvan, met een maximum van € 1.500.000,00,
III.
te bepalen dat het [eisers] is toegestaan een niet geanonimiseerde versie van de herfinancieringsakte van eisers (ingebracht bij huidige producties), uitsluitend ter kennisname van de voorzieningenrechter te overleggen, gezien de vertrouwelijkheid van dit document ten opzichte van [gedaagde];
met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van dit geding.
3.2.
[eisers] leggen  samengevat  aan de vordering ten grondslag dat sprake is van primair een summierlijk ondeugdelijke vordering dan wel subsidiair van vexatoir beslag, zo niet ten tijde van de beslaglegging dan wel na het vonnis van de voorzieningenrechter van 29 januari 2026. Meer subsidiair stellen [eisers] dat het beslag van rechtswege is vervallen, omdat de overbetekening van het proces-verbaal van beslaglegging op 8 januari 2026 onvolledig is geweest. Nog meer subsidiair stellen zij dat sprake is van misbruik van recht ex 3:13 BW. Ten aanzien van [eiser 2] is de grondslag onrechtmatige daad.
3.3.
[gedaagde] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eisers], met veroordeling van [eisers] in de proceskosten.
3.4.
[gedaagde] voert – verkort weergegeven – daarvoor het volgende aan. [gedaagde] heeft op grond van de geldlening een zelfstandig vorderingsrecht op [bedrijf 3] en [bedrijf 2] en op grond van de borgtocht daarnaast op [eiser 1]. Van schuldeisersverzuim van [gedaagde] is geen sprake. Het gaat om een zakelijke borgtocht. [eiser 1] heeft daarbij afstand gedaan van zijn rechten en verweermiddelen die hij als borg heeft in relatie tot [gedaagde] dan wel de [bedrijf 3] en [bedrijf 2]. [eiser 1] is vooraf uitvoerig geïnformeerd over de inhoud van de borgtocht. Van dwaling kan geen sprake zijn. [gedaagde] heeft wel degelijk een financieel belang bij handhaving van het gelegde beslag. [gedaagde] heeft goede gronden om te verwachten dat de woning meer zal opbrengen dan de hoogte van de vordering van de eerste hypotheekhouder. Het merendeel van de restopbrengst zal niet aan Don Bosco maar (grotendeels) aan [gedaagde] toekomen. Van misbruik van recht is geen sprake. Het opleggen van dwangsommen is niet nodig. [gedaagde] zal zich aan een uitspraak van de voorzieningenrechter conformeren. Eventueel op te leggen dwangsommen moeten in ieder geval worden gematigd. [gedaagde] heeft bij het verkregen verlof tot het leggen van beslag geen toestemming gekregen dat beslag meermaals te leggen. [eisers] hebben dus geen belang bij het gevorderde verbod.
3.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

Toetsingskader
4.1.
De opheffing van een conservatoir beslag kan onder meer worden bevolen, indien op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen zijn verzuimd, summierlijk blijkt van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht of van het onnodige van het beslag, of, als het beslag is gelegd voor een geldvordering, indien voor deze vordering voldoende zekerheid is gesteld.
4.2.
Volgens artikel 705 lid 2 Rv Pro moet het beslag worden opgeheven indien summierlijk van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht blijkt. Dit brengt mee dat het in de eerste plaats op de weg ligt van degene die de opheffing vordert om met inachtneming van de beperkingen van de voorzieningenprocedure aannemelijk te maken dat de door de beslaglegger gepretendeerde vordering ondeugdelijk of onnodig is (HR 14 juni 1996, NJ 1997/481). Er zal beslist moeten worden aan de hand van wat door beide partijen naar voren is gebracht en summierlijk met bewijsmateriaal is onderbouwd. Die beoordeling kan niet geschieden los van de in een zodanig geval vereiste afweging van de wederzijdse belangen. Daarbij moet worden beoordeeld of het belang van de beslaglegger bij handhaving van het beslag op grond van de door deze naar voren gebrachte omstandigheden zwaarder moet wegen dan het belang van de beslagene bij opheffing van het beslag. Hierbij geldt dat een conservatoir beslag naar zijn aard ertoe strekt om te waarborgen dat, zo een vooralsnog niet vaststaande vordering in de bodemprocedure wordt toegewezen, verhaal mogelijk zal zijn, terwijl de beslaglegger bij afwijzing van de vordering zal kunnen worden aangesproken voor de door het beslag ontstane schade.
4.3.
De vraag of het leggen van een conservatoir beslag als misbruik van recht en daarom als onrechtmatig moet worden aangemerkt, moet in beginsel worden beantwoord aan de hand van de concrete omstandigheden ten tijde van de beslaglegging, waaronder de hoogte van de te verhalen vordering, de waarde van de beslagen goederen en de eventueel onevenredig zware wijze waarop de schuldenaar door het beslag op (een van) die goederen in zijn belangen wordt getroffen.
De betekening van het beslag: [eiser 1] is niet benadeeld
4.4.
De meest verstrekkende stelling van [eisers] is dat is dat het beslag al op 8 januari 2026 is komen te vervallen omdat bij de betekening van het proces-verbaal van de beslaglegging van 5 januari 2026 de eerste pagina van dat proces-verbaal ontbreekt. [gedaagde] wijst er onder meer op dat een door een deurwaarder betekend stuk en verklaring in het exploot dwingend bewijs opleveren en dat daarom moet worden aangenomen dat het volledige proces-verbaal van beslaglegging is betekend.
4.5.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat ook al zou de eerste bladzijde van het proces-verbaal van de beslaglegging niet zijn betekend dat niet afdoet aan de geldigheid van het beslag. [eiser 1] is daardoor namelijk niet benadeeld. [eiser 1] wist op 8 januari 2026 dat [gedaagde] hem als borg had aangesproken vanwege het niet terugbetalen van de geldlening door [bedrijf 3] en [bedrijf 2]. Hij kon uit de stukken die volgens hem wel zijn betekend duidelijk opmaken dat onder meer beslag was gelegd op zijn onverdeelde aandeel in de woning. Conclusie is dat dit betoog faalt.
De vordering van [gedaagde] is niet ondeugdelijk
4.6.
[eiser 1] voert meerdere argumenten aan waarom [gedaagde] geen vordering op hem zou hebben. De voorzieningenrechter zal die hierna beoordelen.
Er is sprake van een zakelijke borgtocht
4.6.1.
Volgens [eiser 1] is hij de borgtocht aangegaan buiten beroep of bedrijf, is hij door [gedaagde] bij het sluiten van de overeenkomst onvoldoende voorgelicht en komt hem consumentenbescherming toe op grond waarvan hij borgtocht buitengerechtelijk heeft vernietigd. Dit argument slaagt niet. [eiser 1] is de borgtocht aangegaan voor zakelijke doeleinden. Dat blijkt duidelijk uit de documentatie rondom het aangaan van die borgtocht. [eiser 1] heeft zich persoonlijk borg gesteld voor een zakelijke lening aan twee van zijn vennootschappen, [bedrijf 2] en [bedrijf 3]. De akte waarin de borgtocht is vastgelegd is getiteld ‘Zakelijke Borgtocht’. [eiser 1] verklaart daarin onder meer “
dat de borgtocht door de Borg is aangegaan handelend in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf en/of in de normale uitoefening van het bedrijf van Geldnemer, bijvoorbeeld omdat de Borg bestuurder en/of aandeelhouder is van Geldnemer, en daarmee kwalificeert als een zakelijke borgtocht.” Er is in dat licht onvoldoende grond om aan te nemen dat [eiser 1] bij het aangaan van de borgtocht buiten beroep of bedrijf heeft gehandeld. Hij kan dan ook geen beroep doen op eventuele wettelijke bescherming die consumenten genieten.
Dwaling is niet aannemelijk
4.6.2.
Evenmin is aannemelijk dat [eiser 1] heeft gedwaald toen hij zich borg stelde. [gedaagde] heeft voldoende aannemelijk gemaakt aan de hand van de door haar verstrekte stukken dat [gedaagde] vooraf is geïnformeerd over de werking en omvang van de borgtocht. Volgens [eiser 1] had hij zich niet borg gesteld als hij had geweten van de wijze waarop [gedaagde] later te werk zou gaan. Volgens [eiser 1] stuurt [gedaagde] er bewust op aan dat het onroerend goed te Rotterdam door een partij uit haar eigen netwerk wordt gekocht tegen een prijs van de omvang van de lening minus € 1.000.000,00, precies het bedrag waarvoor [eiser 1] zich borg heeft gesteld (exclusief bijkomende kosten). [eiser 1] wijst op het bod dat in augustus 2025 aan [bedrijf 2] is gedaan. Dit zou zijn positie tegenover [bedrijf 2] en [bedrijf 3] ernstig verzwakken.
4.6.3.
Deze argumenten overtuigen niet. [eiser 1] is hoe dan ook niet verplicht dit bod namens [bedrijf 2] te accepteren. [eiser 1] stelt ook met de herfinanciering van het vastgoed bezig te zijn en verwacht dat die rond komt. [eiser 1] kan er dan voor zorgen dat de lening aan [bedrijf 2] en [bedrijf 3] wordt terugbetaald. [eiser 1] kan het ook op een executieveiling laten aankomen in de hoop op een betere opbrengst. In het geval de voorzieningenrechter wordt gevraagd toestemming te verlenen voor een onderhandse verkoop kan [eiser 1] in die procedure opkomen. Verder ziet de voorzieningenrechter niet in welk belang [gedaagde] bij de door [eiser 1] gestelde werkwijze zou hebben. Ook [gedaagde] heeft in de eerste plaats baat bij een zo hoog mogelijke opbrengst van een eventuele verkoop van het onroerend goed. Van nadeel is geen sprake.
Van dwaling kan dan ook geen sprake zijn, temeer niet nu de ingeroepen feitelijkheden zijn te kwalificeren als toekomstige omstandigheden.
Schuldeisersverzuim is niet aan de orde
4.6.4.
[eiser 1] stelt dat [gedaagde] en de partijen voor wie zij optreedt in schuldeisersverzuim verkeren door niet direct toen [eiser 1] daar namens [bedrijf 3] om vroeg een aflosnota op te stellen, maar in plaats daarvan meer informatie te willen over de gestelde herfinanciering per eind februari 2026. Met [gedaagde] is de voorzieningenrechter voorshands van oordeel dat [gedaagde] daarom mocht vragen. In het verzoek om een aflosnota stelde [eiser 1] namens [bedrijf 3] extra voorwaarden waaraan [gedaagde] niet hoefde te voldoen. [eiser 1] heeft niet weersproken dat de lening aan [bedrijf 3] en [bedrijf 2] inmiddels geheel opeisbaar was. [gedaagde] hoeft in beginsel dus niet te wachten tot eind februari 2026. [gedaagde] heeft toegelicht met [eiser 1] (en [bedrijf 3] en [bedrijf 2]) te willen meedenken, maar wel meer te willen weten over door [eiser 1] gestelde herfinanciering. Daarnaast heeft [eiser 1] ook niet weersproken dat hij zoals door [gedaagde] gesteld afstand heeft gedaan van zijn recht zich te bedienen van verweren die [bedrijf 3] en [bedrijf 2] tegen [gedaagde] zouden kunnen inroepen.
Kortom, het beroep op schuldeisersverzuim slaagt evenmin.
4.7.
Conclusie is dat niet summierlijk van de ondeugdelijkheid van de vordering van [gedaagde] is gebleken.
Het gelegde beslag is niet vexatoir
4.8.
Kern van het betoog van [eisers] is dat in ieder geval na het vonnis van de voorzieningenrechter van 29 januari 2026 het beslag onnodig is en geen redelijk doel meer dient en dat daarom moet worden aangenomen dat [gedaagde] het beslag enkel heeft gelegd om [eiser 1] c.s,, kort gezegd, dwars te zitten.
4.9.
[gedaagde] heeft naar het oordeel van de voorzieningenrechter voldoende aannemelijk gemaakt dat de opbrengst van een verkoop van de woning dusdanig hoog zal zijn dat de eerste hypotheekhouder, Eendracht Vastgoed c.s., daaruit volledig kan worden voldaan en dat daarna nog een substantieel bedrag overblijft dat pondspondsgewijs zal moet worden verdeeld tussen haar en Don Bosco. De woning is immers eind december 2024 voor een bedrag van € 580.000,00 getaxeerd en er is geen reden aan te nemen dat de woning in waarde is gedaald. Eendracht Vastgoed c.s. kunnen zich op de opbrengst verhalen voor een bedrag van € 395.000,00 plus bijkomende kosten. Dat er dan nog een aanzienlijk bedrag zal overblijven voor [gedaagde] en Don Bosco is, anders dan [eisers] stellen, heel aannemelijk.
4.10.
De voorzieningenrechter ziet zonder nadere toelichting, die niet is gegeven, ook niet in waarom [gedaagde] er belang bij zou hebben de herfinanciering van de woning dwars te zitten door beslag te leggen als dat beslag niet tot verhaal zou kunnen leiden. [gedaagde] heeft tijdens de mondelinge behandeling toegelicht dat zij zeker bereid is mee te denken hoe de woning kan worden geherfinancierd, bijvoorbeeld door te dulden dat een nieuwe financier een recht van eerste hypotheek op de woning kan verkrijgen, maar dat zij er ook op moet toezien dat haar verhaalspositie daarbij niet verslechtert. Zij stelt dat de haar door [eisers] ter beschikking gestelde stukken onvoldoende aanleiding geven om te oordelen dat dit niet het geval zal zijn. Met name het verschil in de hoogte van inschrijving baart haar zorgen (ca. € 506.000,00 bij Eendracht Vastgoed c.s. en € 550.000,00 bij de nieuwe financier).
4.11.
Al met al ziet de voorzieningenrechter geen grond om het gelegde beslag als vexatoir of onnodig te kwalificeren. Daarmee komt het aan op een belangenafweging.
Is er sprake van een harde vordering?
4.12.
Allereerst bestaat onzekerheid over de vraag of de hypothecaire lening die is aangegaan ten behoeve van de herontwikkeling van het pand te Rotterdam conform het voornemen van [eiser 1] op 27 februari aanstaande zal worden afgelost. De voorzieningenrechter heeft [eiser 1] ter zitting voorgehouden dat een reëel en concreet perspectief op aflossing  en daarmee op het mogelijk ontbreken van de noodzaak om de rechten uit de borgtochtovereenkomst geldend te maken  van betekenis kan zijn voor de hier te maken belangenafweging. De voorzieningenrechter acht begrijpelijk en gerechtvaardigd dat [gedaagde] ter zake nadere onderbouwing verlangt. Die onderbouwing is, ook na uitdrukkelijke aansporing van de voorzieningenrechter, geheel uitgebleven.
De enkele mededeling van [eiser 1] dat hij ongeveer twee weken tekortkomt is geen onderbouwing.
Mede gelet op de omvang van die financiering, de tegenvallers bij de herontwikkeling van het pand en het inmiddels voorliggende bod van € 2.200.000, houdt de voorzieningenrechter er ernstig rekening mee niet alleen dat aflossing zal uitblijven, maar ook dat het pand onvoldoende verhaal zal bieden voor restitutie van de geldlening. Dit betekent, mede gelet op het hetgeen hiervoor over de daartegen ingebrachte verweren is overwogen dat de vordering uit hoofde van de borgtocht, die gemaximeerd is op € 1.000.000,00, voor een belangrijk deel daarvan, als een reële vordering moet worden beschouwd.
Dat gegeven is bij de belangenafweging niet zonder betekenis.
Bij die belangenafweging moet voorts in aanmerking worden genomen dat op de woning sprake is van een overwaarde van circa € 200.000,00 en een concurrente vordering van Don Bosco van circa € 40.000,00. Indien het beslag wordt opgeheven en vervolgens  anders dan nu verwacht  toch tot executie wordt overgegaan, kan [gedaagde] niet meedelen in de opbrengst. De mogelijkheid dat het ook na opheffing van het beslag tot executie komt, kan op dit moment dan ook niet worden uitgesloten. Als het beslag blijft liggen zou een belangrijk deel van de overwaarde aan [gedaagde] toekomen, hetzij uit hoofde van erkenning in zoverre van de vordering, hetzij na vaststelling daarvan in rechte.
Daar staat tegenover het belang van [eisers] om niet zonder noodzaak hun woning te verliezen. Dat belang weegt in beginsel zwaar, maar kan bij de geschetste stand van zaken op zichzelf niet doorslaggevend zijn. Daarvoor is de vordering te groot en de situatie te onzeker.
4.13.
De voorzieningenrechter ziet wel aanleiding om een na te melden voorziening te gelasten die binnen de grenzen van het mogelijke recht zou kunnen doen aan de wederzijdse belangen van partijen.
Proceskosten
4.14.
Gelet op de hiervoor bedoelde voorziening zal de voorzieningenrechter de kosten van de procedure tussen partijen compenseren in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter
5.1.
bepaalt dat het door [gedaagde] gelegde conservatoire beslag op de woning van [eisers] niet aan herfinanciering van die woning in de weg mag staan indien:
  • de ter zitting besproken financiering tot maximaal € 550.000,00 gebruiksklaar ligt,
  • voor het verschil tussen die maximale financieringslast en de last onder de bestaande financiering  welk verschil ter zitting is besproken en door partijen is begroot op € 45.000,00  aanvullende zekerheid wordt gesteld zolang dat nodig is om dit verhaalsverlies te compenseren,
5.2.
bepaalt dat als toereikende zekerheid in ieder geval worden aangemerkt:
  • een pandrecht op roerende zaken,
  • een recht van (derden)hypotheek, of
  • een bankgarantie verstrekt door een in Nederland gevestigde bank,
  • een combinatie van deze vormen,
5.3.
bepaalt dat, indien aan voornoemde voorwaarden is voldaan, de herfinanciering zal plaatsvinden op de volgende wijze:
  • royement van de bestaande hypotheek en gelijktijdige vestiging en inschrijving van een nieuwe eerste hypotheek tot een bedrag van maximaal € 550.000,00, althans het bedrag benodigd voor aflossing van de bestaande lening,
  • waarbij het door [gedaagde] gelegde conservatoir beslag op het aandeel in de woning na voormelde handelingen van kracht blijft en geacht wordt onafgebroken op het registergoed te hebben gerust, met behoud van zijn rang onmiddellijk na de nieuw te vestigen hypotheek;
  • Indien de notaris dit voor zijn medewerking als voorwaarde stelt dient [gedaagde] eraan mee te werken dat in een notariële akte  die in de openbare registers van het Kadaster wordt ingeschreven  wordt bepaald dat de nieuwe hypotheek ten aanzien van het liggende beslag een hogere rang heeft dan haar volgens het tijdstip van haar inschrijving toekomt.
5.4.
machtigt de behandelend notaris om na vaststelling dat aan de voormelde voorwaarden is voldaan, indien [gedaagde] niet tijdig meewerkt, dit vonnis in de plaats te stellen van de vereiste toestemming(en) of verklaring(en) van [gedaagde],
5.5.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.6.
compenseert de kosten,
5.7.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.H. Schotman en in het openbaar uitgesproken op 5 februari 2026.