Uitspraak
RECHTBANK Noord-Holland
1.[eiser 1],
2.
[eiser 2],
1.Het verzoek tot verbetering
nietbeantwoordt aan het dictum van een ander vonnis – gewezen in een procedure tussen [eisers] en Eenhoorn Vastgoed c.s. – waarnaar onder 2.25 is verwezen.
Rechtbank Noord-Holland
Op 6 februari 2026 verzochten eisers via hun advocaat om verbetering van het vonnis gewezen op 5 februari 2026 in een kort gedingprocedure. Volgens eisers bevatte het vonnis onder punt 2.25 een onjuiste weergave van een feit met betrekking tot een aflosnota opgesteld door Eenhoorn Vastgoed c.s., die volgens hen niet correct was weergegeven.
De voorzieningenrechter overwoog dat op grond van artikel 31 lid 1 Rv Pro een rechter te allen tijde een kennelijke rekenfout, schrijffout of andere kennelijke fout die zich voor eenvoudig herstel leent, kan verbeteren. Dit betreft duidelijke vergissingen die ook voor derden direct herkenbaar zijn.
De voorzieningenrechter oordeelde dat in het vonnis van 5 februari 2026 geen sprake was van een dergelijke kennelijke fout. De feiten waren in samenhang met de overige vastgestelde feiten, overwegingen en het dictum niet kennelijk onjuist. Tevens wees de rechter erop dat Eenhoorn Vastgoed c.s. geen rechten kan ontlenen aan een eventuele fout in de vaststelling onder 2.25, omdat het vonnis niet tussen eisers en Eenhoorn Vastgoed c.s. was gewezen, maar tussen eisers en gedaagde.
Daarom werd het verzoek tot verbetering van het vonnis afgewezen. Het vonnis werd uitgesproken door de voorzieningenrechter A.H. Schotman op 6 februari 2026.
Uitkomst: Het verzoek tot verbetering van het vonnis van 5 februari 2026 wordt afgewezen wegens ontbreken van een kennelijke fout.