Uitspraak
datum : 2 januari 2026
Rechtbank Noord-Holland
Betrokkene verzocht om opheffing van het mentorschap omdat hij het nut ervan niet inziet en ontevreden is over de mentor. Hij klaagde over het zonder overleg ontruimen van zijn woning en het regelen van een revalidatieplek in een verzorgingshuis, terwijl hij liever bij zijn ex-echtgenote of zelfstandig zou willen wonen.
De mentor betwistte de klachten en stelde dat het mentorschap noodzakelijk blijft vanwege de diagnose syndroom van Korsakov en de cognitieve beperkingen van betrokkene. De mentor benadrukte dat zelfstandig wonen of wonen bij de ex-echtgenote niet in het belang van betrokkene is, mede vanwege het gedrag van de ex-echtgenote dat het herstel belemmert.
De kantonrechter concludeerde dat betrokkene zijn zelfredzaamheid onvoldoende heeft onderbouwd en dat het mentorschap noodzakelijk blijft. De verbeterde zorg- en leefsituatie door de mentor werd meegewogen. Het verzoek tot opheffing van het mentorschap werd daarom afgewezen.
Uitkomst: Het verzoek tot opheffing van het mentorschap wordt afgewezen omdat het mentorschap nog noodzakelijk is en betrokkene onvoldoende zelfredzaam is.