ECLI:NL:RBNHO:2026:1444

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
17 februari 2026
Publicatiedatum
17 februari 2026
Zaaknummer
15/075164-25 en 15/123788-25 (ttz gev) en 15/095244-23 (vord tul) en 15/099515-23 (vord tul)
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 SrArt. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 22c Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor openlijke geweldpleging met balletjespistool, bedreiging en diefstal

De rechtbank Noord-Holland heeft op 17 februari 2026 uitspraak gedaan in een zaak tegen een verdachte geboren in 2006, die werd verdacht van openlijke geweldpleging door het schieten met een balletjespistool, bedreiging van een buschauffeur en diefstal van een elektrische fiets.

De feiten betroffen het gericht schieten vanuit een dakraam op voorbijgangers, waaronder twee slachtoffers die daadwerkelijk werden geraakt, het bedreigen van een buschauffeur met de dood en het wegnemen van een elektrische fiets met het oogmerk zich die wederrechtelijk toe te eigenen. De rechtbank achtte de bewezenverklaring van deze feiten wettig en overtuigend op basis van getuigenverklaringen en verklaringen van medeverdachten.

De verdachte had een strafblad met eerdere gewelds- en vermogensdelicten en woonde begeleid bij Exodus. De rechtbank legde een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van 60 dagen op met een proeftijd van twee jaar en een taakstraf van 100 uren, bij niet-nakoming te vervangen door 50 dagen hechtenis. Tevens werden schadevergoedingen toegekend aan de benadeelden, met bijbehorende schadevergoedingsmaatregelen.

De rechtbank wees ook de vorderingen van de officier van justitie tot tenuitvoerlegging van eerdere voorwaardelijke werkstraffen toe, omdat de verdachte zich niet aan de proeftijdvoorwaarden had gehouden. De straf en maatregelen zijn mede gebaseerd op de ernst van de feiten, het recidivegevaar en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 60 dagen geheel voorwaardelijke gevangenisstraf en 100 uur taakstraf voor openlijke geweldpleging, bedreiging en diefstal.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Team Straf, zittingsplaats Haarlem
Meervoudige strafkamer
Parketnummers: 15/075164-25 en 15/123788-25 (ttz gev) en 15/095244-23 (vord tul) en 15/099515-23 (vord tul) (P)
Uitspraakdatum: 17 februari 2026
Tegenspraak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 03 februari 2026 in de zaak tegen:
[naam verdachte],
geboren op [geboortedatum] 2006 te [geboorteplaats],
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:
[adres].
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie,
mr. I. Hermans, en van hetgeen de verdachte en zijn raadsman, mr. L.R. Rommy, advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht.

1.Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd wat in de dagvaardingen met de parketnummers 15/075164-25 en 15/123788-25 is omschreven. De rechtbank heeft de voeging bevolen van deze bij afzonderlijke dagvaardingen aangebrachte zaken en heeft de in deze dagvaardingen opgenomen feiten ten behoeve van de leesbaarheid van doorlopende nummers voorzien.
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
(Parketnummer 15/075164-25)
feit 1
hij, op of omstreeks 25 januari 2025 te Haarlem openlijk, te weten, Kennemerstraat, in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen
- één of meerdere personen, te weten [slachtoffer A] en/of diens partner, door met een balletjes pistool te schieten op die [slachtoffer A] en/of diens partner en/of
- een persoon, te weten [slachtoffer B], door met een balletjes pistool in de richting van die [slachtoffer B] te schieten;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij, op of omstreeks 25 januari 2025 te Haarlem, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, [slachtoffer A] en/of diens partner en/of [slachtoffer B] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, en/of met zware mishandeling, door met een balletjes pistool in de richting van die [slachtoffer A] en/of diens partner en/of [slachtoffer B] te schieten.
(Parketnummer 15/123788-25)
feit 2hij op of omstreeks 17 februari 2025 te Haarlem een (elektrische) fiets, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer C], in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
feit 3hij op of omstreeks 6 januari 2025 te Haarlem [slachtoffer D] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [slachtoffer D]
- dreigend de woorden toe te voegen "Stap uit, ik maak je af!", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking en/of
- (daarbij) die [slachtoffer D] bij zijn kraag vast te grijpen en/of
- (daarbij) een slaande beweging richting het hoofd en/of lichaam van die [slachtoffer D] te maken.

2.Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3.Beoordeling van het bewijs

3.1
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten.
3.2
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft vrijspraak bepleit ten aanzien van de onder 1 primair en subsidiair ten laste gelegde feiten en heeft zich ten aanzien van de feiten 2 en 3 gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Op de standpunten van de verdediging zal de rechtbank hierna, voor zover relevant, nader in gaan.
3.3
Oordeel van de rechtbank
3.3.1
Redengevende feiten en omstandigheden
De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de onder 1 primair, 2 en 3 ten laste gelegde feiten op grond van de bewijsmiddelen die in de bijlage bij dit vonnis zijn opgenomen.
3.3.3
Bewijsmotivering ten aanzien van feit 1 primair
De raadsman heeft naar voren gebracht dat uit het dossier niet valt op te maken wie van de vier in de woning aan de Kennemerstraat 21Rd aanwezige personen met een balletjespistool vanuit het dakraam heeft geschoten op mensen op straat. De verdachte heeft verklaard enkel in de lucht te hebben geschoten en niet in de richting van mensen op straat. Daarnaast kan het ten laste gelegde medeplegen niet worden bewezen, omdat als de verdachte niet zelf heeft geschoten, zijn bijdrage aan dat feit nihil geweest is, terwijl de enkele aanwezigheid en het zich niet distantiëren onvoldoende is voor het aannemen van medeplegen.
De rechtbank overweegt daarover het volgende.
Getuige [slachtoffer A] heeft verklaard dat zij een jongen uit een dakraam zag hangen die een groot pistool met twee handen vasthield en duidelijk op haar en haar vriend richtte en schoot. Getuige [slachtoffer B] heeft verklaard dat zij vanuit de woning aan de overzijde werd beschoten en dat zij één van de jongeren ‘sorry buurvrouw’ hoorde zeggen.
Medeverdachte [medeverdachte A] heeft verklaard dat de verdachte en de medeverdachte [medeverdachte B] zich in dezelfde kamer bevonden en dat er vanuit die kamer uit een raam werd geschoten. Hij zag dat de verdachte uit het raam hing, met de gelblaster naar buiten schoot en daarbij mensen raakte. Medeverdachte [medeverdachte B] heeft verklaard dat hij met de verdachte in diens kamer was met de gelblasters, dat zij beiden hebben geschoten en dat er fietsers zijn geraakt.
De rechtbank stelt op grond van het voorgaande vast dat de verdachte en medeverdachte [medeverdachte B] beiden met een balletjespistool vanuit het raam gericht hebben geschoten op voorbijgangers. Uit het dossier blijkt verder dat zij een buurvrouw, getuige [slachtoffer B], hebben beschoten en dat zij getuige [slachtoffer A] en haar partner hebben beschoten en ook daadwerkelijk hebben geraakt. De rechtbank is van oordeel dat voor een bewezenverklaring van de ten laste gelegde openlijke geweldpleging onder deze omstandigheden niet noodzakelijk is dat moet worden vastgesteld door wie van beide verdachten de getuigen zijn beschoten en geraakt. Voldoende is dat zij beiden, terwijl zij samen in de kamer van de verdachte waren, gericht hebben geschoten. De rechtbank acht het primair ten laste gelegde dan ook wettig en overtuigend bewezen.
3.4
Bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 primair, 2 en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat
feit 1 primair
hij, op 25 januari 2025 te Haarlem openlijk, op de openbare weg, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen
- [slachtoffer A] en haar partner, door met een balletjes pistool te schieten op die [slachtoffer A] en haar partner en
- [slachtoffer B], door met een balletjes pistool in de richting van die [slachtoffer B] te schieten;
feit 2hij op 17 februari 2025 te Haarlem een elektrische fiets, die aan [slachtoffer C] toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
feit 3hij op 6 januari 2025 te Haarlem [slachtoffer D] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door die [slachtoffer D]
- dreigend de woorden toe te voegen "Stap uit, ik maak je af!" en
- die [slachtoffer D] bij zijn kraag vast te grijpen en
- een slaande beweging richting het hoofd van die [slachtoffer D] te maken.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.
Hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4.Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten

Het bewezen verklaarde levert op:
Ten aanzien van feit 1 primair:
openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen;
Ten aanzien van feit 2:
diefstal;
Ten aanzien van feit 3:
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezen verklaarde zou ontbreken. Het bewezen verklaarde is daarom strafbaar.

5.Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is daarom strafbaar.

6.Motivering van de sanctie

6.1
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van een week, en tot een taakstraf voor de duur van 100 uren, bij het niet of niet naar behoren verrichten te vervangen door 50 dagen hechtenis.
6.2
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit om geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, omdat dan de kans groot is dat de verdachte zijn woonplek bij Exodus kwijtraakt.
6.3
Oordeel van de rechtbank
Bij de beslissing over de sancties die aan de verdachte moeten worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
Ernst van de feiten
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging door samen met een ander vanuit een dakraam met een zogenaamde gelblaster balletjes te schieten op voorbijgangers op straat. Daarbij werd volgens een getuige “Allahu Akbar” geschreeuwd en werd er gedreigd naar beneden te komen om te vechten. Dit heeft geleid tot gevoelens van angst en onveiligheid bij de getuige, zoals blijkt uit haar verklaring. Vanwege de dreiging die aanvankelijk uitging van de situatie, zijn er meerdere politie-eenheden ingezet om de verdachte en zijn medeverdachten aan te houden. Dit soort politieoptredens leidt tot gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving.
Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan bedreiging van een buschauffeur. Nadat de buschauffeur de verdachte had medegedeeld dat hij niet mocht meereizen omdat hij niet kon betalen, werd de verdachte boos en schold hij de buschauffeur uit. Hij pakte de kraag van de chauffeur vast en begon eraan te trekken. De chauffeur kon zichzelf lostrekken, maar de verdachte trok de glazen deur van het hokje van de buschauffeur open en maakte een slaande beweging naar de chauffeur. Daarbij zei de verdachte dreigend: “Stap uit! Ik maak je af!”. De buschauffeur heeft door het agressieve gedrag van de verdachte slaapproblemen gehad en tijdens zijn werkzaamheden lichamelijke spanningen en een voortdurend gevoel van onrust ervaren. Dit gevoel komt weer terug bij spanningen of conflicten met passagiers.
Verder heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan een diefstal van een zogenaamde fatbike. Diefstal van vervoersmiddelen is een ergerlijke vorm van criminaliteit die veel hinder en schade oplevert.
Persoon van de verdachte
Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het nadeel van de verdachte acht geslagen op zijn strafblad van 23 december 2025, waaruit blijkt dat de verdachte in de afgelopen vijf jaar meermalen is veroordeeld voor gewelds- en vermogensdelicten.
Verder heeft de rechtbank kennisgenomen van de voortgang van het schorsingstoezicht in de zaak met parketnummer 15/115822-25, zoals ter zitting toegelicht door reclasseringswerker [deskundige A]. De verdachte woont sinds 17 december 2025 begeleid bij Exodus in Alkmaar, waar hij betrokken is geweest bij een aantal incidenten en hij inmiddels een officiële waarschuwing heeft gekregen. Na deze waarschuwing hebben zich geen nieuwe incidenten voorgedaan. De reclassering maakt zich zorgen vanwege het gedrag van de verdachte en acht het recidivegevaar onverminderd hoog. De reclassering ziet nog wel mogelijkheden om hem te begeleiden binnen een reclasseringstoezicht.
De op te leggen straf
Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met alle hiervoor genoemde omstandigheden, met de straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd en met de
oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). De rechtbank acht op grond daarvan voor de bewezen verklaarde feiten het opleggen van een taakstraf passend en geboden.
Het taakstrafverbod ex artikel 22b lid 2 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) in geval van recidive is naar het oordeel van de rechtbank in deze zaak niet van toepassing. De op 30 januari 2025 opgelegde taakstraf was namelijk ten tijde van het plegen van de feiten nog niet uitgevoerd en in het verleden zijn enkel taakstraffen op grond van het jeugdstrafrecht aan de verdachte opgelegd. Het taakstrafverbod bij minderjarigen strekt zich slechts uit tot de in artikel 77ma Sr genoemde misdrijven. De wetgever heeft er uitdrukkelijk voor gekozen om het taakstrafverbod bij recidive niet van toepassing te verklaren op het jeugdstrafrecht. De wetgever heeft zich niet uitdrukkelijk uitgelaten over de vraag of het taakstrafverbod bij recidive ook geldt wanneer een eerdere veroordeling tot een taakstraf onder het jeugdstrafrecht is gegeven. Gelet hierop ziet de rechtbank in het verschil in karakter tussen het jeugd- en volwassenstrafrecht reden om een onder het jeugdstrafrecht opgelegde taakstraf niet in de weg te laten staan aan het opleggen van een taakstraf. Daarbij heeft de rechtbank ook rekening gehouden met de wens van de wetgever dat minderjarigen meer tijd (en dus kansen) moeten krijgen om van een straf te leren. Bij een dergelijke benadering past het niet om aan een taakstraf die een minderjarige opgelegd heeft gekregen, bij meerderjarigheid dezelfde nadelige consequenties te verbinden als een taakstraf waartoe een volwassene is veroordeeld.
De rechtbank acht daarbij wel een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf passend en nodig, zodat de verdachte gemotiveerd blijft zich te weerhouden van het plegen van nieuwe feiten. Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van 60 dagen moet worden opgelegd met een proeftijd van twee jaren, en daarnaast een taakstraf voor de duur van 100 uren, bij het niet of niet naar behoren verrichten te vervangen door 50 dagen hechtenis.

7.Vorderingen benadeelde partijen en schadevergoedingsmaatregel

7.1
Benadeelde partij [slachtoffer D]
De benadeelde partij [slachtoffer D] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 400,- ingediend tegen de verdachte wegens immateriële schade die hij als gevolg van het onder 3 ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag en met oplegging van de in artikel 36f Sr bedoelde schadevergoedingsmaatregel.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft toewijzing van de vordering verzocht.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet ontvankelijk moet worden verklaard, omdat niet voldoende met concrete gegevens is onderbouwd dat de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen.
Oordeel van de rechtbank
De door de benadeelde partij gestelde immateriële schade vloeit rechtstreeks voort uit het bewezen verklaarde feit. Op grond van artikel 6:106, aanhef en onder b van het Burgerlijk Wetboek (BW) bestaat recht op vergoeding van immateriële schade als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast. In deze zaak heeft de benadeelde partij lichamelijk letsel opgelopen, in de vorm van pijnklachten aan zijn nek. Deze klachten zijn ontstaan doordat de verdachte met kracht aan zijn kraag trok. Daarmee bestaat een wettelijke grondslag voor de vordering en mogen ook de andere niet als lichamelijk letsel te kwalificeren gevolgen worden meegewogen in de vaststelling van de omvang van de schade naar billijkheid.
Bij het bepalen van de hoogte van de immateriële schade neemt de rechtbank het volgende in aanmerking. De benadeelde partij heeft de dag na het incident niet kunnen werken, de dagen erna heeft hij slecht geslapen en last van nachtmerries gehad. Voor de nekklachten is hij onder behandeling geweest bij een fysiotherapeut. Sinds hij weer aan het werk is gegaan ervaart hij veel lichamelijke spanning en een voortdurend gevoel van onrust. Bij spanningen of conflicten met passagiers nemen de klachten opnieuw toe, waaronder slaapproblemen en nachtmerries. Daarnaast is de benadeelde partij bang om de verdachte opnieuw tegen te komen en is hij extra alert bij de bushalte waar het incident heeft plaatsgevonden.
Alles bij elkaar genomen, is de rechtbank van oordeel dat de gevorderde immateriële schadevergoeding van € 400,- billijk is. Zij zal de vordering daarom toewijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 6 januari 2025 tot aan de dag waarop het bedrag volledig is voldaan.
Daarnaast zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken. De tot op heden door de benadeelde partij gemaakte kosten worden vastgesteld op nihil.
schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank ziet als gevolg van verdachtes onder 3 bewezen verklaarde handelen [kort gezegd: bedreiging] aanleiding ter zake van de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f Sr op te leggen.
7.2
Benadeelde partij [slachtoffer C]
De benadeelde partij [slachtoffer C] heeft een vordering tot schadevergoeding van
€ 1.649,61 ingediend tegen de verdachte wegens materiële en immateriële schade die zij als gevolg van het onder 2 ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag en met oplegging van de in artikel 36f Sr bedoelde schadevergoedingsmaatregel.
De gestelde materiele schade bedraagt € 1.399,61 en bestaat uit de volgende posten:
  • post 1: kosten fatbike ad € 1.000,-;
  • post 2: tankkosten vervangend vervoer ad € 388,85;
  • post 3: printkosten formulieren ad € 6,55;
  • post 4: postzegels t.b.v. verzenden formulieren ad € 4,21.
De gestelde immateriële schade bedraagt € 250,-.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft toewijzing van de vordering verzocht voor wat betreft de materiele schade, waarbij de tankkosten vervangend vervoer door de rechtbank kunnen worden geschat. De officier van justitie heeft verzocht de benadeelde niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering van immateriële schadevergoeding.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich ten aanzien van de gevorderde vergoeding van tankkosten op het standpunt gesteld dat deze onduidelijk zijn en onvoldoende verband houden met het ten laste gelegde feit. Met betrekking tot de kosten van de fatbike heeft de raadsman aangevoerd dat een afschrijving in mindering moet worden gebracht omdat de fatbike meer dan een jaar was. De raadsman heeft zich ten aanzien van de gevorderde immateriële schadevergoeding op het standpunt gesteld dat hiervoor geen grondslag bestaat en dat dit gedeelte van de vordering moet worden afgewezen.
Oordeel van de rechtbank
Materiële schade
De rechtbank is van oordeel dat de nieuwwaarde van de fatbike (post 1) voor vergoeding in aanmerking komt. Deze schade is voldoende onderbouwd en vloeit rechtstreeks voort uit het onder 2 bewezen verklaarde feit. De rechtbank stelt op basis van de bij de vordering gevoegde factuur vast dat de fatbike op 5 juni 2024 is aangekocht. Omdat de fiets op 17 februari 2025 is gestolen, was deze nog geen jaar oud en zal de rechtbank geen afschrijving op deze kosten in mindering brengen. Ten aanzien van de post tankkosten vervangend vervoer (post 2) zal de rechtbank gebruikmaken van haar schattingsbevoegdheid en een bedrag van € 200,- toewijzen. De printkosten en kosten voor postzegels (posten 3 en 4) zijn voldoende aannemelijk gemaakt en komen voor vergoeding in aanmerking.
De rechtbank zal de vordering tot materiële schadevergoeding voor het overige afwijzen.
Immateriële schade
Naar aanleiding van de gevorderde immateriële schade overweegt de rechtbank het volgende.
Artikel 6:106 BW Pro geeft een limitatieve opsomming van gevallen waarin deze bepaling recht geeft op vergoeding van immateriële schade als gevolg van onrechtmatig handelen. In dit geval, omdat niet is gebleken dat de benadeelde partij fysiek letsel heeft opgelopen, zou het alleen kunnen gaan om ‘een aantasting in de persoon op andere wijze’. Van een dergelijke aantasting is in ieder geval sprake indien een benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat psychische schade is ontstaan. Daartoe is vereist dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld.
Ook als het bestaan van geestelijk letsel niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde meebrengen dat van de in artikel 6:106, aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’ sprake is. In een dergelijk geval zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen, dan wel moeten de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Hiervan is niet reeds sprake bij de enkele schending van een fundamenteel recht.
De rechtbank beseft dat een diefstal als in een zaak als deze, gevoelens van onveiligheid en angst tot gevolg kan hebben en dat slachtoffers hiervan geruime tijd last kunnen blijven houden. Hoewel deze gevoelens invoelbaar en voorstelbaar zijn, impliceren deze echter niet zonder meer ‘geestelijk letsel’ bij de benadeelde en zijn deze ook anderszins niet zonder meer aan te merken als een ‘aantasting in de persoon’ zoals bedoeld in artikel 6:106 BW Pro.
Naar het oordeel van de rechtbank kan het bestaan van (geestelijk) letsel bij de benadeelde partij niet naar objectieve maatstaven worden vastgesteld. De aantasting in de persoon is ook niet zodanig met concrete gegevens onderbouwd dat de aard en de ernst van de normschending en de gevolgen daarvan voor de benadeelden meebrengen dat van een dergelijke aantasting sprake is. Evenmin brengen de aard en de ernst van de normschending, mee dat de nadelige gevolgen daarvan zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon zonder meer kan worden aangenomen. De rechtbank wil hierbij benadrukken dat zij hiermee niet beoogt om de ervaringen van de benadeelde partij te bagatelliseren. Op dit moment zijn echter te weinig concrete gegevens bekend om aan de hiervoor genoemde juridische toets te voldoen.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de benadeelde partij in beginsel in de gelegenheid moeten worden gesteld om nader te onderbouwen dat zij als gevolg van het handelen van verdachte (geestelijk) letsel heeft opgelopen. Omdat dit echter zou betekenen dat de onderliggende strafzaak moet worden aangehouden en dit een onevenredige belasting van het strafproces oplevert, zal de rechtbank de vordering in zoverre niet-ontvankelijk verklaren. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

8.Vorderingen tot tenuitvoerlegging

8.1
Parketnummer 15/095244-23
Bij vonnis van 16 oktober 2023 in de zaak met parketnummer 15/095244-23 heeft de kinderrechter van deze rechtbank de verdachte ter zake van schuldheling, bedreiging en diefstal veroordeeld tot een voorwaardelijke werkstraf voor de duur van 80 uren. Ten aanzien van die voorwaardelijke straf is de proeftijd op twee jaren bepaald onder de algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit. De mededeling als bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) is op 2 november 2023 aan de verdachte toegezonden.
De bij genoemd vonnis vastgestelde proeftijd is ingegaan op 31 oktober 2023.
De officier van justitie vordert dat de rechtbank zal gelasten dat die voorwaardelijke straf alsnog ten uitvoer zal worden gelegd.
De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
De rechtbank heeft bij het onderzoek ter terechtzitting bevonden dat zij bevoegd is over de vordering te oordelen en dat de officier van justitie daarin ontvankelijk is.
De rechtbank is van oordeel dat de vordering moet worden toegewezen, omdat uit de overige inhoud van dit vonnis blijkt dat verdachte de voorwaarde dat hij zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit, niet heeft nageleefd.
8.2
Parketnummer 15/099515-23
Bij vonnis van 23 april 2024 in de zaak met parketnummer 15/099515-23 heeft de kinderrechter van deze rechtbank de verdachte ter zake van diefstal met geweld en belediging veroordeeld tot onder meer een voorwaardelijke werkstraf voor de duur van 40 uren. Ten aanzien van die voorwaardelijke straf is de proeftijd op twee jaren bepaald onder de algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit. De mededeling als bedoeld in artikel 366a Sv is op 14 mei 2024 aan de verdachte toegezonden.
De bij genoemd vonnis vastgestelde proeftijd is ingegaan op 8 mei 2024.
De officier van justitie vordert dat de rechtbank zal gelasten dat die voorwaardelijke straf alsnog ten uitvoer zal worden gelegd.
De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
De rechtbank heeft bij het onderzoek ter terechtzitting bevonden dat zij bevoegd is over de vordering te oordelen en dat de officier van justitie daarin ontvankelijk is.
De rechtbank is van oordeel dat de vordering moet worden toegewezen, omdat uit de overige inhoud van dit vonnis blijkt dat verdachte de voorwaarde dat hij zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit, niet heeft nageleefd door - onder andere - wederom een diefstal plegen.

9.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:
9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 57, 63, 141, 285, 310 van het Wetboek van Strafrecht.

10.Beslissing

De rechtbank:
Verklaart bewezen dat de verdachte de onder 1 primair, 2 en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven.
Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.
Bepaalt dat de bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren.
Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van
60 (zestig) dagen, met bevel dat deze straf
nietten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat verdachte voor het einde van de op twee jaren bepaalde proeftijd zich aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Veroordeelt de verdachte tot het verrichten van
100 (honderd) urentaakstraf die bestaat uit het verrichten van onbetaalde arbeid, bij het niet of niet naar behoren verrichten daarvan te vervangen door 50 (vijftig) dagen hechtenis.
Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij
[slachtoffer D]geleden schade tot een bedrag van
€ 400,-als vergoeding voor de immateriële schade, en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 6 januari 2025 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [slachtoffer D], voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.
Veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.
Legt verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer
[slachtoffer D]de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van
€ 400,-bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door
4 dagen gijzelingen bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 6 januari 2025 tot aan de dag der algehele voldoening. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.
Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij
[slachtoffer C]geleden schade tot een bedrag van
€ 1.210,76als vergoeding voor de materiële schade, en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 17 februari 2025 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [slachtoffer C], voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.
Veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.
Wijst af het meer of anders gevorderde.
Legt verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer
[slachtoffer C]de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van
€ 1.210,76, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door
12 dagen gijzelingen bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 17 februari 2025 tot aan de dag der algehele voldoening. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door
mr. G.D. Kleijne, voorzitter,
mr. M.S. Neervoort en mr. P.A. Hesselink, rechters,
in tegenwoordigheid van de griffier, mr L.P. van Os,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 17 februari 2026.
Bijlage