ECLI:NL:RBNHO:2026:1458

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
18 februari 2026
Publicatiedatum
17 februari 2026
Zaaknummer
C/15/363605 / HA ZA 25-169
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:203 BWArt. 6:205 BWArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing vordering curator wegens onverschuldigde betaling door failliete vennootschap

De curator van het faillissement van D&S Schoonmaak B.V. vordert terugbetaling van bedragen die de failliete vennootschap onverschuldigd heeft overgemaakt aan GBM Holding en GBM Services. De rechtbank stelt vast dat de curator voldoende heeft onderbouwd dat de betalingen onverschuldigd zijn gedaan, mede omdat GBM c.s. onvoldoende bewijs heeft geleverd van een rechtsgrond voor deze betalingen.

GBM c.s. betwisten de vordering en stellen dat er wel degelijk een rechtsverhouding bestond en dat schoonmaakwerkzaamheden zijn verricht. De rechtbank oordeelt echter dat de door GBM c.s. overgelegde facturen en specificaties niet betrouwbaar zijn, onder meer vanwege ontbrekende urenregistraties, onduidelijke factuurdata en inconsistenties in de bedragen.

De rechtbank neemt aan dat GBM c.s. de betalingen te kwader trouw hebben aangenomen, omdat de kennis van de bestuurder van D&S Schoonmaak ook aan deze vennootschappen kan worden toegerekend. Hierdoor zijn zij zonder ingebrekestelling in verzuim geraakt. De curator krijgt daarom ook de wettelijke rente toegewezen vanaf de respectievelijke data van de laatste betalingen.

De rechtbank wijst de vordering tot terugbetaling van €121.500,00 door GBM Holding en €100.715,00 door GBM Services toe, veroordeelt GBM Services tot betaling van beslagkosten en veroordeelt beide partijen hoofdelijk in de proceskosten. Het meer of anders gevorderde wordt afgewezen.

Uitkomst: GBM Holding en GBM Services worden veroordeeld tot terugbetaling van onverschuldigde betalingen van in totaal €222.215,00 met rente en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK Noord-Holland

Civiel recht
Zittingsplaats Haarlem
Zaaknummer: C/15/363605 / HA ZA 25-169
Vonnis van 18 februari 2026
in de zaak van
[curator] handelend in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van D&S SCHOONMAAK B.V.,
kantoorhoudende te Amsterdam,
eisende partij,
hierna te noemen: de curator,
advocaat: mr. S. Zonneveld,
tegen

1.GBM HOLDING B.V.,

2.
GBM SERVICES B.V.,
beiden te Zaandam,
gedaagde partijen,
hierna te noemen: GBM Holding en GBM Services en gezamenlijk: GBM c.s.,
advocaat: mr. K.G.O. Afriyieh.
De zaak in het kort
De curator stelt dat de failliete vennootschap D&S Schoonmaak B.V. ten onrechte bedragen heeft overgemaakt aan GBM Holding en GBM Services. Hij vordert GBM Holding en GBM Services te veroordelen deze bedragen (van in totaal € 222.215,00) terug te betalen. GBM c.s. betwisten dat een rechtsgrond voor de betalingen ontbreekt. De rechtbank oordeelt dat de D&S Schoonmaak B.V. de bedragen onverschuldigd heeft betaald. GBM Holding en GBM Services worden veroordeeld de aan hen betaalde bedragen terug te betalen. Ook moeten zij proceskosten (met de kosten van beslag) betalen.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 24 september 2025 en het daarin genoemde incidentele vonnis
- de mondelinge behandeling van 13 januari 2026, waarbij mr. Zonneveld en mr. Afriyieh spreekaantekeningen hebben voorgedragen en overgelegd en waarvan de griffier aantekeningen heeft bijgehouden.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.Feiten

2.1.
In 2015 is de vennootschap D&S Schoonmaak B.V. (hierna: D&S Schoonmaak) opgericht. D&S Schoonmaak dreef een schoonmaak- en onderhoudsbedrijf. Enig aandeelhouder was (en is) de heer [betrokkene 1] (hierna: [betrokkene 1]). [betrokkene 1] was ook bestuurder van D&S Schoonmaak in de periode van 16 november 2015 tot en met 1 september 2016 en vervolgens weer vanaf 1 maart 2019. In de periode van 22 juni 2021 tot en met 11 januari 2023 stond, naast [betrokkene 1], ook de heer [betrokkene 2] (hierna: [betrokkene 2]) ingeschreven als bestuurder van D&S Schoonmaak. In laatstgenoemde periode heeft [betrokkene 1] zich - vanwege een beoogde overname door [betrokkene 2] - feitelijk niet meer bezig gehouden met de bedrijfsvoering van D&S Schoonmaak. [betrokkene 2] had als enige toegang tot de bankrekening van D&S Schoonmaak.
2.2.
Op 10 juni 2021 is GBM Holding opgericht. Sinds de oprichting is [betrokkene 2] enig bestuurder en enig aandeelhouder van GBM Holding.
2.3.
Op 6 juli 2021 is GBM Services opgericht. GBM Holding is enig bestuurder en enig aandeelhouder van GBM Services. GBM Services houdt zich volgens de inschrijving in het handelsregister bezig met het reinigen van interieur van gebouwen, uitleen van personeel en onderaanneming van schoonmaakwerkzaamheden.
2.4.
In de periode van 12 juli 2021 tot en met 26 maart 2022 is vanaf de bankrekening van D&S Schoonmaak voor in totaal € 131.500,00 aan overboekingen gedaan naar de bankrekening van GBM Holding. In de periode van 19 november 2021 tot en met 21 september 2022 is vanaf de bankrekening van D&S Schoonmaak voor in totaal € 131.500,00 aan overboekingen gedaan naar de bankrekening van GBM Services.
2.5.
In de loop van 2023 is [betrokkene 1] bekend geworden met diverse betalingen vanaf de bankrekening van D&S Schoonmaak aan GBM Holding en GBM Services die zijn verricht in de periode waarin [betrokkene 2] medebestuurder van D&S Schoonmaak was. Omdat die betalingen volgens [betrokkene 1] geen betrekking hadden op de bedrijfsvoering van D&S Schoonmaak is D&S Schoonmaak een procedure gestart tegen [betrokkene 2]. In die procedure heeft D&S Schoonmaak gevorderd om [betrokkene 2] te veroordelen tot betaling van € 413.896,95, vermeerderd met rente en kosten.
2.6.
In een verstekvonnis van 15 november 2023 heeft deze rechtbank de vorderingen van D&S Schoonmaak volledig toegewezen. Op 15 december 2023 heeft [betrokkene 2] tegen het verstekvonnis verzet ingesteld.
2.7.
Op 16 januari 2024 heeft de rechtbank Amsterdam D&S Schoonmaak failliet verklaard. De in het faillissement benoemde curator heeft de procedure tegen [betrokkene 2] overgenomen.
2.8.
Op 8 april 2024 heeft de curator beslag laten leggen op de woning van [betrokkene 2].
2.9.
In een vonnis van 18 december 2024, hersteld bij vonnissen van 15 januari 2025 en 5 februari 2025, (hierna ook: het [betrokkene 2]-vonnis) heeft deze rechtbank over de betalingen aan GBM c.s. geoordeeld dat [betrokkene 2] de onderbouwde stellingen van de curator dat met de betalingen aan GBM c.s. een bedrag van € 238.725,00 onrechtmatig aan het vermogen van D&S Schoonmaak is onttrokken, niet gemotiveerd heeft betwist. Daarbij heeft de rechtbank – samengevat – overwogen dat de door [betrokkene 2] overgelegde facturen en factuurspecificaties niet als voldoende onderbouwing voor de rechtsgeldigheid van de betalingen van D&S Schoonmaak aan GBM Holding kunnen gelden. Stukken die de specificaties kunnen onderbouwen ontbreken, zodat de aangeleverde informatie niet te controleren is. De bijbehorende urenregistraties en salarisstroken van de personen die werkzaamheden voor D&S zouden hebben uitgevoerd ontbreken en er zijn ook geen inkoopfacturen overgelegd. De genoemde bedragen op de facturen aan GBM Holding kwamen niet overeen met de betaalde bedragen en de betalingen hadden geen omschrijving of factuurnummer. Verder heeft [betrokkene 2] erkend dat facturen van GBM Services die gedateerd zijn vóór de oprichtingsdatum, pas na de oprichting zijn verstuurd. Tot slot is een verklaring van [betrokkene 2] voor het feit dat betalingen aan GBM Holding de post ‘werk derden’ ruimschoots overtreffen uitgebleven. Uit de onrechtmatige betalingen volgt dat [betrokkene 2] zijn taak als bestuurder van D&S Schoonmaak onbehoorlijk heeft vervuld. [betrokkene 2] is daarom veroordeeld om het bedrag van de betalingen aan GBM c.s. (vermeerderd met een aantal andere betalingen) aan de boedel van D&S Schoonmaak te betalen. In totaal moet [betrokkene 2] volgens dit vonnis € 318.560,04 vermeerderd met rente en kosten aan D&S Schoonmaak betalen. [betrokkene 2] heeft niet aan het vonnis voldaan.
2.10.
Op 11 maart 2025 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam aan de curator verlof verleend om conservatoir te leggen op de in het bezit van GBM c.s. zijnde voertuigen en om conservatoir derdenbeslag te leggen onder ING Bank N.V. en de Volksbank N.V. Deze beslagen zijn op 17 maart 2025 gelegd.

3.Het geschil

3.1.
De curator vordert, samengevat:
I. GBM Holding te veroordelen tot betaling van € 121.500,- aan de boedel van D&S Schoonmaak binnen drie dagen na betekening van dit vonnis, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 26 maart 2022;
II. GBM Services te veroordelen tot betaling van € 100.715,- aan de boedel van D&S Schoonmaak binnen drie dagen na betekening van dit vonnis, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 21 september 2022;
III. GBM c.s. hoofdelijk te veroordelen in de beslagkosten van € 4.410,12;
IV. GBM c.s. hoofdelijk te veroordelen in de proceskosten.
3.2.
De curator voert het volgende aan. D&S Schoonmaak heeft voor een bedrag van € 121.500,- betalingen gedaan aan GBM Holding die onverschuldigd waren. Aan GBM Services heeft D&S Schoonmaak voor € 100.715,- aan onverschuldigde betalingen gedaan. De rechtbank heeft in het [betrokkene 2]-vonnis al geoordeeld dat deze betalingen zonder rechtsgrond vanaf de bankrekening van D&S zijn verricht. In deze procedure vordert de curator de onverschuldigd betaalde bedragen terug. Omdat [betrokkene 2] vanaf de oprichting de enige (indirecte) bestuurder is van GBM c.s. kan zijn kennis ook aan deze vennootschappen worden toegerekend. GBM c.s. hebben de onverschuldigde betalingen dan ook te kwader trouw aangenomen, waardoor zij zonder ingebrekestelling in verzuim zijn.
3.3.
GBM c.s. concluderen tot afwijzing van de vorderingen van de curator, met veroordeling van de curator in de kosten van deze procedure. Zij voeren het volgende aan. De rechtbank heeft eerder geoordeeld dat sprake is van onbehoorlijk bestuur, maar dit blijkt ook door later beschikbaar gekomen financiële informatie een onjuist oordeel. De vordering van de curator in deze procedure tegen GBM c.s. is ondeugdelijk onderbouwd en berust op een patroon van feitelijke onjuistheden, selectieve interpretaties en bewuste weglatingen. Er bestond wel degelijk een rechtsverhouding tussen D&S en GBM c.s. Alleen daarom al kan er van onverschuldigde betaling geen sprake zijn. GBM c.s. hebben schoonmaakwerkzaamheden verricht voor D&S Schoonmaak. Dat gebeurde ook al in de oprichtingsperiode van GBM Holding en GBM Services die door corona langer duurde dan gebruikelijk. Ook deze werkzaamheden zijn door GBM c.s. in rekening gebracht. De curator heeft verder cijfers gepresenteerd zonder essentiële context, cruciale ontvangsten buiten beschouwing gelaten (zoals een aparte G-rekening) en essentiële periodes uitgesloten met als gevolg dat de berekening van de curator berust op een incompleet beeld van de werkelijke ontvangsten. Daardoor mist de berekening van de curator feitelijke grondslag. Door een gebrek aan informatie kon dit niet eerder worden blootgelegd.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

Onverschuldigde betaling
4.1.
De curator vordert om GBM Holding te veroordelen € 121.500,- aan de boedel te betalen en om GBM Services te veroordelen € 100.715,- aan de boedel te betalen. Deze vorderingen zullen worden toegewezen.
4.2.
De curator voert aan dat D&S Schoonmaak de betalingen aan GBM c.s. onverschuldigd heeft gedaan. Artikel 6:203 van Pro het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) bepaalt dat degene die een ander zonder rechtsgrond een goed heeft gegeven gerechtigd is om dit van de ontvanger als onverschuldigd betaald terug te vorderen. Bij een geldsom betekent dit teruggave van een gelijk bedrag. De stelplicht en bewijslast bij onverschuldigde betaling rust op de partij die zich op de onverschuldigde betaling beroept, aldus de curator.
4.3.
In dat kader stelt de rechtbank voorop dat de oordelen in het [betrokkene 2]-vonnis in deze procedure niet hebben te gelden als vaststaand tussen de partijen. Het is aan de curator om – los van dat vonnis – voldoende te onderbouwen dat de betalingen onverschuldigd waren. De rechtbank komt tot het oordeel dat de curator dat heeft gedaan en dat GBM c.s. onvoldoende onderbouwd hebben betwist dat de betalingen onverschuldigd zijn gedaan.
4.4.
De curator stelt dat uit niets blijkt dat de betalingen zien op door GBM c.s. voor D&S Schoonmaak verrichte werkzaamheden. Hij brengt in dat kader onder meer het volgende naar voren. De eerste acht van de door GBM Services eerder overgelegde facturen hebben een datum van voor de oprichting van GBM Services, maar vermelden wel het KvK-nummer, zodat er wel heel sterke aanwijzingen zijn dat deze vervalst zijn. De facturen die GBM Holding eerder heeft overgelegd sluiten niet aan bij de betaalde bedragen. De factuurspecificaties van GBM c.s. zijn niet meer dan een oncontroleerbare opsomming van beweerdelijk verrichte werkzaamheden en zijn pas in juni 2024 opgesteld, jaren nadat de facturen zijn verstuurd. Er zijn geen stukken die de specificaties onderbouwen of ondersteunen. Daarbij valt op dat de op de specificaties gehanteerde uurtarieven variëren tussen € 18,96 en € 74,50 (met alleen als argument “contractsvrijheid”), dat meerwerk wordt opgenomen terwijl aan de afnemers niet meer is gefactureerd en dat de facturen van GBM c.s. over sommige maanden meer in rekening brengen dan D&S Schoonmaak aan de afnemer heeft geleverd. De curator gaat ervan uit dat de in de specificaties opgenomen informatie onjuist is. Ook volgt uit de jaarrekening van D&S Schoonmaak dat in de jaren 2020 en 2021 met onveranderde loonkosten vrijwel dezelfde omzet is gerealiseerd, zodat de betalingen aan GBM c.s. niet hebben geleid tot opbrengsten.
4.5.
De rechtbank is van oordeel dat de curator hiermee zijn stelling dat de betalingen onverschuldigd zijn gedaan voldoende heeft onderbouwd. Het ligt niet voor de hand dat – bij gelijkblijvende loonkosten – GBM c.s. als opdrachtnemers voor aanzienlijke bedragen aan werkzaamheden voor D&S Schoonmaak hebben verricht, zonder dat dit heeft geleid tot meer omzet. Daarmee ligt het op de weg van GBM c.s. om voldoende onderbouwd te betwisten dat een rechtsgrond voor de betalingen van D&S Schoonmaak aan GBM c.s. ontbreekt. Daar zijn GBM c.s. niet in geslaagd.
4.6.
GBM c.s. voeren aan dat de stelling van de curator dat er geen tegenprestaties zouden zijn geleverd voor de betalingen aan GBM c.s. niet houdbaar is. Er was wel degelijk een rechtsverhouding die de betalingen rechtvaardigde. De rechtbank zal hierna de verschillende onderdelen van de betwisting door GBM c.s. bespreken.
4.7.
GBM c.s. voeren aan dat uit de toegangssystemen van IMC en MCO, waaronder druppelgegevens, blijkt dat in de periode van mei tot en met september 2022 minimaal 5.590 uren is gewerkt door medewerkers van GBM c.s. De rechtbank volgt GBM c.s. daarin niet. De curator heeft er terecht op gewezen dat uit de druppelgegevens nu juist lijkt te volgen dat medewerkers van D&S Schoonmaak voor IMC en MCO heeft gewerkt, omdat de uitdraaien bij de aan- en afmeldingen D&S Schoonmaak vermelden. Uit de druppelgegevens van MCO volgt dan ook niet dat GBM c.s. voor D&S Schoonmaak werkzaamheden hebben uitgevoerd. Uit de druppelgegevens van IMC volgt dat ook niet. Die gegevens zien op [betrokkene 2] en zijn zoon, die – naar GBM c.s. bij de mondelinge behandeling hebben bevestigd – beiden in loondienst waren van D&S Schoonmaak. [betrokkene 2] was daarnaast ook bestuurder van D&S Schoonmaak. Voor zover de druppelgegevens betrekking zouden hebben op een periode dat [betrokkene 2] en zijn zoon niet voor GBM c.s. werkten hebben GBM c.s. onweersproken gelaten dat deze gegevens niet aansluiten bij de uren zoals vermeld op de factuurspecificaties die zien op IMC. Bovendien hebben GMC c.s. ter zitting verklaard dat er geen urenregistratie plaatsvond en dat de specificaties naderhand op basis van ervaring zijn opgemaakt. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat uit de druppelgegevens geen rechtsgrond voor de betalingen van D&S Schoonmaak aan GBM c.s. kan worden afgeleid.
4.8.
GBM c.s. voeren verder aan dat uit door hen overgelegde verklaringen volgt dat er een rechtsgrond was voor de betalingen van D&S Schoonmaak aan GBM c.s. Deze verklaringen bevestigen volgens GBM c.s. dat de uren legitiem, zichtbaar en volledig bekend waren bij de opdrachtgever. [betrokkene 2] heeft [betrokkene 3] (hoofd facilitaire dienstverlening van IMC) per WhatsApp gevraagd of hij zou kunnen bevestigen dat “wij ook tijdens coronaperiode zijn blijven doorwerken bij IMC”. Daarop heeft [betrokkene 3] op 28 mei 2025 geantwoord: “Dat klopt. Tijdens de coronaperiode was ons kantoor geopend en hebben jullie gewoon doorgewerkt”. Dit bericht is echter geen onderbouwing van de betwisting van GBM c.s., omdat uit dit bericht niet naar voren komt dat de werkzaamheden door een andere partij dan D&S Schoonmaak zijn uitgevoerd. Ook uit het WhatsAppbericht van [betrokkene 4] (Hoofd facilitaire dienstverlening van MCO) komt niet naar voren dat werkzaamheden voor D&S Schoonmaak door GBM c.s. zijn uitgevoerd. Hij zegt dat D&S Schoonmaak “van heel vroeger” is, maar geeft niet aan tot wanneer de dienstverlening door D&S Schoonmaak zelf werd verricht. Daarbij overweegt de rechtbank dat “van heel vroeger” in dit verband zeer moeilijk te duiden is, omdat ook uit de stellingen van GBM c.s. volgt dat D&S Schoonmaak nog in 2021 de dienstverlening aan MCO verzorgde. Daarnaast hebben GBM c.s. een verklaring van hun boekhouder, [betrokkene 5], overgelegd. Die zegt dat een reeks facturen van GBM Holding ten onrechte op de rekening-courant is geboekt in plaats van op de gebruikelijke kostenpost ‘werk derden’ of ‘onderaannemers’ en dat deze facturen zien op aantoonbaar verrichte schoonmaakwerkzaamheden in opdracht van D&S Schoonmaak. Terecht heeft de curator hierover opgemerkt dat de boekhouder uit eigen wetenschap niets kan verklaren over de vraag of werkzaamheden wel of niet zijn uitgevoerd. Daarbij komt dat de boekhouder weliswaar zegt dat de werkzaamheden “aantoonbaar” voor D&S Schoonmaak zijn verricht, maar niet aangeeft hoe dit aan te tonen is. Verder versterkt zijn mededeling dat de betalingen eerder in rekening-courant zijn geboekt, in samenhang bezien met het feit dat de facturen (door GBM c.s. onbetwist) pas op een later moment zijn opgesteld, juist het beeld dat er geen werkzaamheden voor de betalingen zijn verricht. Ook met deze verklaringen hebben GBM c.s. dan ook onvoldoende betwist dat de betalingen onverschuldigd gedaan zijn.
4.9.
GBM c.s. voeren ook aan dat de curator selectief en doelbewust betalingen op de G-rekening van D&S Schoonmaak negeert. De curator zegt dat dat niet het geval is. Ter zitting hebben GBM c.s. toegelicht dat dit verweer ziet op de stelling van de curator dat de facturen van GBM c.s. voor gesteld werk bij een derde hoger zijn dat het bedrag dat D&S Schoonmaak voor dezelfde periode van deze derde voor werkzaamheden heeft ontvangen. GBM c.s. voeren aan dat de curator daarbij negeert dat er ook 30% op een G-rekening werd voldaan. Ter toelichting heeft de curator bij wijze van voorbeeld gewezen op een factuur van GBM Services voor verrichte werkzaamheden bij MCO voor mei 2021 van € 18.506,52, terwijl MCO voor de werkzaamheden in mei 2021 maar € 8.838,16 op de rekening van D&S Schoonmaak heeft betaald. Daarmee heeft de curator laten zien dat ook bij een 30% verhoging van het aan derden in rekening gebrachte bedrag de factuur van GBM Services nog aanzienlijk hoger is. Overboekingen op een G-rekening zijn dan ook niet de verklaring voor het door de curator gesignaleerde verschil.
4.10.
Bij het vorenstaande hebben GBM c.s. bij de mondelinge behandeling niet kunnen uitleggen waarom de aan GBM Holding gedane betalingen afwijken van de gefactureerde bedragen en hebben GBM c.s. verteld dat de overgelegde specificaties veel later zijn opgesteld op basis van “herinnering” zonder dat daarvoor urenregistraties, agenda’s of andere objectieve gegevens zijn gebruikt. Daarmee kunnen zij niet gelden als (voldoende) onderbouwing van de betwisting van de stellingen van de curator, ook al niet omdat in die specificaties steeds met verschillende tarieven wordt gewerkt (zonder dat uitgelegd wordt aan welke werkzaamheden die zijn gekoppeld) en alleen een zeer algemeen overzicht wordt gegeven waarbij (jaren later) achter een algemene staat van werkzaamheden zonder enige toelichting aantallen uren worden gezet.
Tussenconclusie en bedragen
4.11.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat GBM c.s. onvoldoende onderbouwd hebben betwist dat de door D&S Schoonmaak gedane betalingen aan GBM c.s. onverschuldigd zijn gedaan. De rechtbank zal GBM Holding en GBM Services daarom veroordelen de bedragen aan de boedel te betalen.
4.12.
GBM c.s. hebben nog aangevoerd dat het door de curator gevorderde bedrag onjuist is. Dit verweer faalt. Ter zitting heeft de rechtbank bij de curator geverifieerd op welke periode de gevorderde terugbetaling ziet. De curator heeft bevestigd dat het voor GBM Holding gaat om de periode van 25 juni 2021 tot en met 26 maart 2022 en voor GMB Services om de periode van 19 november 2021 tot en met 21 september 2022. GMB c.s. betogen dat bij de vordering op GBM Holding geen rekening is gehouden met de terugbetaling van € 10.000,- op 1 augustus 2021 en dat de betaling van € 6.500,- van 25 juni 2025 niet aan GBM Holding maar aan [betrokkene 2] is gedaan. Dit standpunt is onjuist. Uitgaande van de afschriften die zijn overgelegd als productie 6 bij de dagvaarding tellen de bij- en afschrijvingen die zien op GMB Holding op tot een bedrag van € 121.500,- als de terugbetaling van € 10.000,- in mindering wordt gebracht en het bedrag van € 6.500,- niet wordt meegeteld. De door de curator gevorderde bedragen zullen daarom toegewezen worden als gevorderd.
Wettelijke rente
4.13.
De curator stelt dat GBM c.s. de onverschuldigde betalingen te kwader trouw hebben aangenomen, waardoor zij zonder ingebrekestelling in verzuim zijn. De gestelde kwade trouw volgt volgens de curator uit de omstandigheid dat [betrokkene 2] vanaf de oprichting de enige (indirecte) bestuurder is van GBM c.s., zodat zijn kennis ook aan deze vennootschappen kan worden toegerekend.
4.14.
Artikel 6:205 BW Pro bepaalt dat de ontvanger die het goed te kwader trouw heeft aangenomen zonder ingebrekestelling in verzuim is. Vast staat dat [betrokkene 2] (middellijk) zowel statutair bestuurder was van D&S Schoonmaak als van GBM c.s. De kennis die hij als (middellijk) statutair bestuurder had kan worden gelijk gesteld met de kennis van de rechtspersoon. GBM c.s. hebben ook geen verweer gevoerd tegen de stelling dat sprake is van kwade trouw, anders dan een blote betwisting. De rechtbank zal daarom kwade trouw aannemen, waardoor GBM c.s. zonder ingebrekestelling in verzuim zijn komen te verkeren. De wettelijke rente zal daarom ten aanzien van GBM Holding worden toegewezen vanaf 26 maart 2022 en ten aanzien van GBM Services vanaf 21 september 2022.
Beslagkosten
4.15.
De curator vordert GBM c.s. hoofdelijk te veroordelen tot betaling van de beslagkosten van in totaal € 4.410,12. De beslagkosten komen slechts voor vergoeding in aanmerking indien het beslag rechtmatig is, dat wil zeggen met inachtneming van de daartoe gestelde wettelijke vereisten is gelegd. Uit de overgelegde beslagstukken moet kunnen worden opgemaakt dat aan deze vereisten is voldaan. De curator heeft de exploten van betekening van de conservatoire beslagen onder derden niet overgelegd en ook de overbetekeningen van de dagvaarding aan degenen onder wie het derdenbeslag is gelegd ontbreken. Voor de ontbrekende beslagstukken geldt dat niet beoordeeld kan worden of de voor het beslag geldende formaliteiten en termijnen in acht zijn genomen. De gevorderde kosten die zien op het derdenbeslag zijn dan ook onvoldoende onderbouwd en zullen worden afgewezen.
4.16.
De gevorderde beslagkosten die zien op het conservatoir beslag op motorrijtuigen zijn toewijsbaar. Voor deze kosten geldt dat de gevraagde hoofdelijke veroordeling niet toewijsbaar is. Voor zover sprake is van kosten die specifiek zien op ten laste van afzonderlijke gedaagden gelegde beslagen, ook al gaat het om dezelfde vordering, is hoofdelijke veroordeling niet aan de orde. De kosten zijn gemaakt ten laste van GBM Services, dus alleen toewijsbaar ten opzichte van deze partij. De rechtbank begroot de beslagkosten op € 192,04 voor deurwaarderskosten, € 331,00 voor griffierecht en € 1.929,00 voor salaris advocaat (1,0 punt × € 1.929,00), dus in totaal € 2.452,04.
Proceskosten
4.17.
GBM c.s. zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. GBM c.s. worden hoofdelijk in de proceskosten veroordeeld. De proceskosten van de curator worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
119,40
- griffierecht
2.392,00
- salaris advocaat
5.770,00
(2 punten × € 2.885,00)
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
8.470,40

5.De beslissing

De rechtbank
5.1.
veroordeelt GBM Holding om aan de boedel van D&S Schoonmaak te betalen een bedrag van € 121.500,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over het toegewezen bedrag, met ingang van 26 maart 2022, tot de dag van volledige betaling,
5.2.
veroordeelt GBM Services B.V. om aan de boedel van D&S Schoonmaak te betalen een bedrag van € 100.715,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over het toegewezen bedrag, met ingang van 21 september 2022, tot de dag van volledige betaling,
5.3.
veroordeelt GBM Services B.V. in de beslagkosten, tot op heden vastgesteld op € 2.452,04,
5.4.
veroordeelt GBM Holding B.V. en GBM Services B.V. hoofdelijk in de proceskosten van € 8.470,40, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als GBM Holding B.V. en GBM Services B.V. niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
5.5.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.6.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.A. Hoogkamer en in het openbaar uitgesproken op 18 februari 2026.
1589