De kantonrechter heeft op 5 februari 2026 een verzoek behandeld van de bewindvoerder om de grondslag van het bewind te wijzigen. Het bewind was eerder ingesteld wegens verkwisting en problematische schulden tot 9 februari 2026. De bewindvoerder stelt dat deze grond niet langer van toepassing is, maar dat het bewind vanwege de lichamelijke of geestelijke toestand van betrokkene moet worden voortgezet.
Betrokkene wil het bewind opgeheven zien om zelf zijn financiën te beheren en een uitkering aan te vragen. Uit de stukken en de zitting blijkt echter dat betrokkene onvoldoende zelfredzaam is. Het traject via Plinkr om zelfredzaamheid te bevorderen is vastgelopen, en betrokkene begrijpt brieven niet goed en vraagt onvoldoende om hulp. De kantonrechter acht het daarom nog te vroeg om het bewind op te heffen.
De kantonrechter wijst het verzoek tot opheffing af, wijzigt de grondslag van het bewind in lichamelijke of geestelijke toestand voor onbepaalde tijd en bepaalt dat het bewind wordt voortgezet. Tevens wordt het bewind uitgeschreven uit het Centraal curatele- en bewindregister. De bewindvoerder mag de forfaitaire tarieven voor werkzaamheden en kosten ten laste van het vermogen van betrokkene brengen.
Tegen deze beschikking kan binnen drie maanden hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam, uitsluitend via een advocaat.