ECLI:NL:RBNHO:2026:1509

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
19 februari 2026
Publicatiedatum
18 februari 2026
Zaaknummer
11791674 \ CV EXPL 25-2040
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • A. E. Merkus
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:756 lid 1 BWArt. 7:756 lid 3 BWArt. 7:758 BWArt. 6:272 lid 1 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontbinding aannemingsovereenkomst wegens niet-tijdige en niet-behoorlijke oplevering

Partijen sloten een aannemingsovereenkomst voor een aanbouw met een aanneemsom van €27.000 exclusief btw, waarvan 90% door eiser was betaald. Het werk werd stilgelegd door de gemeente wegens het ontbreken van een omgevingsvergunning, die pas na bezwaar en beroep in augustus 2022 werd verleend.

Een bouwkundig onderzoek in april 2023 stelde vast dat het werk niet was afgerond en dat er schade was ontstaan door weersinvloeden, met kritiek op het ontwerp. Eiser stelde gedaagde in gebreke en ontbond de overeenkomst in juli 2023, waarna hij het werk door een ander liet afmaken en de kosten daarvan (€16.580,98) vergoed wilde krijgen.

De rechtbank oordeelt dat de ontbinding op grond van artikel 7:756 lid 1 BW Pro terecht is, omdat oplevering niet mogelijk was. De vordering tot terugbetaling van een deel van de aanneemsom wordt afgewezen, omdat gedaagde het werk grotendeels heeft uitgevoerd en eiser onvoldoende heeft onderbouwd dat hij voor niet-uitgevoerde werkzaamheden heeft betaald. Vergoedingen voor incassokosten en deskundigenkosten worden eveneens afgewezen. Proceskosten worden gecompenseerd.

Uitkomst: De aannemingsovereenkomst wordt ontbonden, maar terugvordering van betaalde aanneemsom en overige kosten worden afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANKNOORD-HOLLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Zaanstad
Zaaknummer: 11791674 \ CV EXPL 25-2040
Vonnis van 19 februari 2026
in de zaak van
[eiser],
te [plaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: Anker Rechtshulp B.V.,
tegen
[gedaagde] (VOORHEEN [naam 1] ), H.O.D.N. [naam 2],
te [plaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 11 september 2025
- de akte wijziging van eis van 12 januari 2026
- de mondelinge behandeling van 12 januari 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
Partijen zijn een overeenkomst van aanneming van werk overeengekomen. Dit betreft een aanbouw aan de woning van [eiser] . De betreffende offerte van [gedaagde] als aannemer is door [eiser] op 25 januari 2020 aanvaard. De aanneemsom bedroeg € 27.000,00 exclusief btw. [eiser] heeft daarvan in totaal 90%, € 29.403,00 inclusief btw, betaald.
2.2.
[gedaagde] is met het werk begonnen op 28 januari 2020. Door de gemeente [plaats 1] is wegens het ontbreken van een omgevingsvergunning het werk stilgelegd, eind februari 2020. Na een bezwaar- en beroepsprocedure is in augustus 2022 een omgevingsvergunning verleend.
2.3.
In opdracht van [eiser] heeft bouwkundig adviesbureau BouwCheck op 28 april 2023 een onderzoek aan het gebouw uitgevoerd. De deskundige stelt vast dat het werk niet af is en dat een deel van het gebouw schade heeft geleden door weersinvloeden. Hij heeft ook kritiek op het ontwerp van de constructie.
2.4.
Het rapport van de deskundige is op 26 juni 2023 door [eiser] aan [gedaagde] gezonden. Daarbij is [gedaagde] ingebreke gesteld en een termijn voor herstel of reactie gegeven tot 25 juli 2023. Op 5 juli 2023 heeft [gedaagde] , met zijn compagnon [naam 3] , het werk bekeken. Bij e-mailbericht van 10 juli 2023 heeft [eiser] de overeenkomst ontbonden en aangekondigd het werk door een ander te laten afmaken, op kosten van [gedaagde] .
2.5.
[eiser] heeft in juli of augustus 2023 werk uit laten voeren. De gefactureerde kosten zijn in totaal € 16.580,98.
2.6.
Bij brief van 11 maart 2025 aan [gedaagde] heeft [eiser] aanspraak gemaakt op vergoeding van dat bedrag.

3.Het geschil

3.1.
[eiser] vordert, na wijziging van zijn eis, samengevat,
dat de kantonrechter de overeenkomst tussen partijen ontbindt,
en [gedaagde] veroordeelt tot
  • terugbetaling van € 16.580,98,
  • betaling van € 870,00 voor kosten van de deskundige
  • betaling van € 940,81 aan buitengerechtelijke incassokosten
  • vergoeding van de proceskosten.
3.2.
[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] vindt dat de vorderingen van [eiser] afgewezen moeten worden.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

De overeenkomst wordt ontbonden
4.1.
[eiser] heeft met zijn wijziging van eis uitdrukkelijk zijn standpunt, dat de overeenkomst buitengerechtelijk is ontbonden omdat [gedaagde] als aannemer tekort is geschoten in de nakoming van die overeenkomst, verlaten. [eiser] vordert in plaats daarvan dat de kantonrechter de overeenkomst ontbindt en beroept zich op artikel 7:756 lid 1 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW). Beoordeling van een vordering op grond van een (buitengerechtelijke) ontbinding vanwege wanprestatie aan de zijde van [gedaagde] is in deze procedure niet aan de orde omdat [eiser] die grondslag voor zijn vorderingen uitdrukkelijk heeft ingetrokken.
4.2.
Op grond van artikel 7:756 lid 1 BW Pro kan de rechter de aannemingsovereenkomst op vordering van de opdrachtgever ontbinden voor de oplevering. Zolang de aannemer niet te kennen geeft dat het werk klaar is om te worden opgeleverd, is er geen oplevering (artikel 7:758 BW Pro). Voor ontbinding op grond van artikel 7:756 BW Pro is niet vereist dat nakoming zonder tekortkoming onmogelijk zal zijn. Voldoende is dat reeds voor de vastgestelde tijd van oplevering waarschijnlijk wordt dat het werk niet op tijd of niet behoorlijk zal worden opgeleverd. Naar het oordeel van de rechtbank is aan deze voorwaarde voldaan [gedaagde] heeft immers de overeenkomst niet volledig kunnen nakomen omdat de gemeente [plaats 1] het werk heeft stilgelegd, partijen er nadat alsnog een vergunning is verleend niet in geslaagd zijn afspraken te maken over de verdere bouw en [eiser] het werk door een ander heeft laten afmaken en opleveren. Het is daarmee [gedaagde] onmogelijk gemaakt het werk (alsnog) op te leveren. De vordering tot ontbinding van de overeenkomst wordt daarom toegewezen.
Geen terugbetaling van een deel van de aanneemsom
4.3.
Door de ontbinding worden de uit de aannemingsovereenkomst voortvloeiende verbintenissen beëindigd. Artikel 7:756 lid 3 BW Pro bepaalt vervolgens dat de rechter de gevolgen van de ontbinding bepaalt. Bij deze beoordeling is van belang dat de aard van de door [gedaagde] verrichte prestatie uitsluit dat zij ongedaan gemaakt wordt en [gedaagde] in beginsel recht heeft op een vergoeding voor die prestatie, zoals bepaald in artikel
6:272 lid 1 BW.
4.4.
[eiser] heeft 90% van de aanneemsom voldaan en vordert terugbetaling van een deel daarvan, € 16.580,98. Dat bedrag komt overeen met de kosten die hij heeft gemaakt voor door een andere aannemer uitgevoerd werk.
4.5.
De kantonrechter stelt voorop dat het feit dat [gedaagde] een deel van de overeengekomen werkzaamheden niet heeft kunnen uitvoeren, niet betekent dat hij de facturen voor het uitvoeren van werkzaamheden door een derde geheel of gedeeltelijk voor zijn rekening zou moeten nemen. Zoals hiervoor is vastgesteld, gaat het om de waardering van de prestatie van [gedaagde] . [gedaagde] heeft aangevoerd dat het overeengekomen werk grotendeels was uitgevoerd. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft [eiser] die stelling onvoldoende gemotiveerd betwist. Ook de door [eiser] geraadpleegde deskundige heeft vastgesteld dat het werk grotendeels af was. Verder is van belang dat door de aannemer die de aanbouw heeft afgemaakt ook werkzaamheden zijn uitgevoerd die niet in de oorspronkelijke overeenkomst staan. Duidelijk is dat [eiser] na het onderzoek door BouwCheck niet tevreden was over het ontwerp. Bij de mondelinge behandeling heeft hij ook erkend dat een andere constructie is toegepast en andere afmetingen zijn gehanteerd. Omdat [eiser] verder geen duidelijkheid heeft gegeven over wat er door de andere aannemer wel of niet overeenkomstig de (tijdens het werk aangepaste) overeenkomst met [gedaagde] is uitgevoerd, kan de kantonrechter niet vaststellen dat de opvolgend aannemer werk heeft verricht dat [gedaagde] nog zou uitvoeren. De gevolgen van de ontbinding laten zich aldus niet precies begroten. De kantonrechter gaat er daarom vanuit dat de werkzaamheden van de oorspronkelijke overeenkomst grotendeels zijn uitgevoerd en dat daarvoor ook is betaald. Dat [eiser] aan [gedaagde] heeft betaald voor werk dat niet door [gedaagde] is uitgevoerd, is niet onderbouwd. Voor een (terug)betalingsverplichting of een ongedaanmakingsverbintenis is dan ook geen grond. De kantonrechter zal daarom bepalen dat partijen als gevolg van de ontbinding over en weer niets meer van elkaar te vorderen hebben op grond van de aannemingsovereenkomst.
4.6.
De vordering van [eiser] tot terugbetaling van een deel van de aanneemsom wordt afgewezen.
4.7.
De vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten worden afgewezen omdat een vordering tot ontbinding van de overeenkomst op grond van artikel 7:756 lid 1 BW Pro uitsluitend in een gerechtelijke procedure aan de orde gesteld kan worden.
4.8.
Voor vergoeding van de kosten van de deskundige is evenmin grond, omdat voor de vaststelling van het feit dat het werk niet zal worden opgeleverd het inschakelen van de deskundige niet nodig was.
4.9.
Omdat partijen over en weer in het ongelijk zijn gesteld, zal de kantonrechter de proceskosten compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
ontbindt de aannemingsovereenkomst en bepaalt dat partijen als gevolg van de ontbinding over en weer niets meer van elkaar te vorderen hebben op grond van de aannemingsovereenkomst,
5.2.
wijst de vorderingen van [eiser] voor het overige af,
5.3.
compenseert de proceskosten, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. A. E. Merkus en in het openbaar uitgesproken op 19 februari 2026.
CK