AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Veroordeling medeplegen invoer cocaïne en voorbereidingshandelingen
De rechtbank Noord-Holland heeft op 12 februari 2026 uitspraak gedaan in de zaak tegen verdachte die werd verdacht van medeplegen van het opzettelijk binnenbrengen van cocaïne in Nederland en het medeplegen van voorbereidingshandelingen daartoe in januari 2021.
De rechtbank oordeelde dat verdachte een cruciale organisatorische en faciliterende rol had bij de invoer van cocaïne door twee koeriers, waaronder het regelen van paspoortgegevens, het boeken van vliegtickets en het organiseren van afhalers. Uit chatgesprekken en andere bewijsmiddelen bleek een nauwe en bewuste samenwerking met medeverdachten.
De verdediging voerde aan dat verdachte slechts een bemiddelende rol had en dat onvoldoende bewijs bestond voor daadwerkelijke invoer, maar de rechtbank verwierp dit en achtte de bewezenverklaring wettig en overtuigend.
De rechtbank legde een gevangenisstraf van 13 maanden op, met aftrek van voorarrest, waarbij een strafkorting van 25% werd toegepast wegens overschrijding van de redelijke termijn van ruim twee jaar en acht maanden. De ernst van de feiten en de omvang van de invoer werden zwaar meegewogen, evenals het feit dat verdachte eerder voor soortgelijke feiten was veroordeeld.
Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot 13 maanden gevangenisstraf wegens medeplegen van invoer van cocaïne en voorbereidingshandelingen, met strafvermindering wegens overschrijding redelijke termijn.
Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Team Straf, zittingsplaats Haarlem
Meervoudige strafkamer
Parketnummer: 15/025578-21 (P)
Uitspraakdatum: 12 februari 2026
Tegenspraak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 29 januari 2026 in de zaak tegen:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1986 te [geboorteplaats],
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres]
.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. M. Duin, en van wat de verdachte en zijn raadsman, mr. L.A.R. Newoor, advocaat te Rotterdam, naar voren hebben gebracht.
1.Tenlastelegging
De verdachte wordt verweten dat hij zich, kort en zakelijk weergegeven, schuldig heeft gemaakt aan de volgende feiten:
feit 1: het medeplegen van het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen van cocaïne op of omstreeks 17 januari 2021;
feit 2: het medeplegen van voorbereidingshandelingen voor het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen van cocaïne in of omstreeks de periode van 4 januari 2021 tot en met 18 januari 2021.
De volledige tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
2.Voorvragen
De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de zaak, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.
3.Beoordeling van het bewijs
3.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten.
3.2.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft ten aanzien van feit 1 vrijspraak bepleit van de invoer van cocaïne door koerier [achternaam 1] (zaaksdossier C4). Uit het dossier volgt dat de verdachte enkel een bemiddelende en faciliterende rol heeft gehad door het doorsturen van paspoortgegevens en het voeren van gesprekken over het afhalen van Schiphol. Daarnaast bevat het dossier onvoldoende bewijs dat daadwerkelijk verdovende middelen zijn ingevoerd. De handelingen van de verdachte kunnen wel worden gekwalificeerd als voorbereidingshandelingen.
Ten aanzien van koerier [achternaam 2] (zaaksdossier C1) heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
3.3.
Oordeel van de rechtbank
3.3.1.
Redengevende feiten en omstandigheden
De rechtbank komt tot een bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten op grond van de bewijsmiddelen die in de bijlage bij dit vonnis zijn opgenomen.
3.3.2.
Nadere bewijsoverwegingen
De verdachte wordt verweten dat hij betrokken is geweest bij de invoer van cocaïne door twee koeriers en van voorbereidingshandelingen daartoe. De rechtbank zal per zaaksdossier bespreken hoe de verdachte hierbij betrokken is geweest en bespreekt de feiten gezamenlijk.
3.3.2.1. De invoer van cocaïne door koerier [achternaam 2] (zaaksdossier C1)
Op 17 januari 2021 is L.M.B.V. [achternaam 2] aangekomen op de luchthaven Schiphol met in zijn koffer ruim negenhonderd gram cocaïne. [achternaam 2] heeft vervolgens met telefoonnummer [telefoonnummer] (hierna ook: 7512) afgesproken om een ontmoeting te laten plaatsvinden bij de Burger King op Den Haag Centraal. Verbalisanten hebben daar de latere medeverdachte [naam 1] aangetroffen. [naam 1] was op dat moment aan het videobellen met de gebruiker van het nummer 7512, waar de verdachte ook contact mee had. [naam 1] heeft verklaard dat hij door zijn contact [naam 2] was gevraagd om iemand op te halen van station Den Haag Centraal.
In de telefoon van [naam 1] worden meerdere chatgesprekken aangetroffen met het contact [naam 2] met telefoonnummer 7512. Uit deze gesprekken volgt dat [naam 2] op 4 januari 2021 een foto van het paspoort van [achternaam 2] naar [naam 1] stuurt. Ook stuurt [naam 2] naar [naam 1] dat hij aan het wachten is op ‘de man’, maar dat hij anders maar iemand anders moet regelen.
Is de verdachte de gebruiker van het telefoonnummer 7512 alias [naam 2]?
De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij als tussenpersoon [achternaam 2] had geregeld om de cocaïne te smokkelen. De verdachte heeft de paspoortgegevens van [achternaam 2] doorgestuurd naar een contact zodat [achternaam 2] naar Curaçao kon vertrekken. De rechtbank is van oordeel dat de verklaring van de verdachte zodanig op de voornoemde chats past, dat de rechtbank van oordeel is dat de verdachte [naam 2] is.
De betrokkenheid van de verdachte
Uit de chatgesprekken blijkt dat de verdachte op 7 januari 2021 de ticketgegevens van [achternaam 2] doorstuurt naar [naam 1]. Ook spreken zij onderling over het afzonderlijk laten vliegen van [achternaam 2] en een andere koerier en over de ticketprijzen. De dag voorafgaand aan de invoer door [achternaam 2] stuurt de verdachte naar [naam 1] dat ‘de man’ misschien met de trein gaat en [naam 1] dan ontmoet. Vervolgens stuurt hij het telefoonnummer van [achternaam 2] naar [naam 1] met de opmerking dat dit de man is waar [naam 1] naartoe moet op ‘HS’. De rechtbank begrijpt dat hiermee het station in Den Haag wordt bedoeld.
Gelet op het voorgaande stelt de rechtbank vast dat de verdachte een significante rol heeft gespeeld bij de (voorbereiding van de) invoer van cocaïne door [achternaam 2]. Hij heeft [achternaam 2] geregeld als smokkelaar en is betrokken bij het regelen van de vlucht en het ophalen van [achternaam 2].
3.3.2.2. De invoer van cocaïne door koerier [achternaam 1] (zaaksdossier C4)
Naar aanleiding van de invoer van cocaïne door koerier [achternaam 2] op 17 januari 2021 is de medeverdachte [naam 1] aangehouden. In zijn telefoon zijn chatgesprekken aangetroffen waaruit blijkt dat de verdachte (met telefoonnummer 7512) op 4 januari 2021 een foto van het paspoort van M.H. [achternaam 1] naar [naam 1] stuurt. Hij stuurt vervolgens “Rolstoel, 42 jaar maar zij lijkt niet ziek”. [naam 1] vraagt of hij ze samen of afzonderlijk wil zetten, waarop de verdachte antwoordt dat hij ze afzonderlijk wil zetten, waarbij hij prijzen van de tickets noemt. Vervolgens wordt onderling gesproken over het regelen van een afhaler en over de beloning voor die persoon. Uit de chats blijkt dat zowel de verdachte als [naam 1] een afhaler hebben gevonden. Op 17 januari 2021 om 08:47 uur, kort na de vermoedelijke geslaagde invoer door koerier [achternaam 1], stuurt de verdachte naar [naam 1] dat de vrouw al op de snelweg is en dat hij het gaat regelen.
Ter terechtzitting heeft de verdachte verklaard dat hij tegen een vergoeding ook [achternaam 1] als koerier had geregeld om cocaïne te smokkelen. De verdachte heeft hiertoe haar paspoortgegevens doorgestuurd naar een contact zodat [achternaam 1] naar Curaçao kon vertrekken. Ook heeft hij verklaard dat hij de koffer van [achternaam 1] heeft opgehaald. Toen hij thuis kwam, bleken er echter geen drugs in de koffer te zitten. De rechtbank ziet in het dossier geen enkel aanknopingspunt voor de – voor het eerst ter terechtzitting afgelegde – verklaring van de verdachte dat [achternaam 1] een koffer zonder cocaïne vervoerd en afgegeven zou hebben, terwijl dat wel voor de hand zou hebben gelegen gezien de uitvoerige correspondentie omtrent haar reis. Gelet op dezelfde modus operandi als bij de invoer door koerier [achternaam 2] op dezelfde vlucht – die ook (mede) door de verdachte is georganiseerd – is de rechtbank van oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat er cocaïne in de koffer van [achternaam 1] heeft gezeten. Dat het dossier geen rapport bevat ter vaststelling van de cocaïne in de koffer, doet daar niet aan af.
Gelet op het voorgaande stelt de rechtbank vast dat de verdachte ook een significante rol heeft gespeeld bij de (voorbereiding van de) invoer van cocaïne door [achternaam 1]. Hij heeft haar geregeld als smokkelaar, is betrokken bij het regelen van de vlucht en een afhaler en bij het ophalen van haar koffer.
3.3.2.3. Is sprake van medeplegen?
Voor de kwalificatie medeplegen is vereist dat sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking die gericht is op het verrichten van de ten laste gelegde gedraging. Die kwalificatie is alleen gerechtvaardigd als de bewezenverklaarde – intellectuele en/of materiële – bijdrage van de verdachte aan het delict van voldoende gewicht is. Bij de beoordeling van de vraag of sprake is van de voor de kwalificatie medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking kan onder meer rekening worden gehouden met de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip.
De rechtbank stelt voorop dat een nauwe en bewuste samenwerking is vereist om bagage met cocaïne vanuit het buitenland Nederland in te voeren. Bij de beoordeling van de vraag of in het onderhavige geval ten aanzien van de verdachte sprake is van medeplegen van de invoer van cocaïne en het medeplegen van het verrichten van voorbereidingshandelingen die zien op de invoer van cocaïne, moet worden gekeken naar het geheel van de gedragingen van de verdachte en het gewicht van de rol van de verdachte.
Uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte verantwoordelijk is geweest voor het regelen van [achternaam 2] en [achternaam 1] als drugskoeriers. Ook heeft hij contact gehad met medeverdachte [naam 1] over de reis van de drugskoeriers en over het ophalen van hen dan wel het ophalen van de door hen ingevoerde cocaïne. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat de verdachte nauw betrokken is geweest bij de invoer van cocaïne en bij de voorbereidingshandelingen om die invoer tot stand te brengen. De verdachte heeft daarbij een organisatorische en faciliterende rol gehad die cruciaal is geweest op verschillende momenten bij (de voorbereiding van) de invoer van de cocaïne. De verdachte is immers betrokken geweest bij de voorbereiding van de invoer en in de periode aansluitend op de invoer. Deze gedragingen maken dat sprake is van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking die leidt tot de bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten.
3.4.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, in die zin dat
Feit 1
hij op 17 januari 2021 in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, telkens opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht cocaïne, waaronder de onder de – al dan niet reeds veroordeelde – (drugs)koerier
en een onbekend gebleven hoeveelheid cocaïne ((drugs)koerier [achternaam 1], zaaksdossier C4).
Feit 2
hij in de periode 4 januari 2021 tot en met 18 januari 2021 in Nederland en/of Curaçao tezamen en in vereniging met een ander of anderen, om een feit, bedoeld in het vijfde lid van artikel 10 vanPro de Opiumwet, te weten het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen van cocaïne, waaronder de onder de – al dan niet reeds veroordeelde – (drugs)koerier
en een onbekend gebleven hoeveelheid cocaïne ((drugs)koerier [achternaam 1], zaaksdossier C4)
in elk geval telkens hoeveelheden van een materiaal bevattende cocaïne, voor te bereiden en te bevorderen,
- een of meer anderen heeft getracht te bewegen om die feiten te plegen, mede te plegen en om daarbij behulpzaam te zijn en om daartoe gelegenheid en middelen te verschaffen,
immers hebben verdachte en zijn medeverdachten daartoe tezamen en in vereniging,
- een of meer (drugs)koeriers benaderd (te weten de (drugs)koeriers benoemd in zaaksdossiers C1 en C4) om cocaïne mee te nemen van Curaçao naar Nederland en
- ( telefonisch) contact (al dan niet via WhatsApp) met zijn, verdachtes, mededader(s) onderhouden, al dan niet om aan te sturen en instructies en aanwijzingen te ontvangen en te versturen en afspraken te maken over het (laten) afhalen van die voornoemde (drugs)koeriers en informatie gedeeld over (de reizen van) een of meer van die (drugs)koeriers en
- afbeeldingen/foto’s van documenten betreffende/toebehorend aan voornoemde (drugs)koeriers, waaronder vliegtickets en paspoorten en
- voor een of meer voornoemde drugskoerier(s) vliegtickets geboekt en/of laten boeken en
- zich op een datum in voornoemde periode, te weten op 17 januari 2021, naar de treinstations Den Haag Centraal en/of Hollands Spoor begeven, teneinde die [achternaam 2] af te halen en
- personen, waaronder in ieder geval [naam 3] en [naam 4] (zaaksdossier C4) bewogen zich tegen een vergoeding in voornoemde periode naar Schiphol te begeven, teneinde een of meer (drugs)koeriers, waaronder in ieder geval [achternaam 1] af te halen en
- ontmoetingen met (afhalers van) voornoemde (drugs)koeriers te organiseren, teneinde hoeveelheden verdovende middelen in ontvangst te nemen.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.
Wat aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
4.Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten
Het bewezenverklaarde levert op:
de eendaadse samenloop van:
feit 1: medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onderPro A van de
Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;
en
feit 2: medeplegen van om een feit, bedoeld in het vijfde lid van artikel 10 vanPro de Opiumwet, voor te bereiden en/of te bevorderen, een ander trachten te bewegen om dat feit te plegen en/of mede te plegen, om daarbij behulpzaam te zijn en om daartoe gelegenheid en middelen te verschaffen, meermalen gepleegd.
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is dan ook strafbaar.
5.Strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dan ook strafbaar.
6.Motivering van de sanctie
6.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 13 maanden, met aftrek van het voorarrest. De officier van justitie heeft hierbij een strafkorting van 25% toegepast wegens overschrijding van de redelijke termijn.
6.2.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht bij de strafoplegging rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Hij draagt de zorg voor zijn gezin en zijn zieke moeder. De verdachte heeft destijds een verkeerde beslissing genomen en sinds de opheffing van de voorlopige hechtenis zijn leven veranderd. De raadsman heeft verzocht geen langere onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen dan het voorarrest, met eventueel nog een taakstraf of een voorwaardelijke straf als stok achter de deur.
6.3.
Oordeel van de rechtbank
Bij de beslissing over de sanctie die aan de verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.
Ernst van de feiten
De verdachte heeft zich samen met anderen bezig gehouden met (het voorbereiden van) de invoer van cocaïne vanuit Curaçao naar Nederland. De cocaïne zat verstopt in de bagage van de koeriers. De verdachte stuurde onder meer paspoortgegevens van de koeriers door naar anderen, zorgde voor afhalers op Schiphol en besprak met zijn medeverdachte(n) hun geldelijke beloning en nam de cocaïne in ontvangst.
De verdachte heeft met zijn handelen een bijdrage geleverd aan de instandhouding van het internationale drugscircuit. Cocaïne is een voor de gezondheid van personen schadelijke stof. De ingevoerde hoeveelheid was zo groot dat deze bestemd moet zijn geweest voor verdere verspreiding en handel. De verspreiding van en handel in cocaïne gaan gepaard met vele andere vormen van ook zeer zware criminaliteit, zoals levensdelicten en witwassen.
Persoon van de verdachte
Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank gelet op het op naam van de verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad van de verdachte) van 5 januari 2026, waaruit blijkt dat de verdachte al eerder wegens een soortgelijk feit is veroordeeld. Omdat deze veroordeling van langere tijd geleden is, weegt de rechtbank dit niet in het nadeel van de verdachte mee.
Ook heeft de rechtbank kennisgenomen van het over de verdachte uitgebrachte reclasseringsrapport van 16 januari 2026. Omdat de verdachte de ten laste gelegde feiten bij de reclassering heeft ontkend, kan het risico op recidive niet worden ingeschat. De reclassering vindt reclasseringsinterventies of toezicht niet nodig.
Op te leggen straf
De aard en de ernst van de feiten en de hoeveelheid ingevoerde cocaïne rechtvaardigen naar het oordeel van de rechtbank zonder meer een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur. Bij het bepalen van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank gekeken naar de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) en naar straffen die rechters in vergelijkbare zaken hebben opgelegd. Alles afwegende acht de rechtbank in beginsel een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden passend en geboden.
De rechtbank ziet echter in het tijdsverloop in deze zaak aanleiding om de straf te verlagen. In artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is het recht van iedere verdachte gewaarborgd om binnen een redelijke termijn te worden berecht. Als uitgangspunt heeft hierbij te gelden dat de behandeling van een zaak ter terechtzitting moet zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden, zoals de ingewikkeldheid van de zaak, de invloed van de verdachte op het procesverloop en de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld.
De rechtbank is van oordeel dat de redelijke termijn is aangevangen op 23 mei 2021, omdat de verdachte op deze datum in deze zaak inhoudelijk is verhoord en hij daaraan in redelijkheid de verwachting kon ontlenen dat tegen hem strafvervolging zou worden ingesteld. Omdat het eindvonnis op 12 februari 2026 wordt gewezen en de rechtbank van oordeel is dat de overschrijding niet aan de verdachte valt toe te rekenen of anderszins is gebleken van bijzondere omstandigheden, is sprake van een overschrijding van de redelijke termijn van (ruim) twee jaar en acht maanden. Een overschrijding van de redelijke termijn wordt in de regel gecompenseerd door vermindering van de straf die zou zijn opgelegd als de redelijke termijn niet zou zijn overschreden. Het tijdsverloop in deze zaak, waardoor de verdachte lang in onzekerheid heeft moeten verkeren over de afloop ervan, resulteert er in dat de rechtbank conform de eis van de officier van justitie de op te leggen gevangenisstraf vermindert met 25% (afgerond 5 maanden).
Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 13 maanden passend en geboden, met aftrek van de reeds in voorarrest doorgebrachte tijd. De tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 vanPro het Wetboek van Strafvordering.
7.Toepasselijke wettelijke voorschriften
De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:
47 en 55 van het Wetboek van Strafrecht;
2, 10 en 10a van de Opiumwet.
8.Beslissing
De rechtbank:
Verklaart bewezen dat de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven.
Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.
Bepaalt dat de bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren.
Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 13 (dertien) maanden.
Bepaalt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door
mr. C.S. Schoorl, voorzitter,
mr. P.A. Hesselink en mr. C.M.A.V. van Kleef, rechters,
in tegenwoordigheid van de griffier mr. A.I. Hoedjes,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 12 februari 2026.
Bijlage I – De tenlastelegging
Feit 1
hij, op of omstreeks 17 januari 2021 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer en/of Den Haag, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, eenmaal of meermalen (telkens) opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland (al dan niet als bedoeld in artikel 1 lid 4 vanPro de Opiumwet) heeft gebracht, (een of meer) hoeveelheden cocaïne, waaronder de onder de
in elk geval (telkens) een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, althans bevattende een (ander) middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
Feit 2
hij, op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode 4 januari 2021 tot en met 18 januari 2021 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer en/of Den Haag en/of Spijkenisse en/of Drachten en/of Surhuisterveen en/of Vught en/of Kerkrade en/of Hoogmade, althans in Nederland en/of Curaçao tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 vanPro de Opiumwet, te weten het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen van (een of meer) hoeveelheden cocaïne, waaronder de onder de – al dan niet reeds veroordeelde – (drugs)koeriers
en/of een onbekend gebleven hoeveelheid cocaïne ((drugs)koerier [achternaam 1],
zaaksdossier C4)
in elk geval telkens hoeveelheden van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst 1, voor te bereiden en/of te bevorderen,
- een of meer anderen heeft getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen, te doen plegen, mede te plegen, uit te lokken en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen, en/of
- een of meer anderen de gelegenheid en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(en) heeft getracht te verschaffen immers heeft/hebben/is/zijn verdachte en/of zijn medeverdachte(n) (daartoe) tezamen en in vereniging, althans alleen,
- een of meer (drugs)koeriers benaderd (te weten de (drugs)koeriers benoemd in zaaksdossiers C1 en/of C4) om verdovende middelen en/of cocaïne mee te nemen van Curaçao naar Nederland en/of die (drugs)koeriers voorzien van voornoemde verdovende middelen en/of cocaïne en/of
- ( telefonisch) contact (al dan niet via WhatsApp) met zijn, verdachtes, mededader(s) onderhouden, al dan niet om aan te sturen en/of instructies en/of aanwijzingen te ontvangen en/of te versturen en/of afspraken te maken over het (laten) afhalen van die voornoemde (drugs)koeriers en/of informatie gedeeld over (de reizen van) een of meer van die (drugs)koeriers en/of
- afbeeldingen/foto’s van documenten betreffende/toebehorend aan voornoemde (drugs)koeriers, waaronder vliegtickets en/of paspoorten en/of een dagvaarding aan/van zijn medeverdachte(n) verstuurd/ontvangen en/of
- aan een of meer voornoemde drugskoerier(s) handgeld gegeven en/of geld gegeven teneinde vliegtickets van te betalen en/of voor een of meer drugskoerier(s) vliegtickets geboekt en/of laten boeken en/of
- voor een of meer voornoemde drugskoerier(s) hotelkamers en/of taxi’s betaald en/of laten betalen en/of
- zich op een of meer data in voornoemde periode, te weten (in ieder geval) op 17 januari 2021, zijnde de data van aankomst van die [achternaam 2] (zaaksdossier C1), naar de treinstations Den Haag Centraal en/of Hollands Spoor begeven, teneinde die [achternaam 2] af te halen en/of
- een of meer personen, waaronder in ieder geval [naam 3] en/of [naam 4] (zaaksdossier C4) bewogen/opgedragen zich al dan niet tegen een vergoeding op een of meer data in voornoemde periode naar Schiphol te begeven, teneinde een of meer (drugs)koeriers, waaronder in ieder geval [achternaam 1] af te halen en/of
- ontmoetingen met (afhalers van) voornoemde (drugs)koeriers te organiseren, teneinde hoeveelheden verdovende middelen in ontvangst te nemen.