3.3.2.Nadere bewijsoverwegingen
De verdachte wordt verweten dat hij betrokken is geweest bij de invoer van cocaïne door meerdere koeriers en van voorbereidingshandelingen daartoe. In het onderzoek zijn onder meer de telefoonnummers [telefoonnummer 1] (hierna ook: 1075) met alias ‘[naam 1]’ en [telefoonnummer 2] (hierna ook: 4055) met alias ‘[naam 2]’ in beeld gekomen als betrokken bij de organisatie van de ten laste gelegde feiten. De rechtbank ziet zich allereerst voor de vraag gesteld of de verdachte de gebruiker is geweest van deze telefoonnummers.
3.3.2.1. Identificatie verdachte als gebruiker van de telefoonnummers 1075 en 4055
De rechtbank acht bewezen dat de verdachte de gebruiker is geweest van deze telefoonnummers en betrekt hierbij de volgende feiten en omstandigheden.
1075
Uit het dossier volgt allereerst dat de gebruiker van het nummer 1075 ‘[naam 1]’ wordt genoemd, wat een afkorting kan zijn van ‘[voornaam 1]’, de voornaam van de verdachte. Ook bevat het dossier een chatgesprek van 25 november 2020 tussen de medeverdachte [naam 3] en ‘[naam 4]’. [naam 4] betekent in het Papiaments ‘de vriendin van [naam 1]’. In dat gesprek wordt door [naam 4] naar [naam 3] gestuurd dat ‘[naam 1]’ vandaag wel is gegaan en er wordt een afbeelding gestuurd van een man met rastahaar die een vliegtuig in wordt begeleid. Dat komt overeen met een mutatie uit de politiesystemen waaruit blijkt dat de verdachte op 25 november 2020 middels militaire bijstand van Curaçao naar Nederland is vervoerd.
Daar komt bij dat het dossier een screenshot (dossierpagina 922) bevat van een Facetimegesprek tussen [naam 3] en het telefoonnummer 1075 met alias ‘[naam 1]’. Op het screenshot zijn twee mannen te zien, waarbij de ene man wordt herkend als [naam 3], en de andere man volgens de politie sterke gelijkenissen vertoont met de verdachte.
4055
Uit het dossier volgt ook dat de gebruiker van het nummer eindigend op 4055 met alias ‘[naam 2]’ op 16 oktober 2020 naar [naam 3] stuurt “Ik ben veranderd man”, dat hij iets ging regelen maar dat het fout ging en dat het hem veel hoofdpijn gaf. Uit het dossier blijkt dat koerier [naam 5] (zaaksdossier C6), ten aanzien waarvan de verdachte hieronder als medepleger van invoer zal worden aangemerkt, een dag eerder op Schiphol is aangehouden met ruim twaalf kilogram cocaïne in zijn koffer. Op 22 oktober 2020 wordt door de gebruiker van 4055 naar [naam 3] (door)gestuurd dat [naam 3] € 50,00 moet overmaken, stuurt daarbij een foto van het paspoort van koerier [naam 5] en vraagt “hoe was het gegaan met namens mij 50 euro zetten voor die klojo die vast zit”. Na 16 oktober 2020 zijn geen berichten meer door het nummer 1075 ([naam 1]) naar [naam 3] gestuurd.
De politie heeft op basis van de klank en intonatie van afgeluisterde voiceberichten geverbaliseerd dat de gebruiker van telefoonnummers 1075 ([naam 1]) en 4055 ([naam 2]) dezelfde persoon betreft.
Conclusie
De rechtbank is op grond van het bovenstaande, in onderlinge samenhang bezien, van oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte de gebruiker was van het telefoonnummers eindigend op 1075 en 4055.
Het verweer van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat de stemherkenning van de gebruiker van de nummers 1075 en 4055 als dezelfde persoon niet voor het bewijs gebruikt kan worden, omdat deze herkenning is gedaan door verbalisanten en niet door een deskundige. De rechtbank ziet, mede in het licht van de overige bewijsmiddelen, echter geen reden om aan deze vaststelling van verbalisanten te twijfelen.
3.3.2.2. De invoer van cocaïne door koerier [achternaam 1] (zaaksdossier C1)
Met de officier van justitie en de raadsman is de rechtbank van oordeel dat het dossier onvoldoende wettig en overtuigend bewijs bevat dat de verdachte betrokken is geweest bij de invoer van cocaïne door [achternaam 1] dan wel bij de voorbereiding daarvan. De verdachte zal daarom partieel worden vrijgesproken van beide feiten.
3.3.2.3. De invoer van cocaïne door koeriers [naam 6], [naam 7] en [naam 8] (zaaksdossier C2)
Op 18 januari 2021 zijn [naam 6], zijn partner [naam 7] en diens vriendin [naam 8] vanuit Curaçao aangehouden op de luchthaven Schiphol. Na onderzoek bleek dat zij alle drie bollen met cocaïne in hun lichaam vervoerden. De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij contact heeft gelegd tussen [naam 6], [naam 7] en [naam 8] en een medeverdachte en dat het plan was om te smokkelen.
Het telefoonnummer +[telefoonnummer 3] was in gebruik bij de medeverdachte [naam 3]. Uit de telefoongegevens van [naam 3] blijkt dat hij voorafgaand aan de invoer contact had met de gebruiker van het telefoonnummer +[telefoonnummer 4] onder de naam ‘[voornaam 2]’. Uit onderzoek is gebleken dat dit koerier [naam 6] betreft. Uit hun onderlinge chatgesprekken blijkt dat [naam 6] op verzoek van [naam 3] foto’s van de paspoorten van hemzelf, [naam 7] en [naam 8] stuurt. Er wordt gesproken over tickets en een verblijfplaats. [naam 3] stuurt dat hij ook wil ‘eten’ en dat hij echt blij is als [naam 6] gaat.
Het dossier bevat ook uitgewerkte Teliogesprekken tussen [naam 3] en de verdachte vanuit detentie. In deze gesprekken zegt de verdachte tegen [naam 3] dat zij [voornaam 2] onder controle moeten hebben. Op 17 december 2020 zegt [naam 3] tegen de verdachte dat de man gisteren wat heeft ‘gebookt’ voor hem en zijn vrouw en dat het bijna € 1.500,00 kostte. De verdachte zegt dat de man niet kan bepalen en vraagt vervolgens het telefoonnummer van de man aan [naam 3], zodat hij hem zelf gaat bellen. [naam 3] noemt vervolgens het telefoonnummer van [naam 6]. Op 23 december 2020 spreken zij onderling weer over [voornaam 2]. De verdachte zegt dat [naam 3] een serieus gesprek moet voeren met [voornaam 2], dat hij controle moet hebben en dat [naam 3] tegen de verdachte moet zeggen wat ze gaan doen. Hij zegt dat ze voor drie moeten kopen maar dat hij het echtpaar en de vriendin apart aan de andere kant wil laten gaan, omdat als er één fout gaat het anders voor hen allen is verkloot.
Uit het voorgaande leidt de rechtbank af dat de verdachte met [naam 3] heeft gesproken over het door [naam 6], [naam 7] en [naam 8] uit te voeren drugstransport. Zij zijn alle drie op Schiphol aangehouden met cocaïne in hun lichaam. De verdachte heeft een significante rol gespeeld bij (de voorbereiding van) deze invoer. Hij heeft [naam 6], [naam 7] en [naam 8] geregeld als smokkelaar, is betrokken geweest bij het regelen van de vlucht en stuurt een medeverdachte aan.
Alternatief scenario verdediging
De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij via Telio wel heeft gesproken over een plan om te smokkelen en dat hij daartoe contact had gelegd tussen de drie namen en een medeverdachte, maar dat de smokkel niet is doorgegaan omdat ze teveel eisen hadden. De koerier [naam 6] heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat hij wel heeft gesproken met [naam 3] om de reis te maken, maar dat hij uiteindelijk niets voor hem heeft gedaan.
De rechtbank volgt dit alternatieve scenario niet. Tussen [naam 6] en [naam 3] en tussen [naam 3] en de verdachte is gesproken over de smokkel door [naam 6], zijn partner en diens vriendin. Op 18 januari 2021 hebben zij daadwerkelijk cocaïne ingevoerd in Nederland. De smokkel van het drietal is exact gegaan zoals in de voornoemde chats onderling is besproken. Het dossier bevat geen aanknopingspunten voor de beweerde situatie dat er nog een - onbekend gebleven - persoon tussen is gekomen voor wie de cocaïne uiteindelijk is gesmokkeld. Op grond van het voorgaande acht de rechtbank dit scenario niet aannemelijk en wordt aan dit verweer voorbijgegaan.
3.3.2.4. De invoer van cocaïne door koerier [naam 9] (zaaksdossier C3)
Op 7 september 2020 is [naam 9] op Curaçao aangehouden op de luchthaven te Hato. [naam 9] droeg onder zijn broek een geprepareerde boxershort met daarin drie pakketten. De pakketten bevatten samen bijna 1500 gram witachtig poeder. Het poeder werd getest en gaf een blauwe kleurreactie, waardoor werd aangenomen dat het poeder cocaïne betrof. [naam 9] verklaarde dat hij wist dat het cocaïne was en dat zijn doel was om dit naar Nederland te vervoeren.
Vrijspraak feit 1 (invoer)
De koerier [naam 9] is reeds op de luchthaven te Curaçao aangehouden. De uitvoer had weliswaar een aanvang genomen, maar [naam 9] heeft Curaçao nooit verlaten met de cocaïne. Dat maakt dat geen sprake is van het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen van cocaïne. De rechtbank zal de verdachte daarom vrijspreken van feit 1.
Bewezenverklaring feit 2 (voorbereidingshandelingen)
De rechtbank acht wel bewezen dat de verdachte betrokken is geweest bij voorbereidingshandelingen van de invoer van cocaïne. Uit de chatgesprekken blijkt dat de verdachte op 25 augustus 2020 een foto van het paspoort van [naam 9] naar [naam 3] stuurt. Ook stuurt hij op 30 augustus 2020 een video naar [naam 3] waarop een man te zien is die een zwartkleurige broek draagt en rondom zijn bovenbenen aan het voelen is. De verdachte stuurt daarbij een bericht dat de man het ding paste met zijn pak, dat er iets kleins is dat geprepareerd moet worden, dat hij het naar het midden van zijn bovenbeen wil trekken en dat je het niet ziet. [naam 3] reageert dat het netjes staat, dat de man het goed doet en dat je het inderdaad een beetje ziet maar niet als hij het een beetje opschuift. De verdachte zegt dat hij het aan de ene kant ook zag omdat hij een hand zette bij de broek, maar dat als hij het aantrekt hij een plakband doet bij zijn bovenbeen. [naam 3] reageert dat ze wachten op de dag. De rechtbank leidt uit het voorgaande af dat tussen de verdachte en [naam 3] wordt gesproken over de voorbereiding van de invoer van drugs en acht feit 2 ten aanzien van koerier [naam 9] dan ook wettig en overtuigend bewezen.
3.3.2.5. De invoer van cocaïne door koerier [naam 5] (zaaksdossier C5)
Uit de chatgesprekken tussen [naam 3] en de verdachte blijkt dat de verdachte op 10 augustus 2020 contactgegevens en een foto van het paspoort van W.J. [naam 5] naar [naam 3] stuurt. [naam 3] vraagt vervolgens of hij moet boeken en of de verdachte het telefoonnummer van de man kan sturen. [naam 3] stuurt vervolgens gegevens van een vlucht [vluchtnummer] van Curaçao naar Nederland op 20 augustus 2020 met aankomsttijd 07:50 uur een dag later. Uit de gevorderde gegevens van KLM volgt dat koerier [naam 5] een boeking had op deze vlucht.
Op 21 augustus 2020, zijnde de dag dat [naam 5] vanuit Curaçao in Amsterdam is aangekomen, chatten de verdachte en [naam 3] onderling over het ophalen van [naam 5] door [naam 3]. De verdachte stuurt vervolgens dat ‘hij’ al een hele tijd buiten is en dat [naam 3] geen rondjes moet blijven doen. De verdachte stuurt een foto van de buitenzijde van Schiphol met de vermelding dat de man daar is. Hij stuurt dat de man zelf een taxi pakt en dat [naam 3] een adres moet sturen. [naam 3] stuurt vervolgens het adres [adres]. Ongeveer een uur later stuurt [naam 3] naar de verdachte dat de man aan het kakken is. De verdachte reageert dat hij dat wilde horen en dat hij het wel goed met hem moet tellen. [naam 3] stuurt naar de verdachte dat hij er 19 heeft neergegooid en later nog dat hij er 31 heeft uitgehaald.
Gelet op het voorgaande stelt de rechtbank vast dat de verdachte een significante rol heeft gespeeld bij de voorbereiding van en de latere invoer van cocaïne door [naam 5]. Hij is betrokken bij het regelen van de vlucht en bij het ophalen van [naam 5]. Ook wordt hij op de hoogte gehouden van het uitwinnen van de bolletjes cocaïne.
3.3.2.6. De invoer van cocaïne door koerier [naam 5] (zaaksdossier C6)
Op 15 oktober 2020 is W.J. [naam 5] aangehouden op de luchthaven Schiphol met meerdere pakketten in zijn koffer. [naam 5] reisde vanuit Curaçao naar Nederland. Na onderzoek van de pakketten in zijn koffer is gebleken dat [naam 5] in totaal ruim twaalf kilo cocaïne heeft ingevoerd. Uit zijn telefoongegevens bleek dat hij contact had met de verdachte. Op 14 september 2020 vraagt de verdachte aan [naam 5] of hij weer wil gaan. [naam 5] antwoordt bevestigend en dat de kust nu veilig is. Op 16 september 2020 stuurt de verdachte naar [naam 5] “Broer 6 duizend euro krijg je als het 6 blokken zijn" en “1000 voor elk 1. En je loopt weinig”. De verdachte legt uit hoe de smokkel zal plaatsvinden. [naam 5] stuurt desgevraagd een foto van zijn paspoort naar de verdachte.
Op 22 september 2020 stuurt de verdachte naar [naam 5] dat hij data zal sturen en “ga maar weg”. [naam 5] stuurt dat hij de 15e aankomt in Nederland en stuurt zijn reisschema door. Op 10 oktober 2020 stuurt [naam 5] “Broer, laat je ze vandaag nog de koffer bij brengen’’, waarop de verdachte bevestigend antwoordt.
De rechtbank stelt op basis van het voorgaande vast dat de verdachte nauw betrokken is geweest bij de smokkel door [naam 5]. De raadsman heeft subsidiair bepleit dat de verdachte enkel verantwoordelijk kan worden gehouden van de invoer van 600 gram cocaïne, omdat uit het chatgesprek op dossierpagina 1027 volgt dat de verdachte naar [naam 5] stuurt “Dus als je zelf je 100 regel is geen probleem. 600 van mij, 100 van jou wat je zelf kocht. Ik betaal je 3 duizend klaar”. De rechtbank verwerpt dit verweer omdat het door de inhoud van andere chatgesprekken wordt weerlegd. Bovendien heeft de verdachte door zijn betrokkenheid bij de invoer de aanmerkelijke kans aanvaard dat een grotere hoeveelheid verdovende middelen zou worden ingevoerd. De verdachte heeft met zijn handelen ten minste voorwaardelijk opzet gehad op de invoer van de totale hoeveelheid aangetroffen cocaïne door koerier [naam 5].
3.3.2.7. De invoer van cocaïne door koerier [achternaam 2] (zaaksdossier C7)
Met de officier van justitie en de raadsman is de rechtbank van oordeel dat het dossier onvoldoende wettig en overtuigend bewijs bevat dat de verdachte betrokken is geweest bij de invoer van cocaïne door [achternaam 2] dan wel bij de voorbereiding daarvan. De verdachte zal ten aanzien hiervan daarom gedeeltelijk worden vrijgesproken van beide feiten.
3.3.2.8. Is sprake van medeplegen?
Voor de kwalificatie medeplegen is vereist dat sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking die gericht is op het verrichten van de ten laste gelegde gedraging. Die kwalificatie is alleen gerechtvaardigd als de bewezenverklaarde – intellectuele en/of materiële – bijdrage van de verdachte aan het delict van voldoende gewicht is. Bij de beoordeling van de vraag of sprake is van de voor de kwalificatie medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking kan onder meer rekening worden gehouden met de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip.
De rechtbank stelt voorop dat een nauwe en bewuste samenwerking is vereist om bagage met cocaïne vanuit het buitenland Nederland in te voeren. Bij de beoordeling van de vraag of in het onderhavige geval ten aanzien van de verdachte sprake is van medeplegen van de invoer van cocaïne en het medeplegen van het verrichten van voorbereidingshandelingen die zien op de invoer van cocaïne, moet worden gekeken naar het geheel van de gedragingen van de verdachte en het gewicht van de rol van de verdachte.
Uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte verantwoordelijk is geweest voor het regelen van meerdere drugskoeriers. Verder heeft hij contact gehad met koeriers en een medeverdachte over de vluchten en over het ophalen van hen dan wel het ophalen van de door hen ingevoerde cocaïne. Ook heeft de verdachte een rol gehad bij de verstrekking van een koffer (met cocaïne) aan koerier [naam 5]. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat de verdachte nauw betrokken is geweest bij de invoer van cocaïne en bij de voorbereidingshandelingen om die invoer tot stand te brengen. De verdachte heeft daarbij een organisatorische en faciliterende rol gehad die cruciaal is geweest op verschillende momenten bij (de voorbereiding van) de invoer van de cocaïne. De verdachte is immers betrokken geweest bij de voorbereiding van de invoer en in de periode aansluitend op de invoer. Deze gedragingen maken dat sprake is van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking die leidt tot de bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten.