ECLI:NL:RBNHO:2026:1530

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
12 februari 2026
Publicatiedatum
18 februari 2026
Zaaknummer
15/136052-21
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OpiumwetArt. 10 OpiumwetArt. 10a OpiumwetArt. 47 SrArt. 55 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling medeplegen invoer en voorbereiding van cocaïne vanuit Curaçao naar Nederland

De rechtbank Noord-Holland heeft verdachte schuldig bevonden aan medeplegen van het opzettelijk binnenbrengen van cocaïne in Nederland en het medeplegen van voorbereidingshandelingen daartoe, gepleegd in de periode van augustus 2020 tot januari 2021.

De bewezenverklaring is gebaseerd op uitgebreid bewijsmateriaal, waaronder chatberichten, telefoongegevens en getuigenverklaringen, die aantonen dat verdachte een organiserende en faciliterende rol had bij het regelen van koeriers, het boeken van tickets, het regelen van hotels en het ophalen van koeriers op Schiphol en andere locaties. De rechtbank oordeelde dat verdachte nauw betrokken was bij meerdere invoeracties en voorbereidingshandelingen.

Verdachte werd vrijgesproken van het feit dat hij betrokken was bij de daadwerkelijke invoer door koerier [naam 4], omdat deze nooit Nederland heeft bereikt met de cocaïne. De rechtbank legde een gevangenisstraf van 31 maanden op, met aftrek van voorarrest, waarbij een strafvermindering van 25% werd toegepast wegens overschrijding van de redelijke termijn van ruim twee jaar en acht maanden.

De rechtbank hield rekening met de ernst van de feiten, de rol van verdachte in het internationale drugscircuit, en zijn persoonlijke omstandigheden, waaronder een laag recidiverisico volgens het reclasseringsrapport. De straf is lager dan de oorspronkelijke eis van 42 maanden vanwege de termijnoverschrijding.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 31 maanden gevangenisstraf voor medeplegen invoer en voorbereiding van cocaïne met strafvermindering wegens overschrijding redelijke termijn.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Team Straf, zittingsplaats Haarlem
Meervoudige strafkamer
Parketnummer: 15/136052-21 (P)
Uitspraakdatum: 12 februari 2026
Tegenspraak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 29 januari 2026 in de zaak tegen:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1978 te [geboorteplaats],
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres]
.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie,
mr. M. Duin, en van wat de verdachte en zijn raadsman, mr. S.R. Bordewijk, advocaat te Schiedam, naar voren hebben gebracht.

1.Tenlastelegging

De verdachte wordt verweten dat hij zich, kort en zakelijk weergegeven, schuldig heeft gemaakt aan de volgende feiten:
feit 1: het medeplegen van het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen van cocaïne in of omstreeks de periode van 21 augustus 2020 tot en met 18 januari 2021;
feit 2: het medeplegen van voorbereidingshandelingen voor het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen van cocaïne in of omstreeks de periode van 1 augustus 2020 tot en met 18 januari 2021.
De volledige tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

2.Voorvragen

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de zaak, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

3.Beoordeling van het bewijs

3.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten.
3.2.
Standpunt van de verdediging
Feit 1
De raadsman heeft vrijspraak bepleit ten aanzien van de koeriers [naam 1], [naam 2] en [naam 3] (zaaksdossier C2) omdat uit het dossier niet blijkt dat de verdachte betrokken is geweest bij de daadwerkelijke invoer.
Ten aanzien van de koerier [naam 4] (zaaksdossier C3) heeft de raadsman ook vrijspraak bepleit omdat de uitvoer vanuit Curaçao niet is voltooid. Bovendien bevat het dossier geen rapport van het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) om vast te stellen dat het daadwerkelijk om cocaïne ging.
Wat betreft koerier [naam 5] (zaaksdossier C4) heeft de raadsman vrijspraak bepleit omdat niet kan worden vastgesteld dat er daadwerkelijk cocaïne in haar koffer heeft gezeten.
Ten aanzien van koerier [naam 6] (zaaksdossier C7) heeft de raadsman ook verzocht de verdachte vrij te spreken. Het dossier bevat geen rapport van het NFI om vast te stellen dat daadwerkelijk cocaïne is ingevoerd en de verdachte kan zich niet herinneren dat hij bij deze invoer betrokken is geweest.
Wat betreft de koeriers [naam 7] (zaaksdossier C1) en [naam 8] (zaaksdossier C5) heeft de raadsman geen verweer gevoerd.
Feit 2
De raadsman heeft vrijspraak bepleit ten aanzien van de koerier [naam 5] (zaaksdossier C4), omdat niet kan worden vastgesteld dat er daadwerkelijk cocaïne in haar koffer heeft gezeten. Ten aanzien van de overige zaaksdossiers heeft de raadsman geen verweer gevoerd.
3.3.
Oordeel van de rechtbank
3.3.1.
Redengevende feiten en omstandigheden
De rechtbank komt tot een (gedeeltelijke) bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten op grond van de bewijsmiddelen die in de bijlage bij dit vonnis zijn opgenomen.
3.3.2.
Nadere bewijsoverwegingen
De verdachte wordt verweten dat hij betrokken is geweest bij de invoer van cocaïne door meerdere koeriers en van voorbereidingshandelingen daartoe. De rechtbank zal per zaaksdossier bespreken of de verdachte hierbij betrokken is geweest en bespreekt de feiten gezamenlijk.
3.3.2.1. De invoer van cocaïne door koerier [naam 7] (zaaksdossier C1)
Op 17 januari 2021 is L.M.B.V. [naam 7] aangekomen op de luchthaven Schiphol met in zijn koffer in totaal ruim negenhonderd gram cocaïne. [naam 7] heeft vervolgens met telefoonnummer [telefoonnummer 1] (hierna ook: 7512) afgesproken om een ontmoeting te laten plaatsvinden bij de Burger King op Den Haag Centraal. Verbalisanten hebben daar de verdachte aangehouden. De verdachte was ten tijde van zijn aanhouding aan het videobellen met de gebruiker van het nummer 7512, waar koerier [naam 7] ook contact mee had. De verdachte heeft verklaard dat hij door zijn contact [naam 9] was gevraagd om iemand op te halen van station Den Haag Centraal. Ter terechtzitting heeft hij verklaard dat hij probeerde om drugs naar Nederland te krijgen, maar dat dit niet is gelukt omdat de persoon die hij moest ophalen van het station werd aangehouden op Schiphol.
In de telefoon van de verdachte worden meerdere chatgesprekken met het contact [naam 9] met telefoonnummer 7512 aangetroffen. Uit deze gesprekken volgt dat [naam 9] op 4 januari 2021 een foto van het paspoort van [naam 7] naar [verdachte] stuurt. Ook stuurt [naam 9] naar [verdachte] dat hij aan het wachten is op ‘de man’, maar dat hij anders maar iemand anders moet regelen.
Naast het voorgaande blijkt uit de chatgesprekken ook dat [naam 9] op 7 januari 2021 de ticketgegevens van [naam 7] doorstuurt naar de verdachte. Ook spreken zij onderling over het afzonderlijk laten vliegen van [naam 7] en een andere koerier en over de ticketprijzen. De dag voorafgaand aan de invoer door [naam 7] stuurt [naam 9] naar de verdachte dat ‘de man’ misschien met de trein gaat en de verdachte dan ontmoet. Vervolgens stuurt hij het telefoonnummer van [naam 7] naar de verdachte met de opmerking dat dit de man is waar hij naartoe moet op ‘HS’. De rechtbank begrijpt dat hiermee het treinstation in Den Haag wordt bedoeld.
Gelet op het voorgaande stelt de rechtbank vast dat de verdachte een significante rol heeft gespeeld bij de (voorbereiding van de) invoer van cocaïne door [naam 7]. Hij is betrokken bij het regelen van de vlucht en bij het ophalen van [naam 7].
3.3.2.2. De invoer van cocaïne door koeriers [naam 1], [naam 2] en [naam 3] (zaaksdossier C2)
Op 18 januari 2021 zijn R.A. [naam 1], zijn partner M.M. [naam 2] en diens vriendin S.A. [naam 3] vanuit Curaçao aangehouden op de luchthaven Schiphol. Na onderzoek bleek dat zij alle drie bollen met cocaïne in hun lichaam vervoerden.
Uit de telefoongegevens van de verdachte blijkt dat hij voorafgaand aan de invoer contact had met de gebruiker van het telefoonnummer +[telefoonnummer 2] onder de naam ‘[voornaam 1]’. Uit onderzoek is gebleken dat dit koerier [naam 1] betreft. Uit hun onderlinge chatgesprekken blijkt dat [naam 1] op verzoek van de verdachte foto’s van de paspoorten van hemzelf, [naam 2] en [naam 3] stuurt. Er wordt gesproken over tickets en een verblijfplaats. De verdachte stuurt dat hij ook wil ‘eten’ en dat hij echt blij is als [naam 1] gaat.
Het dossier bevat ook uitgewerkte Teliogesprekken tussen de verdachte en de medeverdachte [naam 10] vanuit detentie. In deze gesprekken zegt [naam 10] tegen de verdachte dat zij [voornaam 1] onder controle moeten hebben. Op 17 december 2020 zegt de verdachte tegen [naam 10] dat de man gisteren wat heeft ‘
gebookt’voor hem en zijn vrouw en dat het bijna € 1.500,00 kostte. [naam 10] zegt dat de man niet kan bepalen en vraagt vervolgens het telefoonnummer van de man aan de verdachte, zodat hij hem zelf gaat bellen. De verdachte noemt vervolgens het telefoonnummer van [naam 1]. Op 23 december 2020 spreken zij onderling weer over [voornaam 1]. [naam 10] zegt dat de verdachte een serieus gesprek moet voeren met [voornaam 1], dat hij controle moet hebben en tegen [naam 10] moet zeggen wat ze gaan doen. Hij zegt dat ze voor drie moeten kopen maar dat hij het echtpaar en de vriendin apart aan de andere kant wil laten gaan, omdat als er één fout gaat het anders voor allen is verkloot.
Uit het voorgaande leidt de rechtbank af dat de verdachte met [naam 10] heeft gesproken over het door [naam 1], [naam 2] en [naam 3] uit te voeren drugstransport. Zij zijn alle drie op Schiphol aangetroffen met cocaïne in hun lichaam. De verdachte heeft een significante rol gespeeld bij (de voorbereiding van) deze invoer. Hij onderhoudt contact met de koerier [naam 1], fungeert als een tussenpersoon tussen de koerier en een medeverdachte en is betrokken bij het regelen van de vlucht.
3.3.2.3. De invoer van cocaïne door koerier [naam 4] (zaaksdossier C3)
Op 7 september 2020 is R.R. [naam 4] op Curaçao aangehouden op de luchthaven te Hato. [naam 4] droeg onder zijn broek een geprepareerde boxershort met daarin drie pakketten. De pakketten bevatten samen bijna 1500 gram cocaïne. [naam 4] verklaarde dat hij wist dat het cocaïne was en dat zijn doel was om dit naar Nederland te vervoeren.
Vrijspraak feit 1 (invoer)
De koerier [naam 4] is reeds op de luchthaven te Curaçao aangehouden. De uitvoer had weliswaar een aanvang genomen, maar [naam 4] heeft Curaçao nooit verlaten met de cocaïne. Dat maakt dat geen sprake is van het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen van cocaïne. De rechtbank zal de verdachte daarom vrijspreken van feit 1.
Bewezenverklaring feit 2 (voorbereidingshandelingen)
De rechtbank acht wel bewezen dat de verdachte betrokken is geweest bij voorbereidingshandelingen van de invoer van cocaïne. Uit de chatgesprekken blijkt dat de verdachte op 25 augustus 2020 een foto van het paspoort van [naam 4] doorstuurt. Hij ontvangt op 30 augustus 2020 een video waarop een man te zien is die een zwartkleurige broek draagt en rondom zijn bovenbenen aan het voelen is met een bericht dat de man het ding paste met zijn pak, dat er iets kleins is dat gerepareerd moet worden, dat hij het naar het midden van zijn bovenbeen wil trekken en dat je het niet ziet. De verdachte reageert dat het netjes staat, dat de man het goed doet en dat je het inderdaad een beetje ziet maar niet als hij het een beetje opschuift. Zijn contact reageert dat hij het aan de ene kant ook zag omdat hij een hand zette bij de broek, maar dat als hij het aantrekt hij een plakband doet bij zijn bovenbeen. De verdachte reageert dat ze wachten op de dag. De rechtbank leidt uit het voorgaande af dat tussen de verdachte en zijn contact wordt gesproken over de voorbereiding van de invoer van drugs en acht feit 2 ten aanzien van koerier [naam 4] dan ook wettig en overtuigend bewezen.
De raadsman heeft ter terechtzitting opgemerkt dat niet door een deskundige is onderzocht of koerier [naam 4] daadwerkelijk cocaïne bij zich droeg. De rechtbank gaat hieraan voorbij omdat zij de verdachte vrijspreekt van feit 1. Bij een bewezenverklaring van voorbereidingshandelingen voor de invoer van cocaïne hoeft niet te worden gedefinieerd dat het daadwerkelijk cocaïne betrof.
3.3.2.4. De invoer van cocaïne door koerier [naam 5] (zaaksdossier C4)
Naar aanleiding van de invoer van cocaïne door koerier [naam 7] (zaaksdossier C1) op 17 januari 2021 is de verdachte aangehouden. In zijn telefoon zijn chatberichten met het telefoonnummer +[telefoonnummer 3] met alias [naam 9] aangetroffen, waaruit blijkt dat [naam 9] op 4 januari 2021 een foto van het paspoort van M.H. [naam 5] naar de verdachte stuurt. Hij stuurt vervolgens “Rolstoel, 42 jaar maar zij lijkt niet ziek”. De verdachte vraagt of hij ze samen of afzonderlijk wil zetten, waarop [naam 9] antwoordt dat hij ze afzonderlijk wil zetten en noemt de prijzen van de tickets. Vervolgens wordt er onderling gesproken over het regelen van een afhaler en over de beloning daarvoor. Uit de chats blijkt dat zowel [naam 9] als de verdachte een afhaler hebben gevonden. Op 17 januari 2021 om 08:47 uur, vermoedelijk kort na de geslaagde invoer door koerier [naam 5], stuurt [naam 9] naar de verdachte dat de vrouw al op de snelweg is en dat hij het gaat regelen. Ter terechtzitting heeft de verdachte verklaard dat hij wist dat [naam 5] naar Schiphol zou komen.
De raadsman heeft vrijspraak bepleit omdat niet kan worden vastgesteld dat [naam 5] cocaïne in haar koffer vervoerde. De rechtbank ziet in het dossier geen enkel aanknopingspunt voor deze stelling. Gelet op de aard van de gevoerde gesprekken en dezelfde modus operandi als bij de invoer door koerier [naam 7] op dezelfde vlucht – die ook (mede) door de verdachte is georganiseerd – is de rechtbank van oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat er cocaïne in de koffer van [naam 5] heeft gezeten. Dat het dossier geen rapport bevat ter vaststelling dat het daadwerkelijk cocaïne betrof, doet daar niet aan af.
Gelet op het voorgaande stelt de rechtbank vast dat de verdachte ook een significante rol heeft gespeeld bij de (voorbereiding van de) invoer van cocaïne door [naam 5]. Hij is betrokken bij het regelen van de vlucht en bij het (laten) ophalen van [naam 5] van Schiphol.
3.3.2.5. De invoer van cocaïne door koerier [naam 8] (zaaksdossier C5)
De verdachte heeft ter terechtzitting bekend dat hij betrokken is geweest bij deze geslaagde invoer van cocaïne. Hij heeft verklaard dat hij koerier [naam 8] van Schiphol heeft opgehaald en een hotel voor hem heeft geregeld.
Uit onderzoek aan de telefoon van de verdachte zijn chatberichten met het telefoonnummer +[telefoonnummer 4] met alias [naam 11] aangetroffen. Hieruit blijkt dat de verdachte een foto van het paspoort van [naam 8] ontvangt en aan [naam 11] vraagt of hij moet boeken. Vervolgens stuurt de verdachte vluchtgegevens door, waaruit kan worden afgeleid dat hij een ticket heeft geboekt van Curaçao naar Amsterdam en weer retour.
Op 21 augustus 2020, zijnde de dag dat [naam 8] vanuit Curaçao in Amsterdam is aangekomen, chatten de verdachte en [naam 11] onderling over het ophalen van [naam 8] door de verdachte. Later die ochtend stuurt de verdachte naar [naam 11] dat de man aan het kakken is, dat hij er 19 heeft neergegooid en later dat hij er nog 31 heeft uitgehaald. De verdachte stuurt naar de koerier [naam 8] dat hij niets moet achterlaten in het hotel of het goed moet verstoppen omdat de kamer op naam van de verdachte staat. [naam 8] antwoordt dat hij nog bezig is maar er vandaag niet meer heeft uitgehaald en de dingen al heel goed heeft verstopt.
Gelet op het voorgaande stelt de rechtbank vast dat de verdachte een significante rol heeft gespeeld bij de (voorbereiding van de) invoer van cocaïne door [naam 8]. Hij is betrokken bij het regelen van de vlucht en een hotel en bij het ophalen van [naam 8]. Ook is hij betrokken bij het uitwinnen van de cocaïne en houdt hij [naam 11] daarvan op de hoogte.
3.3.2.6. De invoer van cocaïne door koerier [naam 6] (zaaksdossier C7)
Uit onderzoek aan de telefoon van de verdachte zijn chatberichten met het telefoonnummer +[telefoonnummer 5] met alias [naam 12] aangetroffen. Op 23 december 2020 ontvangt de verdachte van [naam 12] een foto van een man, een foto van het paspoort van E.A. [naam 6] en een afbeelding van een vliegticket van Curaçao naar Amsterdam op 26 december 2020. Het ticket staat op naam van E.A. [naam 6]. De verdachte reageert met “is goed”. Vervolgens wordt er tussen de verdachte en [naam 12] gesproken over hoeveelheden bollen, wat erbij in de koffer moet en wordt door [naam 12] een afbeelding van drugs gestuurd. Op 27 december 2020 stuurt de verdachte naar [naam 12] een screenshot van de aankomsttijd van de vlucht, bevestigt dat het is geland en geeft instructies aan [naam 12] wat er moet gebeuren als de man hem belt. [naam 12] stuurt vervolgens het telefoonnummer +[telefoonnummer 6] naar de verdachte. Dat nummer is vermoedelijk in gebruik bij de koerier [naam 6], nu de verdachte op 27 december 2020 aan de gebruiker van dat nummer vraagt hoe zijn vlucht was en waar ze zullen afspreken. Er wordt een ontmoeting overeengekomen bij de Jumbo te Kerkrade. Op 28 december 2020 stuurt de verdachte afbeeldingen naar [naam 12] waarop vermoedelijk verdovende middelen te zien zijn met het bericht dat het schoon is gekookt. De verdovende middelen liggen op een weegschaal waarbij de verdachte een bericht stuurt dat 332,5 van [naam 12] is.
Met inachtneming van de modus operandi die overeenkomt met andere zaaksdossiers, de rol van de verdachte en de inhoud van de chatberichten is de rechtbank van oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat de koerier [naam 6] op 27 december 2020 cocaïne heeft ingevoerd en dat de verdachte hierbij een significante rol heeft gespeeld. Gelet op de afbeeldingen van wit poeder die zijn uitgewisseld gaat de rechtbank ervan uit dat het cocaïne betrof. De rechtbank stelt vast dat de verdachte een significante rol heeft gespeeld bij de (voorbereiding van de) invoer van cocaïne door [naam 6]. Hij is op de hoogte van de vlucht en betrokken bij het ophalen van [naam 6] dan wel de door hem ingevoerde cocaïne. Ook spreekt hij af met de koerier, neemt de cocaïne in ontvangst en verdeelt dit.
3.3.2.7. Is sprake van medeplegen?
Voor de kwalificatie medeplegen is vereist dat sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking die gericht is op het verrichten van de ten laste gelegde gedraging. Die kwalificatie is alleen gerechtvaardigd als de bewezenverklaarde – intellectuele en/of materiële – bijdrage van de verdachte aan het delict van voldoende gewicht is. Bij de beoordeling van de vraag of sprake is van de voor de kwalificatie medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking kan onder meer rekening worden gehouden met de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip.
De rechtbank stelt voorop dat een nauwe en bewuste samenwerking is vereist om bagage met cocaïne vanuit het buitenland Nederland in te voeren. Bij de beoordeling van de vraag of in het onderhavige geval ten aanzien van de verdachte sprake is van medeplegen van de invoer van cocaïne en het medeplegen van het verrichten van voorbereidingshandelingen die zien op de invoer van cocaïne, moet worden gekeken naar het geheel van de gedragingen van de verdachte en het gewicht van de rol van de verdachte.
Uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte betrokken is geweest bij het regelen van meerdere drugskoeriers. Verder heeft hij contact gehad met koeriers en heeft hen opgehaald. Ook heeft de verdachte een hotel geregeld voor een van de koeriers en was betrokken bij het uitwinnen dan wel het in ontvangst nemen van de cocaïne. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat de verdachte nauw betrokken is geweest bij de invoer van cocaïne en bij de voorbereidingshandelingen om die invoer tot stand te brengen. De verdachte heeft daarbij een organisatorische en faciliterende rol gehad die cruciaal is geweest op verschillende momenten bij (de voorbereiding van) de invoer van de cocaïne. De verdachte is immers betrokken geweest bij de voorbereiding van de invoer en in de periode aansluitend op de invoer. Deze gedragingen maken dat sprake is van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking die leidt tot de bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten.
3.4.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, in die zin dat
Feit 1
hij in de periode van 21 augustus 2020 tot en met 18 januari 2021 in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, telkens opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht cocaïne, waaronder de onder de – al dan niet reeds veroordeelde – (drugs)koeriers
- [naam 7] (15.014491.21) (zaaksdossier C1) en
- [naam 1] (15.015331.21) (zaaksdossier C2) en
- [naam 2] (15.015330.21) (zaaksdossier C2) en
- [naam 3] (15.015266.21) (zaaksdossier C2)
aangetroffen hoeveelheden cocaïne
en onbekend gebleven hoeveelheden cocaïne ((drugs)koeriers [naam 5] en [naam 8] en [naam 6], zaaksdossiers C4, C5 en C7).
Feit 2
hij in de periode van 1 augustus 2020 tot en met 18 januari 2021 in Nederland en/of Curaçao tezamen en in vereniging met een ander of anderen, om een feit, bedoeld in het vijfde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet, te weten het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen van cocaïne, waaronder de onder de – al dan niet reeds veroordeelde – (drugs)koeriers
- [naam 7] (15.014491.21) (zaaksdossier C1) en
- [naam 1] (15.015331.21) (zaaksdossier C2) en
- [naam 2] (15.015330.21) (zaaksdossier C2) en
- [naam 3] (15.015266.21) (zaaksdossier C2) en
- [naam 4] (zaaksdossier C3)
aangetroffen hoeveelheden cocaïne
en onbekend gebleven hoeveelheden cocaïne ((drugs)koeriers [naam 5] en [naam 8] en [naam 6], zaaksdossiers C4, C5 en C7)
in elk geval telkens hoeveelheden van een materiaal bevattende cocaïne, voor te bereiden en te bevorderen,
- een of meer anderen heeft getracht te bewegen om die feiten te plegen, mede te plegen en om daarbij behulpzaam te zijn en om daartoe gelegenheid en middelen te verschaffen,
immers hebben verdachte en zijn medeverdachten daartoe tezamen en in vereniging,
- een of meer (drugs)koeriers benaderd (te weten de (drugs)koeriers benoemd in zaaksdossiers C1, C2, C3, C4, C5 en C7) om cocaïne mee te nemen van Curaçao naar Nederland en/of die (drugs)koeriers voorzien van cocaïne en
- ( telefonisch) contact (al dan niet via WhatsApp) met zijn, verdachtes, mededader(s) onderhouden, al dan niet om aan te sturen en instructies en aanwijzingen te ontvangen en te versturen en afspraken te maken over het (laten) afhalen van die voornoemde (drugs)koeriers en informatie gedeeld over (de reizen van) een of meer van die (drugs)koeriers en
- afbeeldingen/foto’s van documenten betreffende/toebehorend aan voornoemde (drugs)koeriers, waaronder vliegtickets en paspoorten en een dagvaarding aan/van zijn medeverdachte(n) verstuurd/ontvangen en
- voor een of meer voornoemde drugskoerier(s) vliegtickets geboekt en/of laten boeken en
- voor een of meer voornoemde drugskoerier(s) hotelkamers en taxi’s betaald en/of laten betalen en
- zich op data in voornoemde periode, naar de luchthaven Schiphol en/of treinstations Den Haag Centraal en/of Hollands Spoor begeven, teneinde die [naam 8] en/of [naam 4] en/of [naam 6] en/of [naam 7] af te halen en
- personen, waaronder in ieder geval [naam 13] en [naam 14] (zaaksdossier C4) bewogen zich tegen een vergoeding in voornoemde periode naar Schiphol te begeven, teneinde een of meer (drugs)koeriers, waaronder in ieder geval [naam 5] af te halen en
- ontmoetingen met (afhalers van) voornoemde (drugs)koeriers te organiseren, teneinde hoeveelheden verdovende middelen in ontvangst te nemen.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.
Wat aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4.Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten

Het bewezenverklaarde levert op:
(de eendaadse samenloop van)
Feit 1:
medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro A van de
Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.
Feit 2:
medeplegen van om een feit, bedoeld in het vijfde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet, voor te bereiden en/of te bevorderen, een ander trachten te bewegen om dat feit te plegen en/of mede te plegen, om daarbij behulpzaam te zijn en om daartoe gelegenheid en middelen te verschaffen, meermalen gepleegd.
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is dan ook strafbaar.

5.Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dan ook strafbaar.

6.Motivering van de sanctie

6.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 31 maanden, met aftrek van het voorarrest. De officier van justitie heeft hierbij een strafkorting van 25% toegepast wegens overschrijding van de redelijke termijn.
6.2.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht een lagere straf op te leggen dan door de officier van justitie is gevorderd.
6.3.
Oordeel van de rechtbank
Bij de beslissing over de sanctie die aan de verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.
Ernst van de feiten
De verdachte heeft zich gedurende een periode van ongeveer zes maanden samen met anderen bezig gehouden met (het voorbereiden van) de invoer van cocaïne vanuit Curaçao naar Nederland. De cocaïne werd door de koeriers in of op hun lichaam vervoerd of zat verstopt in hun bagage. Naar het oordeel van de rechtbank vervulde de verdachte daarbij een belangrijke rol, zo blijkt uit het berichtenverkeer tussen hem en zijn contacten. Zo onderhield hij contact met de koeriers, stuurde hun paspoortgegevens door naar anderen voor het boeken van vliegtickets en heeft hij voor een van hen een hotelkamer geboekt. Ook zorgde hij voor afhalers op Schiphol of haalde zelf de koeriers op en nam de (geproduceerde) cocaïne in ontvangst.
De verdachte heeft met zijn handelen een substantiële bijdrage geleverd aan de instandhouding van het internationale drugscircuit. Cocaïne is een voor de gezondheid van personen schadelijke stof. De ingevoerde hoeveelheid was van zo groot, dat deze bestemd moet zijn geweest voor verdere verspreiding en handel. De verspreiding van en handel in cocaïne gaan gepaard met vele andere vormen van ook zeer zware criminaliteit, zoals levensdelicten en witwassen.
Persoon van de verdachte
Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank gelet op het op naam van de verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad van de verdachte) van 5 januari 2026, waaruit blijkt dat de verdachte al eerder wegens een soortgelijk feit is veroordeeld. Omdat deze veroordeling van langere tijd geleden is, weegt de rechtbank dit niet in het nadeel van de verdachte mee.
Ook heeft de rechtbank kennisgenomen van het over de verdachte uitgebrachte reclasseringsrapport van 28 januari 2026. De reclassering schat het risico op recidive in als laag en vindt reclasseringsinterventies of toezicht niet nodig.
Op te leggen straf
De verdediging heeft bepleit om aan de verdachte geen langere onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen dan de tijd die de verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht. Hoewel de rechtbank de ogen niet sluit voor de goede ontwikkelingen binnen het leven van de verdachte, kan gelet op de aard, ernst en frequentie van de feiten alleen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur worden opgelegd. Bij het bepalen van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank gekeken naar de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) en naar straffen die rechters in vergelijkbare zaken hebben opgelegd. Alles afwegende acht de rechtbank in beginsel een gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden passend en geboden.
De rechtbank ziet echter in het tijdsverloop in deze zaak aanleiding om de straf te verlagen. In artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is het recht van iedere verdachte gewaarborgd om binnen een redelijke termijn te worden berecht. Als uitgangspunt heeft hierbij te gelden dat de behandeling van een zaak ter terechtzitting moet zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden, zoals de ingewikkeldheid van de zaak, de invloed van de verdachte op het procesverloop en de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld.
De rechtbank is van oordeel dat de redelijke termijn is aangevangen op 26 mei 2021, omdat de verdachte op deze datum in deze zaak tweemaal inhoudelijk is verhoord en hij daaraan in redelijkheid de verwachting kon ontlenen dat tegen hem strafvervolging zou worden ingesteld. De rechtbank merkt daarbij op dat de verdachte in januari 2021 ook is verhoord en in verzekering is gesteld in deze zaak, maar neemt dit niet als uitgangspunt voor de aanvang van de redelijke termijn omdat de rechter-commissaris de vordering tot inbewaringstelling destijds heeft afgewezen wegens onvoldoende ernstige bezwaren. Omdat het eindvonnis op 12 februari 2026 wordt gewezen en de rechtbank van oordeel is dat de overschrijding niet aan de verdachte valt toe te rekenen of anderszins is gebleken van bijzondere omstandigheden, is sprake van een overschrijding van de redelijke termijn van (ruim) twee jaar en acht maanden. Een overschrijding van de redelijke termijn wordt in de regel gecompenseerd door vermindering van de straf die zou zijn opgelegd als de redelijke termijn niet zou zijn overschreden. Het tijdsverloop in deze zaak, waardoor de verdachte lang in onzekerheid heeft moeten verkeren over de afloop ervan, resulteert er in dat de rechtbank conform de eis van de officier van justitie de op te leggen gevangenisstraf vermindert met 25% (afgerond 11 maanden).
Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 31 maanden passend en geboden, met aftrek van de reeds in voorarrest doorgebrachte tijd. De tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van Pro het Wetboek van Strafvordering.

7.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:
47, 55 en 57 van het Wetboek van Strafrecht;
2, 10 en 10a van de Opiumwet.

8.Beslissing

De rechtbank:
Verklaart bewezen dat de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven.
Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.
Bepaalt dat de bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren.
Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van
31 (eenendertig) maanden.
Bepaalt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door
mr. C.S. Schoorl, voorzitter,
mr. P.A. Hesselink en mr. C.M.A.V. van Kleef, rechters,
in tegenwoordigheid van de griffier mr. A.I. Hoedjes,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 12 februari 2026.
Bijlage I – De tenlastelegging
Feit 1
hij, in of omstreeks de periode van 21 augustus 2020 tot en met 18 januari 2021 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer en/of Den Haag, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, eenmaal of meermalen (telkens) opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland (al dan niet als bedoeld in artikel 1 lid 4 van Pro de Opiumwet) heeft gebracht, (een of meer) hoeveelheden cocaïne, waaronder de onder de – al dan niet reeds veroordeelde – (drugs)koeriers
- [naam 7] (15.014491.21) (zaaksdossier C1) en/of
- [naam 1] (15.015331.21) (zaaksdossier C2) en/of
- [naam 2] (15.015330.21) (zaaksdossier C2) en/of
- [naam 3] (15.015266.21) (zaaksdossier C2) en/of
- [naam 4] (zaaksdossier C3)
aangetroffen hoeveelheden cocaïne
en/of een of meer onbekend gebleven hoeveelheden cocaïne ((drugs)koeriers [naam 5] en/of [naam 8] en/of [naam 6], zaaksdossiers C4, C5 en/of C7),
in elk geval (telkens) hoeveelheden van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, althans bevattende een (ander) middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
Feit 2
hij, op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 augustus 2020 tot en met 18 januari 2021 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer en/of Den Haag en/of Spijkenisse en/of Drachten en/of Surhuisterveen en/of Vught en/of Kerkrade en/of Hoogmade, althans in Nederland en/of Curaçao tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet, te weten het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen van (een of meer) hoeveelheden cocaïne, waaronder de onder de – al dan niet reeds veroordeelde – (drugs)koeriers
- [naam 7] (15.014491.21) (zaaksdossier C1) en/of
- [naam 1] (15.015331.21) (zaaksdossier C2) en/of
- [naam 2] (15.015330.21) (zaaksdossier C2) en/of
- [naam 3] (15.015266.21) (zaaksdossier C2) en/of
- [naam 4] (zaaksdossier C3)
aangetroffen hoeveelheden cocaïne
en/of een of meer onbekend gebleven hoeveelheden cocaïne ((drugs)koeriers [naam 5] en/of [naam 8] en/of [naam 6], zaaksdossiers C4, C5 en/of C7)
in elk geval telkens hoeveelheden van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst 1, voor te bereiden en/of te bevorderen,
- een of meer anderen heeft getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen, te doen plegen, mede te plegen, uit te lokken en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen, en/of
- een of meer anderen de gelegenheid en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(en) heeft getracht te verschaffen immers heeft/hebben/is/zijn verdachte en/of zijn medeverdachte(n) (daartoe) tezamen en in vereniging, althans alleen,
- een of meer (drugs)koeriers benaderd (te weten de (drugs)koeriers benoemd in zaaksdossiers C1, C2, C3, C4, C5 en/of C7) om verdovende middelen en/of cocaïne mee te nemen van Curaçao naar Nederland en/of die (drugs)koeriers voorzien van voornoemde verdovende middelen en/of cocaïne en/of
- ( telefonisch) contact (al dan niet via WhatsApp) met zijn, verdachtes, mededader(s) onderhouden, al dan niet om aan te sturen en/of instructies en/of aanwijzingen te ontvangen en/of te versturen en/of afspraken te maken over het (laten) afhalen van die voornoemde (drugs)koeriers en/of informatie gedeeld over (de reizen van) een of meer van die (drugs)koeriers en/of
- afbeeldingen/foto’s van documenten betreffende/toebehorend aan voornoemde (drugs)koeriers, waaronder vliegtickets en/of paspoorten en/of een dagvaarding aan/van zijn medeverdachte(n) verstuurd/ontvangen en/of
- aan een of meer voornoemde drugskoerier(s) handgeld gegeven en/of geld gegeven teneinde vliegtickets van te betalen en/of voor een of meer drugskoerier(s) vliegtickets geboekt en/of laten boeken en/of
- voor een of meer voornoemde drugskoerier(s) hotelkamers en/of taxi’s betaald en/of laten betalen en/of
- zich op een of meer data in voornoemde periode, te weten (in ieder geval) op 21 augustus 2020 en/of 8 september 2020 en/of 27 december 2020 en/of 17 januari 2021, zijnde de data van aankomst van die [naam 8] (zaaksdossier C5) en/of [naam 4] (zaaksdossier C3) en/of [naam 6] (zaaksdossier C7) en/of [naam 7] (zaaksdossier C1), naar de luchthaven Schiphol en/of treinstations Den Haag Centraal en/of Hollands Spoor begeven, teneinde die [naam 8] en/of [naam 4] en/of [naam 6] en/of [naam 7] af te halen en/of
- een of meer personen, waaronder in ieder geval [naam 13] en/of [naam 14] (zaaksdossier C4) bewogen/opgedragen zich al dan niet tegen een vergoeding op een of meer data in voornoemde periode naar Schiphol te begeven, teneinde een of meer (drugs)koeriers, waaronder in ieder geval [naam 5] af te halen en/of
- ontmoetingen met (afhalers van) voornoemde (drugs)koeriers te organiseren, teneinde hoeveelheden verdovende middelen in ontvangst te nemen.
Bijlage II – De bewijsmiddelen
(…)