ECLI:NL:RBNHO:2026:1554

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
18 februari 2026
Publicatiedatum
18 februari 2026
Zaaknummer
15/214013-25
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak wegens onvoldoende bewijs mishandeling met zwaar lichamelijk letsel

Op 28 februari 2025 vond een incident plaats tijdens schaatstrainingen in Hoorn waarbij het slachtoffer ernstig letsel opliep, waaronder een hersenkneuzing en een schedelbasisfractuur. Verdachte en slachtoffer kwamen samen ten val, waarbij de toedracht onduidelijk bleef door tegenstrijdige getuigenverklaringen.

De officier van justitie vorderde een veroordeling tot een voorwaardelijke taakstraf en toewijzing van de schadevergoeding aan de benadeelde partij. De verdediging stelde vrijspraak voor.

De rechtbank oordeelde dat niet wettig en overtuigend kon worden vastgesteld dat verdachte opzettelijk het slachtoffer op het ijs had gegooid of geduwd. De verklaringen konden ook passen bij een ongeval. Daarom sprak de rechtbank verdachte vrij van het ten laste gelegde feit.

Omdat verdachte werd vrijgesproken, werd de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding niet-ontvankelijk verklaard. Beide partijen dragen hun eigen proceskosten.

Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens onvoldoende bewijs en vordering benadeelde partij wordt niet-ontvankelijk verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Team Straf, zittingsplaats Alkmaar
Meervoudige strafkamer
Parketnummer: 15/214013-25
Uitspraakdatum: 18 februari 2026
Tegenspraak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 4 februari 2026 in de zaak tegen:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1977 te [geboorteplaats],
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres].
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie,
mr. K. Leyendeckers, en van wat de verdachte en zijn raadsman, mr. T.H.L. Kneepkens, advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht.

1.Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 28 februari 2025 te Hoorn [slachtoffer] heeft mishandeld, door die [slachtoffer] op het ijs te gooien en/of te duwen, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten een hersenkneuzing met lichte bloeding, schedelbasisfractuur en een botbreuk van zijn rechteroogkas richting de linkerkant, ten gevolge heeft gehad.

2.Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3.Beoordeling van het bewijs

3.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit. De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank de verdachte zal veroordelen tot een voorwaardelijke taakstraf voor de duur van 50 uren met een proeftijd van 2 jaren. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd dat de vordering van de benadeelde partij geheel zal worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
3.2.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het ten laste gelegde feit.
3.3.
Vrijspraak
Naar het oordeel van de rechtbank is niet wettig en overtuigend bewezen wat de verdachte ten laste is gelegd, zodat hij daarvan moet worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.
Uit het dossier en wat is besproken op de terechtzitting volgt dat de verdachte en de aangever op 28 februari 2025 beiden deelnamen aan aparte schaatstrainingen op de schaatsbaan in Hoorn. Op enig moment heeft de verdachte tijdens het schaatsen willen aansluiten bij de schaatsgroep van de aangever. Hierbij zijn de verdachte en de aangever samen ten val gekomen. De aangever heeft hierbij ernstig letsel opgelopen, namelijk een hersenkneuzing, een schedelbasisfractuur en een botbreuk van de rechteroogkas. In het dossier zitten meerdere verklaringen van getuigen die de val hebben zien gebeuren en de verdachte heeft ter terechtzitting een verklaring gegeven over wat er volgens hem is gebeurd. De verklaringen van de getuigen en de verdachte lopen echter uiteen waar het gaat over wat er is gebeurd direct voorafgaand aan de val. De getuigen [naam 1], [naam 2], [naam 5] en [naam 4] verklaren dat de aangever door het handelen van de verdachte op het ijs is gevallen, te weten door hem te gooien en/of te duwen dan wel te trekken. De verdachte verklaart daarentegen dat hij zijn evenwicht verloor door een duw, waardoor hij de aangever moest vastgrijpen om een val te voorkomen en daarbij alsnog is gevallen samen met de aangever. De getuige [naam 6] onderschrijft in zijn verklaring het verhaal van de verdachte. De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of in deze sprake is geweest van een ongeluk of dat sprake is geweest van de ten laste gelegde mishandeling.
De rechtbank is van oordeel dat op grond van de verschillende getuigenverklaringen niet kan worden vastgesteld dat de verdachte de aangever opzettelijk op het ijs heeft gegooid of geduwd. De handelingen die beschreven worden in de belastende getuigenverklaringen passen naar het oordeel van de rechtbank ook in het door de verdachte geschetste scenario dat sprake was van een ongeval waardoor de aangever op het ijs is terechtgekomen. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat er geen wettig en overtuigend bewijs is, dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan opzettelijke mishandeling van de aangever. De verdachte zal dan ook worden vrijgesproken van het ten laste gelegde feit.

4.Vordering benadeelde partij

De advocaat van de benadeelde partij, mr. I.D. Degenaar-Kuijpers, advocaat te Haarlem, heeft namens de benadeelde partij [slachtoffer] een vordering tot schadevergoeding van € 19.379,60 ingediend tegen de verdachte wegens materiële en immateriële schade die hij als gevolg van het ten laste gelegde feit zou hebben geleden.
Omdat de rechtbank de verdachte vrijspreekt van het ten laste gelegde feit, zal de rechtbank bepalen dat de benadeelde partij niet in de vordering kan worden ontvangen.

5.Beslissing

De rechtbank:
Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.
Verklaart de benadeelde partij [slachtoffer] niet-ontvankelijk in de vordering.
Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen proceskosten dragen.
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door
mr. D.J. Straathof, voorzitter,
mr. C.S. Schoorl en mr. M. Rigter, rechters,
in tegenwoordigheid van de griffier mr L. Verheul,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 18 februari 2026.