Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNHO:2026:1557

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
18 februari 2026
Publicatiedatum
18 februari 2026
Zaaknummer
15/210721-25
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36f SrArt. 45 SrArt. 302 SrArt. 6:106 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak poging doodslag en veroordeling poging zware mishandeling met mes in Alkmaar

Op 9 juli 2025 ontstond een conflict tussen verdachte en aangever in een appartementencomplex te Alkmaar, waarna verdachte de aangever eenmalig met een mes in de rechterkant van de borstkas stak. De rechtbank oordeelde dat niet bewezen kon worden dat verdachte de dood van de aangever wilde bewerkstelligen, waardoor hij werd vrijgesproken van poging tot doodslag.

Wel werd vastgesteld dat verdachte voorwaardelijk opzet had op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, gezien de aard van het steekincident en het kwetsbare gebied. Daarom werd verdachte veroordeeld voor poging tot zware mishandeling. De rechtbank legde een gevangenisstraf op van 210 dagen, gelijk aan de duur van het voorarrest.

De benadeelde partij vorderde schadevergoeding voor materiële en immateriële schade. De rechtbank wees de materiële schade deels toe, maar verklaarde de vordering voor verlies van arbeidsvermogen niet-ontvankelijk wegens onvoldoende onderbouwing. De immateriële schade werd gematigd toegekend op €1.500,- vanwege PTSS en psychische klachten.

De rechtbank legde tevens een schadevergoedingsmaatregel op, waarbij de Staat de schadevergoeding incasseert en gijzeling kan worden toegepast bij niet-betaling. De opgelegde straf en schadevergoeding weerspiegelen de ernst van het feit en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, die geen eerdere veroordelingen heeft.

Uitkomst: Verdachte vrijgesproken van poging tot doodslag, veroordeeld tot 210 dagen gevangenisstraf voor poging tot zware mishandeling en gedeeltelijke schadevergoeding aan slachtoffer.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Team Straf, zittingsplaats Alkmaar
Meervoudige strafkamer
Parketnummer: 15/210721-25 (P)
Uitspraakdatum: 18 februari 2026
Tegenspraak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 4 februari 2026 in de zaak tegen:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1977 te [geboorteplaats],
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres],
nu gedetineerd in Justitieel Complex Zaanstad.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie,
mr. M. Lenderink, en van wat de verdachte en zijn raadsvrouw, mr. M.A. Docter, advocaat te Alkmaar, naar voren hebben gebracht.

1.Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
primair
hij op of omstreeks 9 juli 2025 te Alkmaar ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ander, te weten [slachtoffer] van het leven te beroven, met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp in de borst(streek), althans het lichaam van die [slachtoffer] heeft gestoken/gesneden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiairhij op of omstreeks 9 juli 2025 te Alkmaar ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [slachtoffer], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp in de borst(streek), althans het lichaam van die [slachtoffer] heeft gestoken/gesneden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

2.Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3.Beoordeling van het bewijs

3.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde feit.
3.2.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft bepleit dat de verdachte moet worden vrijgesproken van de primair ten laste gelegde poging tot doodslag. Ten aanzien van de subsidiair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling heeft zij zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
3.3.
Oordeel van de rechtbank
3.3.1.
Redengevende feiten en omstandigheden
De rechtbank komt tot een bewezenverklaring van het subsidiair ten laste gelegde feit op grond van de bewijsmiddelen die in de bijlage bij dit vonnis zijn opgenomen.
3.3.2.
Nadere bewijsoverweging
Feiten en omstandigheden
De rechtbank stelt op basis van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting de volgende feiten en omstandigheden vast. De verdachte is op 9 juli 2025 samen met de aangever, [slachtoffer] (hierna: de aangever), in een appartementencomplex in Alkmaar. In het appartementencomplex maken de verdachte en de aangever ruzie. Vervolgens gaan zij beiden het appartementencomplex uit. Op straat komt de verdachte op de aangever aflopen met een mes in zijn hand. Vervolgens is de aangever met het mes geraakt in de rechterkant van de borstkas, waardoor hij een oppervlakkige verwonding heeft opgelopen.
De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of de verdachte een zwaaiende of stekende beweging heeft gemaakt. De verdachte heeft namelijk verklaard dat hij met het mes alleen een zwaaiende beweging heeft gemaakt. Dit door de verdachte geschetste scenario is de rechtbank op basis van het dossier niet aannemelijk geworden en wordt door de bewijsmiddelen (de aangifte en de getuigenverklaring van [naam]) weerlegd. Op grond hiervan stelt de rechtbank vast dat de verdachte eenmalig in de rechterkant van de borstkas van de aangever heeft gestoken.
De vraag die de rechtbank vervolgens moet beantwoorden is of het handelen van de verdachte gekwalificeerd moet worden als een poging tot doodslag (primair) of een poging tot zware mishandeling (subsidiair).
Vrijspraak van poging tot doodslag
Voor een bewezenverklaring van een poging tot doodslag, moet vast komen te staan dat de verdachte het (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op de dood van de aangever. De rechtbank is van oordeel dat niet is komen vast te staan dat de verdachte de aangever wilde doden. Opzet in onvoorwaardelijke vorm kan daarom niet worden aangenomen.
Van voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg is sprake wanneer de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dat gevolg zal intreden. De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten.
De rechtbank is van oordeel dat het dossier onvoldoende aanknopingspunten bevat om te kunnen vaststellen dat de verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad op de dood van de aangever. Het dossier bevat beperkte informatie over de wijze waarop de steekverwonding bij de aangever is toegebracht. Vastgesteld is dat er eenmalig een stekende beweging is gemaakt. Uit het dossier blijkt niet met welke kracht is gestoken, maar gelet op de aard van het letsel, een oppervlakkige verwonding, moet de kracht van het steken met het mes beperkt zijn geweest. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat niet is komen vast te staan dat door op deze manier te steken een aanmerkelijke kans op de dood van de aangever bestond. De rechtbank zal de verdachte daarom vrijspreken van het primair ten laste gelegde feit.
Poging tot zware mishandeling
Voor een bewezenverklaring van een poging tot zware mishandeling is vereist dat de verdachte op zijn minst genomen voorwaardelijk opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan de aangever.
De rechtbank leidt uit de bewijsmiddelen af dat de verdachte met een mes in de rechterkant van de borstkas van de aangever heeft gestoken. Het steken met een mes in de borstkas, een kwetsbaar gebied, levert naar algemene ervaringsregels wel de aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel op. Verder kan de gedraging van de verdachte naar haar uiterlijke verschijningsvorm – met een mes steken in de borstkas – worden aangemerkt als zo zeer gericht op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, dat het niet anders kan zijn dat de verdachte de aanmerkelijke kans daarop bewust heeft aanvaard. De rechtbank is dus van oordeel dat de verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan de aangever en zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot zware mishandeling.
Conclusie
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het subsidiair ten laste gelegde feit.
3.4.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde feit heeft begaan, in die zin dat
hij op 9 juli 2025 te Alkmaar ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met een mes in de borst(streek) van die [slachtoffer] heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Wat aan de verdachte anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4.Kwalificatie en strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert op:
poging tot zware mishandeling
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is dus strafbaar.

5.Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

6.Motivering van de sanctie

6.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Van het onvoorwaardelijk strafdeel moet de tijd die de verdachte in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht worden afgetrokken. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd om de verdachte een vrijheidsbeperkende maatregel in de vorm van een contactverbod en locatieverbod op te leggen op grond van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht (Sr).
6.2.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft verzocht om bij de strafoplegging rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Mede gelet daarop heeft zij verzocht om aan de verdachte een gevangenisstraf op te leggen die gelijk is aan de duur van het voorarrest, eventueel aangevuld met een voorwaardelijke gevangenisstraf of taakstraf. Daarnaast heeft de raadsvrouw verzocht om geen vrijheidsbeperkende maatregel op te leggen, gezien er geen gevaar voor herhaling is. Een contact- en locatieverbod kunnen eventueel als bijzondere voorwaarden aan een voorwaardelijke straf worden verbonden.
6.3.
Oordeel van de rechtbank
Bij de beslissing over de sanctie die aan de verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
Ernst van de feiten
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling door met een mes in de rechterkant van de borstkas van het slachtoffer te steken. Het slachtoffer heeft hierbij een oppervlakkige steekverwonding opgelopen. De verdachte mag van geluk spreken dat het toegebrachte letsel geen ernstigere gevolgen heeft gehad. Uit de vordering tot schadevergoeding en de ter zitting voorgelezen schriftelijke slachtofferverklaring komt naar voren dat het slachtoffer nog steeds psychische klachten heeft, in de vorm van gevoelens van onveiligheid en slaapproblemen. Tevens heeft het incident op klaarlichte dag op de openbare weg plaatsgevonden, waardoor dit heeft bijgedragen aan gevoelens van angst en onveiligheid bij de maatschappij in bredere zin.
Persoon van de verdachte
Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank gelet op het strafblad van de verdachte (Uittreksel Justitiële Documentatie) van 3 december 2025, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor een strafbaar feit is veroordeeld. De rechtbank heeft ook kennisgenomen van het reclasseringsrapport van 22 september 2025, waaruit blijkt dat er geen aanwijzingen zijn voor problemen op een van de leefgebieden en dat er geen aanknopingspunten zijn voor reclasseringstoezicht.
Op te leggen sanctie
De rechtbank is van oordeel dat de ernst van het bewezen verklaarde feit in beginsel zonder meer een onvoorwaardelijke gevangenisstraf rechtvaardigt. Bij het bepalen van de hoogte van die straf heeft de rechtbank gekeken naar de straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd en naar de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Voor het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel met behulp van een wapen geldt, volgens de oriëntatiepunten, als uitgangspunt een gevangenisstraf van zeven tot twaalf maanden. Het vertrekpunt bij een poging tot zware mishandeling is twee derde deel daarvan. De verdachte heeft 210 dagen in voorarrest gezeten, wat neerkomt op zeven maanden. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf gelijk aan de duur van het voorarrest passend en geboden is.
De rechtbank legt geen contact- en locatieverbod op grond van artikel 38v Sr op, zoals door de officier van justitie is gevorderd, nu er geen concrete aanwijzingen zijn dat er rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen dan wel zich belastend naar personen toe zal gedragen. De rechtbank heeft hierbij mede gelet op de slotovereenkomst van de mediation, waaruit blijkt dat de verdachte en de aangever afspraken hebben gemaakt over het contact en dat de verdachte uit de buurt zal blijven van de wijk waarin de aangever woont.

7.Vordering benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel

Namens de benadeelde partij [slachtoffer] is door zijn advocaat, mr. L. Jense, advocaat te Alkmaar, een vordering tot schadevergoeding van € 4.378,91 ingediend tegen de verdachte wegens materiële en immateriële schade die hij zou hebben geleden als gevolg van het ten laste gelegde feit. De gestelde materiële schade bestaat uit € 1.112,51 voor het verlies van het arbeidsvermogen, € 97,76 voor medicatie en € 168,64 voor het opvragen van medische informatie. De gestelde immateriële schade bestaat uit € 3.000,- wegens fysiek en psychisch letsel. Daarnaast vraagt de benadeelde partij om het toegewezen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente en de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
7.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering ten aanzien van de materiële schade kan worden toegewezen, omdat deze kosten rechtstreeks verband houden met het strafbare feit en voldoende zijn onderbouwd. De gevorderde immateriële schade acht de officier van justitie billijk en daarom moet de immateriële schade ook worden toegewezen. Daarbij heeft de officier van justitie gevorderd de bedragen te vermeerderen met de wettelijke rente en de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
7.2.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft de post van het verlies van het arbeidsvermogen betwist. De raadsvrouw heeft verzocht om de benadeelde partij voor deze post niet-ontvankelijk te verklaren. Tevens heeft de raadsvrouw de kosten van het opvragen van medische informatie betwist. De raadsvrouw heeft verzocht om dit deel af te wijzen. Ten aanzien van de kosten van de medicatie heeft de raadsvrouw zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Tot slot heeft de raadsvrouw verzocht de gevorderde immateriële schade te matigen tot een bedrag van € 1.250,-, gelet op bedragen die in soortgelijke gevallen worden opgelegd.
7.3.
Oordeel van de rechtbank
Ten aanzien van de gevorderde materiële schade is de rechtbank van oordeel dat de kosten van het opvragen van de medische informatie en de kosten van de medicatie voldoende zijn onderbouwd. Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting stelt de rechtbank vast dat deze schadeposten in rechtstreeks verband staan met het bewezen verklaarde feit. De rechtbank wijst dit deel van de vordering daarom toe. De rechtbank verklaart de benadeelde partij ten aanzien van het verlies aan arbeidsvermogen niet-ontvankelijk in de vordering, omdat dit deel van de vordering onvoldoende is onderbouwd, nu slechts één referentiejaar is gehanteerd voor het bepalen van de overwerkvergoeding. Het voeren van een nader debat hierover zou een onevenredige belasting van deze strafprocedure met zich mee brengen. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering aan de burgerlijke rechter voorleggen.
Vergoeding van immateriële schade is op grond van artikel 6:106, sub b, van het Burgerlijk Wetboek onder meer mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen. In dit geval staat vast dat de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen als gevolg van het door de verdachte gepleegde strafbare feit. Daarnaast is sprake van een aantasting in de persoon op andere wijze, nu de benadeelde partij psychisch letsel heeft opgelopen. Bij hem is PTSS vastgesteld. Gelet op de bedragen die in soortgelijke zaken worden toegekend als schadevergoeding, is de rechtbank van oordeel dat een vergoeding van € 1.500,- billijk is. De rechtbank wijst de immateriële schade tot dat bedrag toe. De rechtbank wijst deze vordering voor het overige af.
De vordering zal dus gedeeltelijk worden toegewezen tot een bedrag van € 1.766,40. Het toegewezen bedrag zal worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 9 juli 2025 over dit bedrag tot aan de dag der algehele voldoening.
Daarnaast moet de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken, tot op heden begroot op nihil.
Schadevergoedingsmaatregel
Daarnaast legt de rechtbank ten behoeve van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel aan de verdachte op. Het zelf incasseren van de vordering door het slachtoffer bij de verdachte acht de rechtbank gelet op de aard van de zaak – een conflict met letsel tot gevolg – niet passend. Dit betekent dat de Staat de schadevergoeding bij de verdachte zal incasseren. Als de verdachte de schadevergoeding niet (volledig) betaalt, kan gijzeling (een vorm van vrijheidsbeneming van de verdachte) worden toegepast, zoals hieronder in de beslissing weergegeven. De gijzeling komt niet in de plaats van de verplichting om te betalen. Ook als gijzeling wordt toegepast, blijft de verdachte dus verplicht om de schadevergoeding te betalen.

8.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:
artikel 36f, 45, 302 van het Wetboek van Strafrecht.

9.Beslissing

De rechtbank:
Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte primair is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.
Verklaart bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4. weergegeven.
Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.
Bepaalt dat het subsidiair bewezen verklaarde feit het hierboven onder 4. vermelde strafbare feit oplevert.
Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van
210 (tweehonderdtien) dagen.
Bepaalt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Vordering benadeelde partij [slachtoffer]
Wijst de vordering van gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 1.766,40 (zegge: duizend zevenhonderdzesenzestig euro en veertig eurocent), bestaande uit materiële en immateriële schade.
Veroordeelt de verdachte tot betaling aan [slachtoffer] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 9 juli 2025 tot de dag van volledige betaling.
Veroordeelt de verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Verklaart de benadeelde partij ten aanzien van de post verlies van arbeidsvermogen niet-ontvankelijk in de vordering.
Wijst de vordering van de benadeelde partij voor het overige af.
Legt aan de verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer] aan de Staat € 1.766,40 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 9 juli 2025 tot de dag van volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 17 dagen gijzeling.
Bepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed.
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door
mr. C.S. Schoorl, voorzitter,
mr. M. Rigter en mr. D.J. Straathof, rechters,
in tegenwoordigheid van de griffier mr L. Verheul,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 18 februari 2026.
Bijlage
De bewijsmiddelen
(…)