Op 9 juli 2025 ontstond een conflict tussen verdachte en aangever in een appartementencomplex te Alkmaar, waarna verdachte de aangever eenmalig met een mes in de rechterkant van de borstkas stak. De rechtbank oordeelde dat niet bewezen kon worden dat verdachte de dood van de aangever wilde bewerkstelligen, waardoor hij werd vrijgesproken van poging tot doodslag.
Wel werd vastgesteld dat verdachte voorwaardelijk opzet had op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, gezien de aard van het steekincident en het kwetsbare gebied. Daarom werd verdachte veroordeeld voor poging tot zware mishandeling. De rechtbank legde een gevangenisstraf op van 210 dagen, gelijk aan de duur van het voorarrest.
De benadeelde partij vorderde schadevergoeding voor materiële en immateriële schade. De rechtbank wees de materiële schade deels toe, maar verklaarde de vordering voor verlies van arbeidsvermogen niet-ontvankelijk wegens onvoldoende onderbouwing. De immateriële schade werd gematigd toegekend op €1.500,- vanwege PTSS en psychische klachten.
De rechtbank legde tevens een schadevergoedingsmaatregel op, waarbij de Staat de schadevergoeding incasseert en gijzeling kan worden toegepast bij niet-betaling. De opgelegde straf en schadevergoeding weerspiegelen de ernst van het feit en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, die geen eerdere veroordelingen heeft.