ECLI:NL:RBNHO:2026:1587

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
18 februari 2026
Publicatiedatum
19 februari 2026
Zaaknummer
HAA 26/1131
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 AwbRichtlijn tijdelijke beschermingTijdelijke wet opvang ontheemden Oekraïne
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen beëindiging gemeentelijke opvang

De voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Holland behandelde op 18 februari 2026 het verzoek om een voorlopige voorziening tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Bloemendaal om de opvang van verzoeker in de gemeentelijke opvang te beëindigen per 18 februari 2026.

Het college stelde dat verzoeker, een derdelander, niet langer onder de Richtlijn tijdelijke bescherming valt en daarom geen recht meer heeft op gemeentelijke opvang. Verzoeker kan zich aanmelden voor opvang bij het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA) in Ter Apel, waar plek beschikbaar is. De kinderen van verzoeker en diens partner vallen nog wel onder de Richtlijn en kunnen in de gemeentelijke opvang verblijven.

Verzoeker wilde met zijn kinderen in de gemeentelijke opvang blijven tot minimaal zes weken na de beslissing op bezwaar, stellende dat hij de primair verzorgende ouder is en betwistte dat de kinderen bij de partner kunnen verblijven. De voorzieningenrechter oordeelde dat er geen spoedeisend belang is voor een voorlopige voorziening, omdat onderdak in Ter Apel beschikbaar is en de kinderen met de partner in de opvang kunnen verblijven.

Het verzoek werd daarom kennelijk ongegrond verklaard en afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen beëindiging van de gemeentelijke opvang is afgewezen omdat onderdak in Ter Apel beschikbaar is en de kinderen met de partner kunnen verblijven.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 26/1131

uitspraak van de voorzieningenrechter van 18 februari 2026 in de zaak tussen

[verzoeker] , verblijvende in [plaats] , verzoeker
gemachtigde: mr. J. Sprakel, advocaat te Haarlem
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Bloemendaal, het college
gemachtigde: A. van der Have, ambtenaar ten stadhuize.

Inleiding

1.1.
Met het bestreden besluit van 17 februari 2025 heeft het college de opvang van verzoeker in de gemeentelijke opvang aan de [locatie] in [plaats] per 18 februari 2026 beëindigd. Verzoeker moet uiterlijk om 15.00 uur de opvanglocatie hebben verlaten met al zijn persoonlijke spullen.
1.2.
Verzoeker heeft op 18 februari 2026 tegen het bestreden besluit bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
1.3.
Het college heeft op verzoek van de voorzieningenrechter op 18 februari 2026 op het verzoek gereageerd. Naar aanleiding van de reactie van het college heeft verzoeker dezelfde dag nog twee keer inhoudelijk gereageerd.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2.1.
Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bezwaar is gemaakt, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
2.2.
Op grond van artikel 8:83, vierde lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter zonder zitting uitspraak doen indien het verzoek kennelijk ongegrond is.
2.3.
De voorzieningenrechter ziet geen grond voor het treffen van een voorlopige voorziening. Daartoe overweegt hij als volgt.
2.4
Het college legt aan het bestreden besluit het volgende ten grondslag. Sinds verzoeker in Nederland is, heeft hij recht op opvang gehad op basis van de Richtlijn tijdelijke bescherming. Deze richtlijn is, aldus het college, niet langer van toepassing op verzoeker en daarom heeft hij geen recht meer op opvang in de gemeente. Verzoeker is een derdelander, die niet langer onder de Richtlijn tijdelijke bescherming valt. Daarmee valt hij niet langer onder het begrip ontheemde uit de Tijdelijke wet opvang ontheemden Oekraïne en is het college niet langer verantwoordelijk voor zijn opvang. Landelijk is afgesproken dat, tenzij er andere redenen zijn, de personen in kwestie in de gemeentelijke opvang mogen verblijven totdat er plek is in een locatie van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA). Er blijkt plek te zijn in Ter Apel. Het college beëindigd daarom de opvang van verzoeker. Het college heeft verzoeker voorts geïnformeerd dat hij zich kan aanmelden voor opvang bij een opvanglocatie van het COA in Ter Apel. In de toelichting van 18 februari 2026 deelt het college mee dat verzoeker derdelander is en geen Oekraïner en dat het college daarom (niet langer) verantwoordelijk is voor zijn opvang. Het college is er mee bekend dat verzoeker samenwoont met een partner en hun twee kinderen, maar die verblijft thans elders. Het college zijn signalen over huiselijk geweld in de relatie bekend. De partner kan, aldus het college, nadat verzoeker de opvang heeft verlaten met de kinderen wel in de gemeentelijke opvang verblijven. Er is volgens het college geen sprake van dat de kinderen van verzoeker mee moeten naar Ter Apel. Zowel de kinderen als de partner vallen nog wel onder de Richtlijn tijdelijke bescherming en hebben zodoende recht op gemeentelijke opvang.
2.5.
Verzoeker heeft de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen inhoudende dat verzoeker met zijn kinderen in de opvang mag blijven tot minimaal zes weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar. In het verzoekschrift wijst verzoeker op zijn wens om met de kinderen in de gemeentelijke opvang te verblijven. In de nadere uitlatingen geeft de gemachtigde aan niet te weten hoe het precies zit, maar betwist hij dat de kinderen bij de partner kunnen verblijven. Verzoeker stelt dat de partner uit beeld zou zijn en hij de primair verzorgende ouder is.
2.6.
Gelet op de wederzijds verstrekte informatie is er geen grond voor het treffen van een voorlopige voorziening en het besluit tot beëindiging van de opvang van verzoeker in de gemeentelijke opvangvoorziening thans te schorsen. Voor verzoeker is onderdak in Ter Apel beschikbaar. De kinderen kunnen met de partner in de gemeentelijke opvang verblijven. Verzoeker heeft daarom geen spoedeisend belang bij een voorziening die meebrengt dat hij in afwachting van de behandeling van zijn bezwaren tegen het bestreden besluit op de gemeentelijke opvanglocatie mag verblijven. Het verzoek is daarmee kennelijk ongegrond.
2.7.
Omdat het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen, is er ook geen grond voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H.M. Bruin, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van drs. A.F. Hermus-Zoetmulder, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 18 februari 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.