ECLI:NL:RBNHO:2026:164

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
15 januari 2026
Publicatiedatum
13 januari 2026
Zaaknummer
11605417
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten in consumentenzaken

In deze zaak heeft de kantonrechter van de Rechtbank Noord-Holland op 15 januari 2026 uitspraak gedaan over de vraag of een consument buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten moet betalen. De consument, aangeduid als [gedaagde], betwistte de verschuldigdheid van deze kosten, omdat zij stelde geen sommatiebrieven te hebben ontvangen. De overeenkomst was tot stand gekomen tussen een handelaar en de consument, wat leidde tot een ambtshalve toetsing van de Algemene Voorwaarden van de zorgverzekeraar op oneerlijke bedingen. De kantonrechter oordeelde dat de zorgverzekeraar voldoende bewijs had geleverd dat de sommatiebrieven, waaronder een veertiendagenbrief, naar het juiste adres en e-mailadres van de consument waren verzonden en daar waren aangekomen. Het verweer van de consument werd verworpen, wat leidde tot toewijzing van de vordering van de zorgverzekeraar.

De procedure omvatte een dagvaarding, conclusie van antwoord, repliek en dupliek. De consument had een basisverzekering en een aanvullende verzekering afgesloten, waarbij de vorderingen op de consument waren overgedragen aan de zorgverzekeraar. De kantonrechter oordeelde dat de consument de verschuldigde premies erkende, maar verweer voerde tegen de incassokosten en proceskosten. De kantonrechter concludeerde dat de Algemene Voorwaarden geen oneerlijke bedingen bevatten en dat de zorgverzekeraar recht had op de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten, die aan de wettelijke eisen voldeden. De proceskosten werden ook toegewezen aan de zorgverzekeraar, omdat de consument in het ongelijk was gesteld. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitspraak

RECHTBANKNOORD-HOLLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Zaanstad
Zaaknummer: 11605417 \ CV EXPL 25-811 (NE)
Vonnis van 15 januari 2026
in de zaak van
[eiser],
te [plaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: Syncasso Nederland B.V.,
tegen
[gedaagde],
te [plaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. S.J. van der Aart.
De zaak in het kort
Deze zaak gaat over de vraag of een consument buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten moet betalen. De consument meent van niet, omdat zij geen sommatiebrieven heeft ontvangen. Omdat de overeenkomst tot stand is gekomen tussen een handelaar en een consument is eerst ambtshalve beoordeeld of de Algemene Voorwaarden van de zorgverzekeraar geen oneerlijke bedingen bevatten voor de consument. Dat is niet het geval. De kantonrechter oordeelt verder dat de zorgverzekeraar voldoende heeft onderbouwd dat de sommatiebrieven, waaronder de veertiendagenbrief, naar het woonadres en e-mailadres van de consument zijn verzonden en daar zijn aangekomen. Het verweer van de consument slaagt dus niet. Dit leidt tot toewijzing van de vordering van de zorgverzekeraar.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding
- de conclusie van antwoord
- de conclusie van repliek
- de conclusie van dupliek.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
[gedaagde] heeft bij [eiser] een basisverzekering als bedoeld in de Zorgverzekeringswet afgesloten met toepassing van de algemene voorwaarden van [eiser] . Daarnaast heeft [gedaagde] een aanvullende verzekering bij [naam]
2.2.
heeft haar vorderingen op [gedaagde] uit hoofde van de aanvullende verzekering in eigendom overgedragen aan [eiser] .

3.Het geschil

3.1.
[eiser] vordert - samengevat - veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 955,55, vermeerderd met rente en kosten.
3.2.
[eiser] legt aan de vordering het volgende ten grondslag. [gedaagde] is op grond van de zorgverzekeringsovereenkomst gehouden de premie, het eigen risico en de eigen bijdrage te betalen. [gedaagde] heeft ondanks herhaalde aanmaning nagelaten de premie over zes maanden van in totaal € 853,70 te betalen aan [eiser] . Naast betaling van dit bedrag vordert [eiser] de wettelijke rente, die tot en met 20 februari 2025 € 25,64 bedraagt, en buitengerechtelijke incassokosten van € 76,21 inclusief btw.
3.3.
[gedaagde] voert verweer tegen de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten en de proceskosten.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

De hoofdsom
4.1.
[gedaagde] heeft de verschuldigdheid van de door [eiser] gevorderde premies van in totaal € 853,70 (de hoofdsom) erkend. De hoofdsom wordt daarom toegewezen.
4.2.
[gedaagde] voert verweer tegen de buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten. Omdat de overeenkomst tot stand is gekomen tussen een handelaar en een consument zal de kantonrechter eerst ambtshalve beoordelen of de Algemene Voorwaarden van [eiser] geen oneerlijke bedingen bevatten voor de consument en zal vervolgens worden ingegaan op het verweer van [gedaagde] .
Ambtshalve toetsing van de Algemene Voorwaarden 2024 en 2025
4.3.
Bedingen waaraan de consument gebonden is zonder dat daarover afzonderlijk is onderhandeld, zijn oneerlijk als deze in strijd met de goede trouw het evenwicht tussen de rechten en plichten die de consument op grond van de overeenkomst heeft, aanzienlijk verstoort in het nadeel van de consument. Het gaat om een beoordeling van de bedingen op het moment dat de overeenkomst werd gesloten. Of de handelaar de consument ook daadwerkelijk aan die bedingen houdt, of in de praktijk alleen naleving van wettelijke bepalingen verlangt, is niet relevant. Als een beding wegens onredelijkheid wordt vernietigd, kan de handelaar niet terugvallen op een eventuele wettelijke regeling over het zelfde onderwerp. De toetsing van de algemene voorwaarden leidt tot het volgende.
4.4.
In de op de verzekering van toepassing zijnde Algemene Voorwaarden is geen beding met betrekking tot incassokosten, gerechtelijke kosten en/of rente (meer) opgenomen zodat toetsing daarvan niet aan de orde is. Het opschortingsbeding en het premiewijzigingsbeding in de Algemene Voorwaarden zijn door de kantonrechter getoetst en niet oneerlijk bevonden.
Wettelijke rente
4.5.
[eiser] vordert wettelijke rente vanaf het moment van verzuim. Volgens de Algemene Voorwaarden moet [gedaagde] de maandelijkse premie vooruitbetalen. Er is dus een termijn voor betaling overeengekomen, zodat dat het moment van verzuim is en [gedaagde] op grond van de wet [1] vanaf dat moment wettelijke rente is verschuldigd. Tegen de ingangsdatum van de wettelijke rente en het tot de dagvaarding berekende bedrag van
€ 25,64 is geen verweer gevoerd. De wettelijke rente zal daarom worden toegewezen zoals gevorderd.
Buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten
4.6.
[gedaagde] betwist dat facturen of (sommatie)brieven per post naar haar zijn verstuurd en als dat wel is gebeurd, hebben de brieven haar niet bereikt. Dat heeft volgens [gedaagde] mogelijk te maken met de postbezorgers die haar adres en het adres van haar achterburen geregeld door elkaar halen, waardoor de post verkeerd wordt bezorgd. Omdat [gedaagde] de zogenaamde veertiendagenbrief niet heeft ontvangen en zij rauwelijks is gedagvaard, concludeert zij tot afwijzing van de buitengerechtelijke incassokosten en tot compensatie van de proceskosten in die zin dat partijen hun eigen proceskosten dragen.
4.7.
[gedaagde] doet een beroep op de in de wet geregelde ontvangsttheorie [2] en de jurisprudentie daarover. Deze theorie houdt, kort gezegd, in dat een tot een bepaalde persoon gerichte verklaring, om haar werking te hebben, die persoon moet hebben bereikt. Het is vervolgens aan [eiser] feiten en omstandigheden te stellen om de ontvangst van deze (sommatie)brieven aannemelijk te maken. Het enkel stellen dat de juiste adressering is gebruikt en het onaannemelijk is dat [gedaagde] geen van de verzonden brieven heeft ontvangen is in beginsel onvoldoende. Maar [eiser] heeft gewezen op drie betalingsherinneringen en drie brieven in verband met de aanmelding bij het CAK die door haar zijn verzonden naar het juiste adres en heeft dit met stukken onderbouwd. Ook heeft [eiser] met stukken onderbouwd dat vervolgens haar gemachtigde op 22 juli 2024 een sommatiebrief naar [gedaagde] heeft verstuurd, zowel per post als naar het door [gedaagde] opgegeven e-mailadres. In deze brief maakt [eiser] aanspraak op buitengerechtelijke incassokosten als niet binnen veertiendagen na ontvangst van de brief is betaald. Verder heeft [eiser] met stukken onderbouwd dat haar gemachtigde daarna nog vijf (sommatie)brieven per post en per e-mail naar [gedaagde] heeft verzonden. Ten slotte heeft [eiser] erop gewezen dat [gedaagde] telefonisch contact met haar gemachtigde heeft opgenomen en heeft gevraagd om een betalingsregeling.
4.8.
Als reactie op de door [eiser] gestelde feiten en omstandigheden heeft [gedaagde] alleen aangevoerd dat het aan [eiser] is om aan te tonen dat de veertiendagenbrief van 22 juli 2024 is verzonden naar het adres van [gedaagde] en dat de brief daar is aangekomen. [gedaagde] gaat echter niet in op het onderbouwde standpunt van [eiser] dat deze brief en andere sommatiebrieven ook per e-mail aan haar zijn verzonden. In dit geval is de kantonrechter van oordeel dat [eiser] voldoende heeft onderbouwd dat de sommatiebrieven, waaronder de veertiendagenbrief, naar het woonadres en e-mailadres van [gedaagde] zijn verzonden en daar zijn aangekomen.
4.9.
De door [eiser] gevorderde vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten moet voldoen aan de wet [3] en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). Omdat [gedaagde] een consument is, moet de kantonrechter controleren of ook is voldaan aan de dan geldende extra eisen voor de verschuldigdheid van buitengerechtelijke incassokosten. [4] De brief van [eiser] van 22 juli 2024 voldoet daaraan. [eiser] heeft het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten vermeerderd met btw. Omdat [eiser] een van btw vrijgestelde prestatie heeft verricht, wordt de vergoeding verhoogd met btw. Daarom zal een bedrag van € 76,21 worden toegewezen.
4.10.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Wat [gedaagde] over haar jonge leeftijd heeft aangevoerd en dat zij na de dagvaarding heeft geprobeerd een betalingsregeling te treffen, brengt hierin geen verandering. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
146,14
- griffierecht
340,00
- salaris gemachtigde
270,00
(2 punten × € 135,00)
- nakosten
102,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
858,14

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 955,55, te vermeerderen met de wettelijke rente [5] over € 853,70 vanaf 15 februari 2025 tot de dag van volledige betaling,
5.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 858,14, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. P.J. Jansen en in het openbaar uitgesproken op 15 januari 2026.

Voetnoten

1.Artikel 6:119 lid 1 BW.
2.Artikel 3:37 derde lid BW.
3.Artikel 6:96 van het Burgerlijk Wetboek (BW).
4.Artikel 6:96 lid 6 BW.
5.Artikel 6:119 BW.