ECLI:NL:RBNHO:2026:1640

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
19 februari 2026
Publicatiedatum
19 februari 2026
Zaaknummer
HAA 25/2961
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 WsgArt. 3:9 AwbArt. 3:49 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen samenvoeging aanvragen en toekenning letselcategorie 5 Schadefonds Geweldsmisdrijven

Eiseres diende twee aanvragen in bij het Schadefonds Geweldsmisdrijven voor een tegemoetkoming wegens psychisch letsel als gevolg van huiselijk geweld. De commissie voegde deze aanvragen samen en kende een tegemoetkoming toe op basis van letselcategorie 5, met een bedrag van €20.000. Eiseres was het niet eens met deze samenvoeging en vond dat haar letsel in letselcategorie 6 viel, wat een hogere vergoeding van €35.000 zou rechtvaardigen.

De rechtbank oordeelde dat de samenvoeging van de aanvragen terecht was, omdat het letsel voortkomt uit dezelfde thuissituatie en niet duidelijk te onderscheiden is welk deel van het letsel aan welke specifieke gebeurtenis is toe te schrijven. Ook werd overwogen dat de aanvraag als naaste niet tot een hogere vergoeding zou leiden, omdat het geweld plaatsvond vóór de invoering van de naastenregeling in 2019.

Wat betreft de letselcategorie concludeerde de rechtbank dat de commissie zich terecht baseerde op een medisch advies waarin werd vastgesteld dat het letsel van eiseres niet leidde tot volledige en blijvende afhankelijkheid, maar tot gedeeltelijke afhankelijkheid, passend bij categorie 5. De rechtbank volgde de motivering van de commissie dat ondanks arbeidsongeschiktheid en zorgindicaties, eiseres op verschillende leefgebieden zelfstandig kan functioneren.

Het beroep werd daarom ongegrond verklaard, met als gevolg dat eiseres geen recht heeft op een hogere tegemoetkoming, geen griffierecht terugkrijgt en geen proceskostenvergoeding ontvangt.

Uitkomst: Het beroep van eiseres tegen het samenvoegen van haar aanvragen en de toekenning van letselcategorie 5 wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 25/2961

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 februari 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [plaats] , eiseres

en

Commissie Schadefonds Geweldsmisdrijven, de commissie

(gemachtigde: mr. J.C.M. van der Weerd).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de aanvragen van een tegemoetkoming bij het Schadefonds Geweldsmisdrijven door eiseres. De commissie voegt de aanvragen samen en kent een tegemoetkoming op basis van letselcategorie 5 toe (€ 20.000,-). Eiseres is het niet eens met de samenvoeging van haar aanvragen en de toekenning op basis van letselcategorie 5, en acht letselcategorie 6 (€ 35.000,-) passend. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of de aanvragen samengevoegd mochten worden en of letselcategorie 6 toegepast had moeten worden.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat eiseres geen gelijk krijgt en verklaart het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Bij het primaire besluit van 7 januari 2025 heeft de commissie de aanvragen van eiseres voor een tegemoetkoming voor psychisch letsel als gevolg van een geweldsmisdrijf samengevoegd. Door de commissie is vastgesteld dat het letsel van eiseres in letselcategorie 5 valt. De tegemoetkoming die bij deze categorie hoort is € 20.000,-.
2.1.
Met het bestreden besluit van 12 juni 2025 op het bezwaar van eiseres is de commissie bij het primaire besluit gebleven.
2.2.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De commissie heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 23 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, bijgestaan door haar behandelaar, en de gemachtigde van het Schadefonds Geweldsmisdrijven.

Totstandkoming van het bestreden besluit

3. Eiseres heeft op 6 november 2024 en 8 november 2024 aanvragen ingediend voor een tegemoetkoming vanuit het Schadefonds Geweldsmisdrijven. Uit de kop van het formulier waarmee de aanvraag van 6 november 2024 is gedaan, blijkt dat het gaat om een ‘aanvraag naaste’. Uit de kop van het formulier waarmee de aanvraag van 8 november 2024 is gedaan, blijkt dat het gaat om een ‘aanvraag tegemoetkoming geweldsmisdrijf’. Op verzoek van de commissie heeft eiseres medische stukken overgelegd die haar psychisch letsel onderbouwen.
3.1.
Naar aanleiding van de aanvragen van eiseres heeft de commissie een medisch adviseur gevraagd het letsel van eiseres te beoordelen. De adviseur heeft op 6 januari 2025 een medisch advies opgesteld. Volgens de medisch adviseur is bij eiseres sprake van een gedeeltelijke afhankelijkheid die hoogstwaarschijnlijk, in ieder geval in enige mate, blijvend zal zijn. Aangezien geen volledige afhankelijkheid vastgesteld kan worden, acht de medisch adviseur dat het letsel in aanmerking komt voor letselcategorie 5. De medisch adviseur ziet geen indicatie voor letselcategorie 6.
3.2.
Bij het primaire besluit van 7 januari 2025 is aan eiseres een tegemoetkoming van €20.000,- toegekend, omdat zij slachtoffer en getuige is geweest van stelselmatig huiselijk geweld in de periode vanaf 10 oktober 1994 tot en met 10 oktober 2014. De commissie volgt daarbij het advies van de medisch adviseur dat het letsel van eiseres valt in categorie 5.
3.3.
Tegen het besluit van 7 januari 2025 heeft eiseres op 8 januari en 17 januari in totaal drie keer bezwaar gemaakt. Uit deze bezwaarschriften volgt dat volgens eiseres haar aanvragen onterecht zijn samengevoegd. Daarnaast valt het letsel volgens eiseres binnen letselcategorie 6. Eiseres is blijvend afhankelijk van medicatie, zorg en therapie, is volledig arbeidsongeschikt verklaard, en heeft geen contact met familie. Naar aanleiding van het bezwaarschrift van eiseres heeft de commissie eiseres uitgenodigd voor een hoorzitting. De hoorzitting heeft plaatsgevonden op 28 maart 2025.
3.4.
Met het bestreden besluit van 12 juni 2025 is de commissie bij het primaire besluit gebleven. De commissie stelt dat de aanvragen terecht zijn samengevoegd. Beide aanvragen betreffen dezelfde thuissituatie van eiseres die werd gekenmerkt door huiselijk geweld, zowel tegen eiseres als tegen haar moeder. Deze gebeurtenissen tezamen hebben bij eiseres gezorgd voor ernstige psychische klachten. In de aard en ernst van het letsel kan volgens de commissie geen onderscheid gemaakt worden naar de oorzaak. Wat betreft de toepassing van letselcategorie 5, herhaalt de commissie het medisch advies waarin wordt vastgesteld dat geen sprake is van volledige afhankelijkheid bij eiseres, waardoor het letsel niet in letselcategorie 6 valt. Daarbij overweegt de commissie dat arbeidsongeschiktheid een indicatie kan zijn van volledige afhankelijkheid, maar bepalend zijn de concrete leefgebieden waarop het slachtoffer afhankelijk is van hulp van derden. De commissie heeft het bezwaar van eiseres in het bestreden besluit van 12 juni 2025 ongegrond verklaard. Tegen dit besluit heeft eiseres beroep ingesteld.

Beoordeling door de rechtbank

Beoordelingskader
4. In artikel 3, eerste lid, sub a, van de Wet schadefonds geweldsmisdrijven (Wsg) is vastgelegd dat het Schadefonds een uitkering kan verstrekken aan slachtoffers van geweldsmisdrijven die als gevolg daarvan ernstig fysiek of psychisch letsel hebben opgelopen.
4.1.
Bij het verstrekken van uitkeringen zoals bedoeld in artikel 3 van Pro de Wet schadefonds geweldsmisdrijven, heeft het Schadefonds Geweldsmisdrijven beoordelingsruimte. Door het Schadefonds Geweldsmisdrijven is aan de beoordelingsruimte invulling gegeven in beleid, neergelegd in de Beleidsbundel Schadefonds Geweldsmisdrijven (hierna: de beleidsbundel). In dit geval is de versie uit 2024 van toepassing.
4.2.
Het Schadefonds bepaalt aan de hand van de Letsellijst in welke van de zes letselcategorieën het opgelopen letsel past. Het bedrag dat het slachtoffer krijgt uitgekeerd is afhankelijk van het bedrag dat correspondeert met de passende letselcategorie. Het letsel valt in categorie 5 wanneer een diagnose is gesteld door een hulpverlener die bevoegd en bekwaam is om een diagnose te stellen ten aanzien van psychisch letsel en wanneer sprake is geweest van behandeltrajecten gedurende vele (minimaal > 5) jaren die hebben geleid tot blijvende gedeeltelijke afhankelijkheid. Voor categorie 6 gelden grotendeels dezelfde vereisten, alleen is in deze categorie volledige en blijvende afhankelijkheid vereist in plaats van blijvende gedeeltelijke afhankelijkheid.
4.3.
Wanneer de commissie de categorisering van het letsel baseert op een medisch advies, moet de commissie zich ervan vergewissen dat het advies waarop zij haar besluit baseert zorgvuldig tot stand is gekomen en op een goede motivering berust. [1]
4.4.
Uit artikel 3, eerste lid, sub c, van de Wsg volgt dat naast uitkeringen aan slachtoffers zelf, ook uitkeringen aan naasten van een slachtoffer gedaan kunnen worden als het slachtoffer is overleden of ernstig en blijvend letsel heeft. Deze ‘naasten’-categorie is aan de wet toegevoegd op 1 januari 2019. In de beleidsbundel wordt de situatie besproken waarin iemand als naaste in aanmerking komt voor een uitkering en tegelijkertijd in aanmerking komt voor de uitkering als slachtoffer. In een dergelijke situatie kan een aanvraag gedaan worden als naaste en als slachtoffer. Het Schadefonds kan dan een uitkering verstrekken voor het slachtofferschap én een naastenuitkering met het vaste bedrag van € 5.000,- verstrekken.
Mocht de commissie de aanvragen samenvoegen?
5. Op de zitting heeft eiseres verduidelijkt dat het haar bedoeling was voor drie verschillende categorieën letsel een tegemoetkoming aan te vragen. Ten eerste, het letsel dat eiseres heeft opgelopen als slachtoffer van het huiselijk geweld door haar vader. Ten tweede, het letsel dat eiseres heeft opgelopen door het waarnemen van het huiselijk geweld dat haar vader richting haar moeder pleegde. Ten derde, als naaste van haar moeder. Eiseres stelt zich op het standpunt dat de commissie de aanvragen los had moeten behandelen. Zij heeft daarbij toegelicht dat het moment waarop zij slachtoffer werd van het huiselijk geweld en de momenten waarop zij het huiselijk geweld tegen haar moeder waarnam losse specifieke momenten zijn geweest. Er was niet dagelijks sprake van huiselijk geweld, waardoor dit van elkaar te onderscheiden momenten betreffen.
5.1.
De commissie stelt zich op het standpunt dat de aanvragen wel samengevoegd mochten worden. De commissie heeft de ‘naasten’-aanvraag opgevat als een aanvraag voor een tegemoetkoming van letsel als het gevolg van het waarnemen van huiselijk geweld, aangezien de aanvraag door eiseres slechts was onderbouwd met medische stukken die het eigen letsel van eiseres betroffen. Het waarnemen van en slachtoffer zijn van het huiselijk geweld binnen dezelfde thuissituatie, zijn met elkaar verweven, aldus de commissie. Dat geldt ook voor de psychische gevolgen daarvan; die zijn niet van elkaar te onderscheiden. Het onderbrengen van het letsel in verschillende aanvragen is niet voor de hand liggend, zou zorgen voor complexe causaliteitsvragen en zou ook niet leiden tot een andere tegemoetkoming.
5.2.
De rechtbank kan volgen dat de commissie de ‘naasten’-aanvraag, gelet op de informatie die eiseres op dat formulier heeft ingevuld, heeft opgevat als aanvraag voor tegemoetkoming als waarnemer van het huiselijk geweld gericht tegen haar moeder. Daarbij acht de rechtbank van belang dat uit een telefoonnotitie van 11 juli 2024 blijkt dat de commissie bij eiseres navraag heeft gedaan over de twee aanvragen. In dat gesprek heeft eiseres aangegeven dat zij de aanvraag voor zichzelf had gedaan. De rechtbank kan de commissie ook volgen in het samenvoegen van de beoordeling van het letsel dat volgt uit het waarnemen van het huiselijk geweld en het slachtoffer zijn van huiselijk geweld. Niet te onderscheiden is welk deel van het psychisch letsel van eiseres gevolg is van welke precieze omstandigheden. Al het letsel is immers het gevolg van de thuissituatie met huiselijk geweld. De commissie heeft het letsel van eiseres daarom in zijn geheel mogen beoordelen, om daar een passende tegemoetkoming voor uit te keren.
5.3.
Ter zitting heeft eiseres duidelijk gemaakt dat zij ook bedoeld heeft een aanvraag te doen voor het letsel van haar moeder in het kader van de ‘naasten’-categorie zoals bedoeld in artikel 3, eerste lid, sub c, van de Wsg. In reactie daarop heeft de commissie aangegeven dat een dergelijke aanvraag niet geleid zou hebben tot een uitkering. De ‘naasten’-categorie is op 1 januari 2019 toegevoegd aan de wet. Dit betekent dat het geweldsmisdrijf waarvan het ernstig en blijvend letsel van een naaste een gevolg is, moet hebben plaatsgevonden op of na 1 januari 2019. Het huiselijk geweld waarvoor eiseres een aanvraag doet, heeft daarvoor (tot en met 2014) plaatsgevonden. De losse behandeling van de ‘naasten’-aanvraag zou dus niet hebben geleid tot een andere (hogere) tegemoetkoming.
Is de juiste letselcategorie toegepast?
6. Volgens eiseres valt haar letsel in letselcategorie 6 in plaats van letselcategorie 5. Uit de door eiseres overgelegde medische stukken blijkt dat bij eiseres een borderline-persoonlijkheidsstoornis en een andere gespecificeerde/ongespecificeerde schizofreniespectrum- of andere psychotische stoornis zijn vastgesteld. Daarnaast bestaat er bij eiseres ook een stoornis in middelengebruik. Uit een verklaring van een psycholoog blijkt dat de psychische klachten van eiseres zijn ontstaan door haar opvoedingssituatie en zijn verergerd door de mishandeling van haar vader. Op de zitting heeft eiseres nog gewezen op haar CIZ-indicatie (3GGZ) voor wonen met intensieve begeleiding en gedragsregulering. Zij heeft toegelicht dat ze alleen woont maar 24 uur per dag contact kan opnemen met zorgverleners. Zij kan niet zonder die zorg. Daarnaast is zij 80 tot 100% arbeidsongeschikt verklaard. Eiseres begrijpt niet hoe de medisch adviseur tot het oordeel is gekomen dat zij niet volledig en blijvend afhankelijk is.
6.1.
De rechtbank is van oordeel dat de commissie, met verwijzing naar het medische advies, deugdelijk gemotiveerd heeft dat letselcategorie 5 van toepassing is. De commissie heeft op de zitting in reactie op eiseres toegelicht dat voor de beoordeling of sprake is van letsel dat in letselcategorie 6 valt, de feitelijke situatie van een aanvrager van belang is. Zo kan een Wlz-indicatie wijzen op categorie 6-letsel, maar wanneer uit de feitelijke situatie blijkt dat de aanvrager geen gebruik maakt van 24uurs-zorg of iets dergelijks, wijst dat op categorie 5. Hetzelfde geldt voor arbeidsongeschiktheid. Volgens de commissie kunnen verschillende leefgebieden aangewezen worden waarbij eiseres, eventueel met sturing, zelfstandig kan functioneren. Er is dus geen sprake van
volledigeen blijvende afhankelijkheid. Deze motivering kan de rechtbank volgen.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.H. de Regt, rechter, in aanwezigheid van mr. I.E. Molin, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 19 februari 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Dit volgt uit de artikelen 3:9 en 3:49 van de Awb.