ECLI:NL:RBNHO:2026:1643

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
10 februari 2026
Publicatiedatum
19 februari 2026
Zaaknummer
HAA 25/185
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:19 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep wegens ontbreken procesbelang na herroeping omgevingsvergunning mestsilo

Eisers maakten bezwaar tegen de verlening van een omgevingsvergunning voor de bouw van een mestsilo. Het college verleende de vergunning, maar herroept deze later omdat de mestsilo vergunningvrij is. Eisers blijven beroep voeren tegen deze herroeping.

De rechtbank oordeelt dat het beroep niet-ontvankelijk is vanwege het ontbreken van procesbelang. De eerder verleende vergunning is ingetrokken, waardoor eisers met hun beroep geen actueel belang meer hebben. De rechtbank benadrukt dat het niet gaat om de vraag of eisers gelijk hebben, maar of zij een actueel en reëel belang hebben bij het beroep.

Eisers vrezen overlast en willen weten wie zij kunnen aanspreken, maar deze gronden bieden geen toereikend procesbelang. Ook de vraag of de aanvraag bevoegd was, is irrelevant nu de vergunning is herroepen. De rechtbank wijst erop dat eventuele handhavingsverzoeken een apart traject vormen.

De rechtbank behandelt het beroep niet inhoudelijk en wijst het beroep af. Eisers krijgen geen griffierecht terug en geen proceskostenvergoeding. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep is niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang na herroeping van de omgevingsvergunning.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Alkmaar
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 25/185
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 februari 2026 in de zaak tussen
[eiser]en
[eiseres], uit [plaats 1] , eisers
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hollands Kroon,

verweerder
gemachtigde: mr. M.J.P. Kamp, advocaat te Amsterdam.
Als derde-partijen nemen aan de zaak deel: de maatschap
[derde-partij], uit [plaats 2] en haar maten
[naam 1], uit [plaats 3] en
[naam 2]uit [plaats 2] (hierna: de maatschap),
gemachtigde: mr. W. Koster, werkzaam bij Achmea Rechtbijstand.

Procesverloop

Op 11 januari 2024 heeft [naam 1] een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning voor de bouw van een mestsilo op het perceel [adres] in [plaats 2] .
Met het primaire besluit van 19 april 2024 heeft het college deze omgevingsvergunning verleend.
Op 23 mei 2024 hebben eisers bezwaar gemaakt tegen de verlening van de omgevingsvergunning en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Op 11 juni 2024 heeft de maatschap, althans een van de maten, bij het college een melding ingediend van de plaatsing van een (andere) mestsilo.
Op 17 en 23 juni 2024 heeft [naam 1] een gewijzigd bouwplan ingediend bij de aanvraag van 11 januari 2024. Volgens het gewijzigde bouwplan krijgt de mestsilo een kleiner oppervlakte en een gewijzigde locatie.
Het verzoek om voorlopige voorziening is op 4 juli 2024 afgewezen.
Met het besluit van 11 juli 2024 heeft het college het besluit van 19 april 2024 herroepen omdat hij van mening is dat de gewijzigde aanvraag niet vergunningplichtig is. Op grond van artikel 6:19 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) had het bezwaar van eisers van rechtswege ook betrekking op het besluit van 11 juli 2024 waarmee het primaire besluit is herroepen.
Eisers hebben hun bezwaar bij brief van 18 augustus 2024 aangevuld.
Met het bestreden besluit van 12 december 2024 op het bezwaar van eisers is het college bij de herroeping van het primaire besluit en dus de afwijzing van de omgevingsvergunning gebleven.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. De derde-partijen hebben ook schriftelijk gereageerd.
De rechtbank heeft het beroep van eisers op 10 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers, de gemachtigde van het college en de maten, bijgestaan door de gemachtigde van de maten.
Na afloop van zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Beoordeling door de rechtbank

1. De rechtbank oordeelt dat het beroep niet-ontvankelijk is vanwege het ontbreken van procesbelang. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
2. De bestuursrechter hoeft een beroep alleen inhoudelijk te beoordelen als dit van betekenis is voor de beslechting van een geschil tussen partijen. Daarbij is wel van belang dat het geschil alleen kan gaan over het voorliggende besluit waarbij de intrekking van de omgevingsvergunning is gehandhaafd. Daarbij geldt dat het doel dat de indiener voor ogen staat met het ingestelde rechtsmiddel moet kunnen worden bereikt en voor hem feitelijk van betekenis is. Het gaat niet om de vraag of eiser gelijk heeft, maar om de vraag of eiser een actueel een reëel belang heeft bij een eventueel gelijk. Deze vraag moet worden beantwoord op het moment van het beoordelen van het beroep.
3. Eisers hebben ter zitting aangegeven dat zij vrezen voor overlast door de mestsilo en dat het voor hen van belang is te weten of het bij deze ene mestsilo blijft. Verder willen zij weten wie zij kunnen aanspreken bij eventuele overlast door mestopslag. Ten slotte vragen zij zich af of de aanvraag om de omgevingsvergunning wel door een bevoegd persoon/entiteit was gedaan.
4. In die argumenten is geen toereikend procesbelang bij het voeren van deze procedure gelegen. Voor zover eisers willen dat er geen omgevingsvergunning voor het bouwen van de mestsilo wordt verleend, levert dat geen procesbelang op. Aangezien de door eisers aangevochten omgevingsvergunning al is herroepen, kunnen eisers in beroep niet meer bereiken dan dat geen omgevingsvergunning (meer) wordt verleend. In deze procedure kan alleen nog worden ingegaan op de vraag of de herroeping van de verleende omgevingsvergunning in strijd is met de wet. Anders gezegd: als het eisers er om gaat dat geen vergunning voor de bouw van de mestsilo wordt verleend, dan kunnen zij dat met deze procedure niet meer bereiken, want uiteindelijk is er ook geen vergunning verleend. De juistheid van de herroeping hebben eisers niet betwist.
5. Ten aanzien van de overige beroepsgronden overweegt de rechtbank dat mogelijke, door hen gevreesde toekomstige ontwikkelingen, zoals het oprichten van meer mestsilo’s op het perceel, geen rol kunnen spelen bij de vraag of de eerder op 19 april 2024 verleende omgevingsvergunning nadien op 11 juli 2024 terecht is herroepen. De mogelijke toekomstige ontwikkelingen hebben voor de beoordeling van die herroeping geen feitelijke betekenis.
6. De vraag wie eisers kunnen aanspreken bij eventuele overlast door mestopslag ziet op de kwestie van de (eventuele) handhaving van milieuregels en houdt geen verband met het hier voorliggende besluit waarbij de eerder verleende omgevingsvergunning voor de bouw van de mestsilo is ingetrokken. Ook hierin is derhalve geen procesbelang gelegen. Eenzelfde oordeel treft de door eisers opgeworpen vraag of de aanvraag voor de omgevingsvergunning bevoegd is gedaan. Doordat de omgevingsvergunning is herroepen, is de betekenis van de aanvraag komen te vervallen.
7. In deze procedure kan ook niet aan de orde komen of de voorgenomen bouw van de thans voorziene mestsilo zonder vergunning kan. Als eisers menen dat de bouw van de thans voorziene mestsilo niet vergunningsvrij is, dan kunnen zij zich met een onderbouwd handhavingsverzoek tot het college wenden, waarin zij motiveren dat het bouwwerk niet vergunningsvrij kan worden gebouwd. Als het college dan in een besluit op dat handhavingsverzoek blijft bij het standpunt dat dat bouwwerk vergunningsvrij kan worden gebouwd, kunnen eisers dat besluit in rechte laten toetsen. In deze procedure ligt zo’n besluit niet voor, zodat zij die toetsing in deze procedure ook niet kunnen verkrijgen.
8. Gelet op het voorgaande maakt hetgeen eisers ter zitting hebben aangevoerd niet dat de uitkomst van deze beroepsprocedure alsnog feitelijke betekenis voor hen kan hebben, zodat het vereiste procesbelang ontbreekt.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is niet-ontvankelijk. De rechtbank beoordeelt dus de vraag of de omgevingsvergunning terecht is ingetrokken, niet inhoudelijk. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.
10. Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 10 februari 2026 door mr. R.H.M. Bruin, rechter, in aanwezigheid van mr. I.W. Neleman, griffier.
griffier
rechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.