ECLI:NL:RBNHO:2026:1662

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
18 februari 2026
Publicatiedatum
20 februari 2026
Zaaknummer
11936698 \ CV EXPL 25-7175
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Tussenuitspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 22 RvArt. 139 RvRichtlijn 93/13/EEGArt. 6:230m BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ambtshalve toetsing precontractuele informatieplichten en oneerlijke bedingen in huurovereenkomst

De kantonrechter van de Rechtbank Noord-Holland behandelde een zaak waarin de eisende partij, een woningstichting, de gedaagde partij tot betaling van een bedrag vorderde. De gedaagde partij was niet verschenen, waardoor verstek werd verleend. De rechter stelde ambtshalve vast dat de eisende partij onvoldoende had toegelicht hoe de huurovereenkomst tot stand was gekomen en of aan de (pre)contractuele informatieplichten was voldaan. Dit gebrek kan in een vervolgprocedure leiden tot afwijzing van de vordering.

Daarnaast toetste de kantonrechter de algemene voorwaarden op oneerlijke bedingen conform Richtlijn 93/13/EEG. Het huurprijswijzigingsbeding, gekoppeld aan de CPI, werd niet oneerlijk bevonden. Een tweede prijswijzigingsbeding was niet relevant omdat de overeenkomst binnen vijf jaar was beëindigd. Het rentebeding van 1% per maand rente bij verzuim werd echter voorshands als oneerlijk aangemerkt, omdat dit hoger is dan de wettelijke handelsrente.

De eisende partij kreeg de gelegenheid om bij akte nadere toelichting te geven over de totstandkoming van de overeenkomst en de naleving van informatieplichten, alsmede over het rentebeding. De verdere beslissing werd aangehouden tot de volgende rolzitting op 11 maart 2026. De kantonrechter wees erop dat het niet voldoen aan deze opdracht gevolgen kan hebben volgens de artikelen 22 en 139 Rv.

Uitkomst: De kantonrechter houdt de zaak aan en geeft de eisende partij gelegenheid tot nadere toelichting over de totstandkoming van de overeenkomst en het rentebeding.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Insolventie
locatie Haarlem
Zaaknr./rolnr.: 11936698 \ CV EXPL 25-7175
Uitspraakdatum: 18 februari 2026
Tussenvonnis van de kantonrechter in de zaak van:
Woningstichting Eigen Haard
te Amsterdam
de eisende partij
gemachtigden: [gemachtigde] en mr. E. Krom
tegen
[gedaagde]
te [plaats]
de gedaagde partij
niet verschenen

1.De procedure

1.1.
De eisende partij heeft de gedaagde partij gedagvaard. Tegen de gedaagde partij is verstek verleend.

2.De beoordeling

2.1.
De eisende partij vordert veroordeling van de gedaagde partij tot betaling van € 450,43, te vermeerderen met de wettelijke rente en de proceskosten.
Ambtshalve toetsing van de precontractuele informatieplichten
2.2.
De eisende partij heeft niet gesteld en onderbouwd dat zij heeft voldaan aan de op haar rustende (pre)contractuele informatieplichten. De eisende partij heeft namelijk nagelaten een concrete toelichting te geven op de wijze van totstandkoming van de overeenkomst en hoe zij in die situatie heeft voldaan aan de op haar rustende informatieplichten. De kantonrechter kan daarom niet vaststellen op welke wijze de overeenkomst tot stand is gekomen (op afstand, buiten de verkoopruimte of binnen de verkoopruimte) en of aan de gedaagde partij op duidelijke en begrijpelijke wijze de hiervoor bedoelde essentiële informatie is verstrekt.
2.3.
Weliswaar heeft de eisende partij producties bij de dagvaarding overgelegd, maar zonder toe te lichten welke delen daarvan relevant zijn voor welk standpunt. Producties kunnen stellingen enkel ondersteunen en niet vervangen. Het is niet aan de kantonrechter om eigenhandig op zoek te gaan naar informatie. [1] Het is dus aan de eisende partij om concreet aan te geven welke informatie in welke productie te vinden is (bijvoorbeeld door de relevante onderdelen in de producties te onderstrepen of te arceren).
De kantonrechter wijst de eisende partij erop dat het ontbreken van een dergelijke toelichting in eventuele vervolgzaken [2] kan leiden tot afwijzing van de vordering.
2.4.
In dit geval en bij wijze van uitzondering zal de eisende partij echter eenmalig in de gelegenheid worden gesteld om bij akte toe te lichten op welke wijze de overeenkomst tot stand is gekomen (op afstand, buiten de verkoopruimte of binnen de verkoopruimte) en of aan de gedaagde partij de hiervoor bedoelde essentiële informatie is verstrekt.
Ambtshalve toetsing van oneerlijke bedingen
2.5.
De kantonrechter moet onderzoek doen naar (mogelijk) oneerlijke bedingen in de toepasselijke algemene voorwaarden. [3] Algemene voorwaarden kunnen ook in de overeenkomst zelf zijn opgenomen. Volgens Richtlijn 93/13/EEG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten is een beding oneerlijk wanneer dit het evenwicht tussen de wederzijdse rechten en verplichtingen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort. De kantonrechter moet in iedere procedure over ieder onderdeel van de vordering beoordelen of daarover in de algemene voorwaarden afspraken zijn gemaakt en of die afspraken al dan niet oneerlijk zijn ten opzichte van de consument. Als de kantonrechter oordeelt dat een contractuele afspraak oneerlijk is, moet het beding worden vernietigd en moet de vordering op dat onderdeel worden afgewezen (ook als de eisende partij in de procedure een beroep doet op wettelijke bepalingen in plaats van op die contractuele afspraak).
2.6.
De overeenkomst bevat een huurprijswijzigingsbeding dat aansluit bij het CPI. Dat is door de kantonrechter getoetst en niet oneerlijk bevonden. In de overeenkomst staat nog een prijswijzigingsbeding. Voorwaarde voor toepassing van dit tweede beding is dat vijf jaren verstreken zijn na het ingaan van de overeenkomst. De overeenkomst in kwestie is echter binnen vijf jaar beëindigd. Daarom houdt dit beding geen verband met de onderhavige vordering en zal de kantonrechter dit beding niet toetsen op (on)eerlijkheid.
2.7.
Op de overeenkomst(en) zijn de volgende algemene voorwaarden van de eisende partij van toepassing verklaard: ‘Algemene bepalingen Garageboxen en parkeerplaatsen’ van 1 augustus 2018 (hierna: de algemene voorwaarden).
2.8.
De aanvulling op het prijswijzigingsbeding in artikel 5 lid Pro 1, lid 2 en lid 3 van de algemene voorwaarden is door de kantonrechter getoetst en niet oneerlijk bevonden. De aanvulling op het prijswijzigingsbeding in artikel 5 lid 4 tot Pro en met 9 van de algemene voorwaarden houdt geen verband met de onderhavige vordering en zal de kantonrechter niet toetsen op (on)eerlijkheid.
2.9.
Artikel 18 lid 1 van Pro de algemene voorwaarden betreft een rentebeding. Dat luidt als volgt:
‘Als huurder verzuimt tijdig en volledig de huursom of andere afgesproken bedragen te betalen is hij 1% rente per maand verschuldigd (…).’
2.10.
De bedongen rente bedraagt 1% per maand. Dat is meer dan de wettelijke handelsrente op het moment van het sluiten van de overeenkomst. Het rentebeding is daarom vermoedelijk oneerlijk. De kantonrechter is voornemens het rentebeding te vernietigen de gevorderde wettelijke rente af te wijzen. De eisende partij wordt in de gelegenheid om zich hierover uit te laten.
Conclusie
2.11.
De eisende partij wordt in de gelegenheid gesteld zich om bij akte toe te lichten op welke wijze de overeenkomst tot stand is gekomen (op afstand, buiten de verkoopruimte of binnen de verkoopruimte) en hoe zij daarbij heeft voldaan aan de op haar rustende (pre)contractuele informatieplichten en om zich uit te laten over het voorshands uitgesproken oordeel omtrent de oneerlijkheid van het hiervoor genoemde beding.
2.12.
Als aan de hierboven bedoelde opdracht niet of niet volledig wordt voldaan, zal de kantonrechter daaraan op grond van de artikelen 22 en 139 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering de gevolgen verbinden die hij geraden acht.
2.13.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

3.De beslissing

De kantonrechter:
3.1.
verwijst de zaak naar de rol van 11 maart 2026 om de eisende partij in de gelegenheid te stellen zich bij akte uit te laten over het voorshands uitgesproken oordeel zoals hiervoor is overwogen;
3.2.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. W.S.J. Thijs en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter

Voetnoten

1.Hoge Raad 10 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:404.
2.Ingeleid met een dagvaarding vanaf 1 maart 2026.
3.HvJ EU 27 januari 2021, C‑229/19 en C‑289/19, ECLI:EU:C:2021:68 (Dexia).