ECLI:NL:RBNHO:2026:1704

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
19 februari 2026
Publicatiedatum
20 februari 2026
Zaaknummer
HAA 26/661
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 125 GemeentewetArt. 5:21 AwbArt. 5:1 AwbArt. 8:81 AwbArt. 2:80 Apv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening tegen last onder bestuursdwang sluiting pand wegens strafbare activiteiten

De zaak betreft een verzoek om een voorlopige voorziening tegen een last onder bestuursdwang die de burgemeester van Stede Broec heeft opgelegd aan verzoekster, eigenaar van een pand waar een kapsalon wordt geëxploiteerd. De last houdt in dat het pand vanaf 14 januari 2026 voor drie maanden wordt gesloten vanwege de aanwezigheid van 102 lege lachgascilinders en meldingen over drugshandel, wat duidt op strafbare en ondermijnende activiteiten.

Verzoekster betwist haar aanmerkingen als overtreder en voert aan dat zij niet betrokken is bij de strafbare gedragingen van de huurder en dat de last onevenredig en contraproductief is. De voorzieningenrechter beoordeelt eerst het spoedeisend belang en concludeert dat dit ontbreekt, omdat het belang louter financieel is en niet concreet onderbouwd.

Vervolgens wordt het bestreden besluit inhoudelijk getoetst. De voorzieningenrechter volgt de burgemeester in de uitleg dat de last een herstelsanctie is gericht op het pand en dat verzoekster als eigenaar verantwoordelijk is voor het gebruik en toezicht. De criteria voor functioneel daderschap worden toegepast en verzoekster wordt terecht als overtreder aangemerkt. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat het besluit niet evident onrechtmatig is.

De uitspraak benadrukt dat de bestuursrechtelijke maatregel losstaat van civielrechtelijke mogelijkheden tot ontbinding of ontruiming en dat het belang van openbare orde en veiligheid prevaleert. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep mogelijk.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de last onder bestuursdwang tot sluiting van het pand wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Alkmaar
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 26/661

uitspraak van de voorzieningenrechter van 19 februari 2026 in de zaak tussen

[verzoekster] B.V., uit [plaats 1] , verzoekster

(gemachtigde: mr. W.J.M. Loomans),
en

de Burgemeester van de gemeente Stede Broec, de burgemeester

(gemachtigde: mr. A. Nolten en mr. J.A.A. van Gaalen).

Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [derde-partij] uit [plaats 2]

(gemachtigde: mr. F.M.H. van Mullekom).

Samenvatting

1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over het opleggen van een last onder bestuursdwang aan [verzoekster] B.V. (verzoekster) als eigenaar van het pand gelegen op het adres [adres] in [plaats 2] (het pand). Die last houdt in dat het pand met ingang van 14 januari 2026, voor een periode van drie maanden, tot en met 13 april 2026 wordt gesloten. Verzoekster is het hier niet mee eens. Zij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan.
1.1.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Met het besluit van 7 januari 2026 (het bestreden besluit) heeft de burgemeester op grond van artikel 125 van Pro de Gemeentewet in samenhang gelezen met artikel 5:21 en Pro verder van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 2:80, eerste lid, van de Algemene plaatselijke verordening Stede Broec 2019 (hierna: Apv) voornoemde last onder bestuursdwang aan verzoekster opgelegd.
2.1.
Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
2.2.
De burgemeester heeft op 12 januari 2026 een wijzigingsbesluit genomen inhoudende dat de ingangsdatum van de sluiting nader is bepaald op drie dagen na de uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening met procedurenummer HAA 26/164 of drie dagen na de intrekking van dit verzoek om voorlopige voorziening.
2.3.
De burgemeester heeft op het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening gereageerd met een verweerschrift.
2.4.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 5 februari 2026 op zitting behandeld gezamenlijk met het verzoek om een voorlopige voorziening geregistreerd onder zaaknummer HAA 26/164. Hieraan hebben deelgenomen: [naam 1] en [naam 2] namens verzoekster, de gemachtigde van verzoekster, de gemachtigden van de burgemeester, de derde-partij en de gemachtigde van de derde-partij, mr. F.M.H. van Mullekom.

Overwegingen

3. Verzoekster is de eigenaar van het pand en verhuurt dit aan de derde-partij, die daarin een kapsalon exploiteert. Op 18 december 2025 heeft de politie de melding gekregen dat er brandbommen waren gegooid naar de kapsalon in het pand. Als gevolg hiervan zijn twee ontploffingen waargenomen en is er een brand ontstaan bij de voordeur van het pand. Deze brand is geblust door omstanders. Vanwege de brand is de brandweer ter plaatse gekomen en zij hebben het pand betreden. Hierbij waarschuwden zij de aanwezige politie dat er achter in de kapsalon (lachgas)cilinders lagen. Er zijn 102 lege cilinders aangetroffen in het pand. De burgemeester heeft op 22 december 2025 hierover een bestuurlijke rapportage ontvangen.
4. In het op schrift gestelde besluit heeft de burgemeester – kort samengevat – gemotiveerd waarom gekozen is voor sluiting van het pand. De burgemeester is op grond van de aanwezigheid van 102 (lege) lachgascilinders en de omstandigheid dat in de periode 2021 tot en met heden enkele anonieme meldingen zijn gedaan over de handel van drugs vanuit het pand tot de conclusie gekomen dat in of vanuit het pand strafbare gedragingen en/of criminele activiteiten in of vanuit het pand worden gefaciliteerd. Handelingen met betrekking tot lachgas (distikstofmonoxide) zijn strafbaar op grond van de Opiumwet. Sinds 1 januari 2023 is lachgas opgenomen op lijst II van de Opiumwet, waardoor het voorhanden hebben, vervoer, verkoop en productie ervan strafbaar is. De burgemeester heeft in het kader van de noodzakelijkheid opgemerkt dat voornoemde meldingen, in samenhang bezien met de aanwezigheid van de lachgascilinders en de explosie bij het pand, het beeld versterken dat het pand structureel wordt gebruikt voor strafbare en ondermijnende activiteiten. Daarbij heeft de burgemeester ook betrokken dat er gelijktijdig met de explosie bij het pand een vergelijkbare aanslag heeft plaatsgevonden bij een horecagelegenheid van de familie van de derde-partij. De burgemeester heeft verzoekster op grond van artikel 5:1, tweede lid, Awb aangemerkt als overtreder, omdat zij als eigenaar van het pand (mede) verantwoordelijk is voor de staat waarin het pand zich bevindt en de activiteiten die aldaar plaatsvinden.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Waarover moet de voorzieningenrechter beslissen?
5. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter over het verzoek om schorsing van het bestreden besluit.
Is er sprake van spoedeisend belang?
6. Voordat aan inhoudelijke beoordeling van het verzoek om voorlopige voorziening kan worden toegekomen, moet eerst, zoals artikel 8:81, eerste lid, van de Awb bepaalt, worden beoordeeld of sprake is van onverwijlde spoed. Een financieel belang is in de regel op zichzelf onvoldoende reden om een voorlopige voorziening te treffen. Eventuele schade kan immers worden verhaald indien achteraf blijkt dat het bestreden besluit onrechtmatig is. Een spoedeisend belang kan echter wel worden aangenomen als aannemelijk is dat verzoekster in een financiële noodsituatie zal komen te verkeren [1] .
7. Verzoekster heeft ter onderbouwing van het spoedeisend belang er op gewezen dat de bestuurders van verzoekster leven van een AOW-uitkering en de huuropbrengsten van het pand.
7.1.
In het door verzoekster gestelde ziet de voorzieningenrechter geen reden om een spoedeisend belang aan te nemen. De bestuurders van verzoekster wonen zelf niet in het pand en gebruiken het niet voor zichzelf, anders dan door verhuur. Het belang dat verzoekster raakt, is louter een financieel belang. Dat belang is verder niet onderbouwd. Niet is gesteld of gebleken dat verzoekster door de sluiting in een financiële noodsituatie komt te verkeren. De stelling dat verzoekster geen huur kan vragen indien zij als mede-overtreder is aangemerkt, is daartoe onvoldoende. Verzoekster heeft op geen enkele wijze met concrete cijfers of stukken inzicht gegeven in haar financiële situatie en de gevolgen die de sluiting voor die financiële situatie meebrengt.
7.2.
Omdat geen sprake is van spoedeisend belang, kan de gevraagde voorziening alleen nog worden getroffen als het bestreden besluit evident onrechtmatig is.
Met een evident onrechtmatig besluit wordt bedoeld dat zonder diepgaand onderzoek naar de relevante feiten en/of het recht zeer ernstig moet worden betwijfeld of het door de burgemeester ingenomen standpunt juist is en het besluit tot sluiting in de bezwaarprocedure in stand zal blijven.
Evident onrechtmatig?
8. Verzoekster voert aan dat zij niet als functioneel dader kan worden aangemerkt. Zij is op geen enkele wijze betrokken bij de strafbare gedragingen die de huurder kennelijk in het pand heeft verricht en die gevaar opleveren. Het enkele feit dat verzoekster eigenaar en verhuurder is, is volgens haar onvoldoende om als overtreder te worden aangemerkt. Verzoekster verwijst daarbij naar de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling), waarin sinds 2023 voor het aannemen van functioneel daderschap wordt aangesloten bij de criteria van de Hoge Raad. Volgens verzoekster is in dit geval niet voldaan aan die criteria, omdat de gedragingen niet hebben plaatsgevonden in de sfeer van de rechtspersoon, niet passen binnen de normale bedrijfsvoering, niet dienstig zijn geweest aan de rechtspersoon en niet door haar zijn aanvaard of konden worden voorkomen. Daarbij wordt gewezen op de leeftijd van de bestuurders, de heer en mevrouw [achternaam] zijn 83 respectievelijk 82 jaar oud, het ontbreken van feitelijke beschikkingsmacht over het pand (zij beschikken niet over sleutels van het pand) en het ontbreken van signalen die aanleiding hadden moeten geven tot ingrijpen. De aan verzoekster gerichte last is volgens verzoekster onevenredig en contra-productief. Er is immers al een last opgelegd aan de huurder waar hij naar verwachting aan moet voldoen. De sluiting is volgens verzoekster juist voor de eigenaar van een pand dé mogelijkheid om de huurovereenkomst door de rechter te laten ontbinden en/of in kort geding ontruiming te vorderen. Een dergelijke actie wordt aanmerkelijk minder kansrijk als de verhuurder ook zelf als overtreder wordt aangemerkt en dus de sluiting aan zichzelf te wijten zou hebben.
9. De burgemeester betwist het standpunt van verzoekster dat zij ten onrechte als overtreder is aangemerkt. De burgemeester heeft toegelicht dat het bestreden besluit is bedoeld als herstelsanctie ter bescherming van de openbare orde en veiligheid op grond van artikel 2:80 van Pro de Apv en niet strekt tot het opleggen van een bestraffende sanctie. Voor de bevoegdheid tot sluiting is niet vereist dat de eigenaar persoonlijk betrokken is bij strafbare feiten, maar dat in het pand activiteiten plaatsvinden die de openbare orde en veiligheid ernstig aantasten. De maatregel is pandgericht. Het aanmerken van verzoekster als overtreder dient in dit kader ter legitimering van het besluit en betekent niet dat aan verzoekster strafrechtelijke verwijtbaarheid wordt toegedicht. De burgemeester wijst erop dat op grond van artikel 5:1, tweede lid, van de Awb onder overtreder wordt verstaan:
degene die de overtreding pleegt of medepleegt. Voorts is het van belang dat een overtreder het in zijn macht moet hebben de overtreding te (laten) beëindigen. Vast staat dat verzoekster niet zelf de strafbare gedragingen, die een gevaar opleveren voor de openbare orde en veiligheid, heeft begaan. Echter ook in het geval dat een gedraging niet fysiek wordt verricht door de overtreder kan iemand toch worden aangemerkt als overtreder in het geval de gedraging wel aan diegene is toe te rekenen, aldus de burgemeester.
10.1.
De voorzieningenrechter ziet geen grond voor het oordeel dat het bestreden besluit evident onrechtmatig is en overweegt daartoe als volgt.
10.2.
De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoekster niet de sluiting van het pand als zodanig bestrijdt, maar dat zij meent dat verzoekster ten onrechte als overtreder is aangemerkt, door ook aan haar de last onder bestuursdwang op te leggen.
10.3.
Gelet op de uitspraak van de Afdeling van 31 mei 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2067 moet, hetgeen ook niet in geschil is, ook voor herstelsancties worden aangesloten bij de strafrechtelijke criteria voor functioneel daderschap. Zoals de Afdeling uiteen heeft gezet in de uitspraak van 31 mei 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2067 kan een rechtspersoon worden aangemerkt als overtreder indien de desbetreffende gedraging redelijkerwijs aan die rechtspersoon kan worden toegerekend. Daarbij is van belang of de gedraging is verricht in de sfeer van de rechtspersoon. Daarvan kan sprake zijn indien zich een of meer van de navolgende omstandigheden voordoen:
a. a) het gaat om een handelen of nalaten van iemand die hetzij uit hoofde van een dienstbetrekking hetzij uit anderen hoofde werkzaam is ten behoeve van de rechtspersoon,
b) de gedraging past in de normale bedrijfsvoering of taakuitoefening van de rechtspersoon,
c) de gedraging is de rechtspersoon dienstig geweest in het door hem uitgeoefende bedrijf of in diens taakuitoefening,
d) de rechtspersoon vermocht erover te beschikken of de gedraging al dan niet zou plaatsvinden en zodanig of vergelijkbaar gedrag werd blijkens de feitelijke gang van zaken door de rechtspersoon aanvaard of placht te worden aanvaard, waarbij onder bedoeld aanvaarden mede begrepen is het niet betrachten van de zorg die in redelijkheid van de rechtspersoon kon worden gevergd met het oog op de voorkoming van de gedraging. Niet vereist is dat zich alle of meerdere van de onder a tot en met d vermelde omstandigheden voordoen.
10.4.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat de burgemeester voldoende heeft gemotiveerd dat van verzoekster als eigenaar van het pand mocht worden verwacht dat zij meer toezicht zou uitoefenen op het pand. Zij kon beschikken over de wijze van het gebruik van het pand, omdat zij de eigenaar is van het pand en daarmee verantwoordelijk is voor het gebruik ervan. Een pandeigenaar kan in de regel beschikken over de wijze van gebruik van zijn pand, ook als hij deze heeft verhuurd. De gedraging raakt verder direct aan de vastgoed-verhuurfunctie, omdat de rechtspersoon het “platform” (het pand) organiseert en onderhoudt waarbinnen het gebruik plaatsvindt en waarop toezicht en zorgverplichtingen rusten. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verzoekster de gedraging aanvaard door niet de zorg te betrachten die in redelijkheid van haar kon worden gevergd met het oog op de voorkoming van de gedraging. [2] Namens verzoekster is ter zitting toegelicht dat de bestuurder van verzoekster ongeveer één keer per vijf weken in het pand naar de kapper ging voor een knipbeurt en dan dus controleerde of het een kapsalon was. Feitelijke controles op het gebruik van het hele pand hebben niet plaatsgevonden. Dat de bestuurders van verzoekster op leeftijd zijn en niet over een sleutel van het pand beschikken, ontslaat verzoekster echter niet van haar verantwoordelijkheid. De burgemeester heeft in dit verband terecht gewezen op de mogelijkheid dat de bestuurders een beheerder hadden kunnen inschakelen teneinde aan die verantwoordelijkheid te kunnen voldoen. In het beroep van verzoekster op de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, ECLI:NL:RBZWB:2024:1911, ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding voor een ander oordeel. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is onderhavige situatie niet vergelijkbaar met de situatie in de genoemde uitspraak, omdat in die situatie sprake was van verhuur van een woning voor een paar dagen. De door verzoekster overgelegde huurovereenkomst met de derde-partij en de bijbehorende algemene voorwaarden, biedt zonder nadere toelichting evenmin aanknopingspunten voor een ander oordeel. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is verzoekster derhalve terecht als overtreder aangemerkt en was de burgemeester dus bevoegd aan verzoekster een last onder bestuursdwang op te leggen.
10.5.
Verder heeft verzoekster aangevoerd dat het besluit onevenredig en contraproductief is. De burgemeester heeft erop gewezen dat het gebruikelijk is dat gelijktijdig (dezelfde) lasten worden opgelegd, omdat beide kunnen bijdragen aan beëindiging van de overtreding. Daarmee wordt verzekerd dat het herstel daadwerkelijk plaatsvindt, ook indien één van de overtreders geen gevolg geeft aan de last. De voorzieningenrechter kan het standpunt van de burgemeester volgen, omdat de maatregel pandgericht is. De voorzieningenrechter ziet niet in, anders dan verzoekster, dat de omstandigheid dat verzoekster voornemens is de huurovereenkomst te ontbinden of de ontruiming via civielrechtelijke weg te vorderen het opleggen van een last onevenredig of contraproductief maakt. De stelling van verzoekster dat het aanmerken als overtreder de civielrechtelijke mogelijkheden tot ontbinding of ontruiming bemoeilijkt, kan daaraan niet afdoen. Die omstandigheid valt buiten de beoordeling van het besluit tot een bestuursrechtelijke maatregel. Die strekt immers primair tot het herstellen en beschermen van de openbare orde en veiligheid. Gelet op door de burgemeester genoemde omstandigheden op grond waarvan hij een sluiting noodzakelijk acht, volgt de voorzieningenrechter verzoekster niet in het betoog dat de burgemeester tot een andere afweging had moeten komen.
10.6.
Gelet op het voorgaande is van een evident onrechtmatig besluit geen sprake. Wat verzoekster verder heeft aangevoerd, leidt de voorzieningenrechter niet tot een ander oordeel. Zij ziet daarom geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen.

Conclusie en gevolgen

11. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.R. ten Berge, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.H. Boomsma, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 19 februari 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.