ECLI:NL:RBNHO:2026:1720

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
17 februari 2026
Publicatiedatum
23 februari 2026
Zaaknummer
25/6075
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 2.20 Wet BRP
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening tegen weigering inschrijving BRP op opgegeven adres

Verzoeker heeft een voorlopige voorziening gevraagd tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Landsmeer om zijn inschrijving in de Basisregistratie Personen (BRP) op een opgegeven adres te weigeren. Het college wees het verzoek af omdat het adres niet voorkomt in de BRP noch in de Basisregistratie Adressen en Gebouwen (BAG).

De voorzieningenrechter oordeelt dat verzoeker geen spoedeisend belang heeft bij het treffen van een voorlopige voorziening, mede omdat verzoeker wel staat ingeschreven op een briefadres in Amsterdam. Hierdoor kan hij basisvoorzieningen aanvragen en is er geen sprake van een evidente onrechtmatigheid van het besluit.

Verzoeker stelde dat hij in een noodsituatie verkeert en dat de weigering zijn bedrijfsvoering belemmert, maar zonder nadere toelichting en gezien zijn afwezigheid op de zitting blijft dit voor risico van verzoeker. De voorzieningenrechter concludeert dat het bezwaar tegen het besluit kan worden afgewacht en dat het college niet verplicht is de adreswijziging voorlopig te registreren.

De uitspraak is gedaan door voorzieningenrechter M.H. Affourtit-Kramer en griffier E. Degen op 17 februari 2026. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep of verzet mogelijk.

Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening tegen de weigering van inschrijving in de BRP wordt afgewezen wegens gebrek aan spoedeisend belang en geen evident onrechtmatig besluit.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 25/6075

uitspraak van de voorzieningenrechter van 17 februari 2026 in de zaak tussen

[verzoeker] , uit Amsterdam , verzoeker

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Landsmeer

(gemachtigden: M. Berendschot en M. van Gogh).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de vraag of er hangende een bezwaarprocedure tegen de afwijzing van het verzoek van verzoeker om verwerking van een adreswijziging in de Basisregistratie personen (Brp) een voorlopige voorziening moet worden getroffen.
1.1.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. De voorzieningenrechter doet dit omdat zij van oordeel is dat verzoeker geen spoedeisend belang heeft bij het treffen van een voorlopige voorziening én omdat zij van oordeel is dat het besluit waartegen verzoeker opkomt niet evident onrechtmatig is. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Procesverloop

2.1
Met het bestreden besluit van 2 december 2025 heeft het college het verzoek om inschrijving in de Brp op het adres Landsmeer [locatie] afgewezen, omdat genoemd adres niet voorkomt in de Brp en ook niet in de Basisregistratie adressen en gebouwen (Bag)
.Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
2.2
Bij brief van 24 december 2025 heeft het college de rechtbank ervan in kennis gesteld dat verzoeker in de Brp staat ingeschreven met het briefadres [adres] in Amsterdam .
2.3
De rechtbank heeft deze mededeling doorgestuurd naar verzoeker met de vraag of hij daarin aanleiding ziet om het verzoek in te trekken,
2.4
Verzoeker heeft hierop gereageerd per mail van 3 januari 2026. Verzoeker heeft het verzoek niet ingetrokken.
2.5
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 2 februari 2026 op zitting behandeld. Verzoeker is niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

3. De voorzieningenrechter kan op grond van het bepaalde in artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. De voorzieningenrechter treft in beginsel alleen een voorlopige voorziening indien zij van oordeel is dat de uitkomst van de lopende bodemprocedure (in dit geval de bezwaarprocedure) niet kan worden afgewacht, of als het besluit waartegen de voorlopige voorziening wordt gevraagd evident onrechtmatig is.
Beoordeling spoedeisendheid
4. Verzoeker heeft gesteld dat zijn verzoek spoedeisend is, naar de voorzieningenrechter begrijpt, omdat hij in een actuele noodsituatie verkeert, hij is uitgesloten van basisvoorzieningen, hij was dakloos tijdens de kerstperiode en omdat zijn onderneming niet normaal kan functioneren (omdat hij geen financiering kan krijgen).
5. Naar aanleiding van de mededeling van het college dat verzoeker wel staat ingeschreven in de Brp op een Amsterdams briefadres, heeft de voorzieningenrechter verzoeker in overweging gegeven om het verzoek om een voorlopige voorziening in te trekken, dan wel gemotiveerd aan te geven waarom hij ondanks dit briefadres toch een spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorlopige voorziening. Dit, omdat verzoeker zich met dit briefadres kan wenden tot de gemeente Amsterdam voor basisvoorzieningen, zoals bijstand en maatschappelijke opvang.
6. Verzoeker heeft hierop gereageerd per e-mail van 3 januari 2026, aangevuld op 22 januari 2026. Verzoeker trekt zijn verzoek niet in, omdat niet is tegemoetgekomen aan zijn verzoek en omdat het uitblijven van een Bag-registratie het onmogelijk maakt om noodzakelijke renovaties te plannen. Ook wordt bancaire financiering van deze renovaties verhinderd en blokkeert dit een normale bedrijfsvoering, aldus verzoeker.
7.1
De voorzieningenrechter merkt allereerst op dat het in deze zaak gaat om de vraag of het college de inschrijving in het Brp kon weigeren. Het gaat in deze zaak niet om een Bag-registratie.
7.2
Zonder nadere toelichting valt voor de voorzieningenrechter niet in te zien waarom verzoeker de uitkomst van zijn bezwaar tegen de weigering tot inschrijving van verzoeker op het door hem genoemde adres in het Brp niet kan afwachten. De voorzieningenrechter neemt hierbij in aanmerking dat verzoeker wel staat ingeschreven in de Brp, zodat de weigering van inschrijving op het door verzoeker gewenste adres er niet toe leidt dat verzoeker niet langer in de Brp is opgenomen. Acute problemen met instanties of een mogelijke werkgever vallen daarom niet te verwachten.
7.3
Ook valt zonder nadere toelichting van verzoeker niet in te zien
waarom de weigering van het college verzoekers bedrijfsvoering en daarmee samenhangende renovatie- en financieringsplannen in de weg staat. Omdat verzoeker, ondanks daartoe uitgenodigd te zijn, niet op de zitting is verschenen, dient dit naar het oordeel van de voorzieningenrechter voor risico van verzoeker te blijven.
7.4
De voorzieningenrechter gaat er daarom van uit dat het voor het treffen van een voorlopige voorziening het vereiste spoedeisende belang ontbreekt.
Voorlopig rechtmatigheidsoordeel
8.1
Uit artikel 2.20 van de Wet Brp volgt dat een adresregistratie in de Brp naar aanleiding van een aangifte door een ingezetene wordt gewijzigd, tenzij aannemelijk is dat de gegevens uit de aangifte onjuist zijn.
8.2
Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State [1] volgt dat als een opgegeven adres niet in de Bag is opgenomen, en niet aannemelijk is geworden dat door de aangever feitelijk op het opgegeven adres wordt gewoond, dit voldoende is om als grondslag te kunnen dienen voor een weigering om een aangegeven adreswijziging in de Brp op te nemen.
9. Het college heeft vastgesteld dat het door verzoeker opgegeven adres aangegeven niet voorkomt in de Brp en in de Bag en verzoeker heeft dit niet betwist. Dit vormt op zichzelf een aanwijzing dat de gegevens van de adreswijziging die verzoeker bij het college heeft doorgegeven niet juist is. Gelet hierop is naar het oordeel van de voorzieningenrechter van een evident onjuist besluit geen sprake. Dat niet is vastgesteld of verzoeker woont op het door hem opgegeven adres maakt dit niet anders. De voorzieningenrechter heeft hierbij in aanmerking genomen dat het college dit in bezwaar alsnog kan onderzoeken en/of vaststellen én dat er nu nog geen aanwijzingen zijn die erop duiden dat verzoeker wèl op het door hem opgegeven adres woont.

Conclusie en gevolgen

10. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af omdat niet is gebleken dat de uitkomst van de bezwaarprocedure niet kan worden afgewacht en niet is gebleken van een evident onrechtmatig besluit. Dat betekent dat het college de door verzoeker opgegeven adreswijziging niet voorlopig hoeft te registreren in de Brp. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.H. Affourtit-Kramer, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. E. Degen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 17 februari 2025.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 16 oktober 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3499.