ECLI:NL:RBNHO:2026:1722

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
24 februari 2026
Publicatiedatum
23 februari 2026
Zaaknummer
C/15/366625 / HA RK 25/83
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 RvArt. 194 RvArt. 196 RvArt. 197 lid 2 RvArt. 14 lid 1 Rome II-verordening
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing verzoek voorlopig getuigenverhoor en afgifte bescheiden in handelsgeschil over levering drones

RTFC, een Pools bedrijf, verzoekt de rechtbank om een voorlopig getuigenverhoor te bevelen van drie verweerders en om afgifte van diverse bescheiden met betrekking tot de levering van drones en de overdracht van een bouwonderneming. De verweerders zijn Nederlandse besloten vennootschappen en natuurlijke personen die betrokken zijn bij de levering en bedrijfsvoering.

De rechtbank stelt vast dat de Nederlandse rechter bevoegd is en Nederlands recht van toepassing is. RTFC heeft voldoende belang bij het verzoek omdat zij betaling heeft gedaan voor drones die niet zijn geleverd en zij duidelijkheid wil over de overdracht van de onderneming en mogelijke benadeling van schuldeisers.

De rechtbank wijst het verzoek toe, ondanks verweren van verweerders dat zij niet over alle gevraagde informatie beschikken of dat RTFC ook rechtstreeks contact had met de Chinese leverancier. Het verzoek om afgifte van bepaalde gegevens wordt deels afgewezen, zoals voor gegevens die niet bestaan of onvoldoende belang opleveren.

De rechtbank beveelt het voorlopig getuigenverhoor en de afgifte van bescheiden binnen veertien dagen na beschikking. De proceskosten worden gecompenseerd, iedere partij draagt eigen kosten. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en het meer of anders verzochte wordt afgewezen.

Uitkomst: Verzoek tot voorlopig getuigenverhoor en afgifte van bescheiden wordt toegewezen met enkele beperkingen.

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Insolventie
Zittingsplaats Haarlem
zaaknummer / rekestnummer: C/15/366625 / HA RK 25/83
Beschikking van 24 februari 2026
in de zaak van
1. de rechtspersoon naar buitenlands recht
RTFC.PL.SP.Z O.O.,
statutair en feitelijk gevestigd te Krakau (Polen),
2. rechtspersoon naar buitenlands recht
TAX FREE CLUB SP. Z O.O.,
statutair gevestigd te Warschau (Polen) en feitelijk gevestigd te Krakau (Polen),
verzoeksters,
hierna te noemen: (in enkelvoud) RTFC,
advocaat mr. F.Th.P. van Voorst,
tegen:
1. de (ontbonden) besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[verweerder 1] B.V.,
statutair gevestigd te [plaats 1],
verwerende partij,
hierna: [verweerder 1],
2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[verweerder 2] B.V.,
gevestigd te [plaats 1],
verwerende partij,
hierna: [verweerder 2],
3.
[verweerder 3],
wonende/verblijvende te [plaats 2], Californië (Verenigde Staten van Amerika),
verwerende partij,
hierna: [verweerder 3],
4.
[verweerder 4],
wonende te [plaats 3],
verwerende partij,
hierna: [verweerder 4],
5. 5.
[verweerder 5],
wonende te [plaats 4],
verwerende partij,
hierna: [verweerder 5].
[verweerder 1], [verweerder 2], [verweerder 3], [verweerder 4] en [verweerder 5] hierna samen te noemen: verweerders

1.De procedure

1.1.
Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:
- de beschikking van 21 oktober 2025 (hierna ook: de tussenbeschikking) en de daarin genoemde stukken
- de oproepingsbrieven van de rechtbank van 4 november 2025 voor de mondelinge behandeling op 13 januari 2026
- de mondelinge behandeling op 13 januari 2026 van welke zitting de griffier aantekeningen heeft bijgehouden.
1.2.
In de tussenbeschikking heeft de rechtbank het gesloten onderzoek ter zitting heropend. De rechtbank heeft vastgesteld dat de oproepbrief aan [verweerder 3] naar België is gestuurd terwijl [verweerder 3] verzoeksters eerder al had meegedeeld daar niet meer te wonen en daarbij een nieuw adres in de Verenigde Staten heeft verstrekt. De rechtbank heeft onder meer het volgende overwogen:
4.9.
De rechtbank houdt daarom de behandeling van het verzoek aan en bepaalt dat er een nadere mondelinge behandeling zal plaatsvinden. Daarbij is het niet nodig dat de andere verweerders op de zitting verschijnen. Zij hebben al op het verzoekschrift gereageerd en hebben ook vragen van de rechtbank beantwoord. Het staat hen echter wel vrij om bij de zitting aanwezig te zijn en daarin het woord te voeren. In het kader van hoor en wederhoor moeten verweerders ook over en weer kunnen reageren op hetgeen ter zitting naar voren wordt gebracht. Ook de andere verweerders zullen daarom een oproep ontvangen.
1.3.
Bij de mondelinge behandeling op 13 januari 2026 is namens verzoeksters verschenen: de heer [betrokkene], bestuurder van RTFC.Pl Sp. z o.o. en gemachtigd namens Tax Free Club Sp. z o.o., met een tolk (beiden namen deel via Teams), bijgestaan door mr. Van Voorst voornoemd en namens verweerders mevrouw [verweerder 5] en de heer [verweerder 3] (die laatste via Teams).
1.4.
Vervolgens is beschikking bepaald.

2.De feiten

2.1.
De feiten zijn uiteengezet onder 2. in de tussenbeschikking. Daaraan voegt de rechtbank nog de volgende feiten toe.
2.2.
Aanvankelijk vond de levering van de drones plaats vanuit [bedrijf]. Dat was het bedrijf van de overleden echtgenoot van [verweerder 5]. [verweerder 3] is na het overlijden van de echtgenoot van [verweerder 5] door de rechtbank tot bestuurder van [bedrijf] benoemd.
2.3.
Na de mondelinge behandeling van 9 september 2025 is [verweerder 2] in staat van faillissement verklaard.

3.Het verzoek en het verweer

3.1.
Zoals uiteengezet in de tussenbeschikking verzoekt RTFC de rechtbank:
een voorlopig getuigenverhoor te bevelen van [verweerder 3], [verweerder 4] en [verweerder 5] en;
een bevel te geven aan respectievelijk (a) [verweerder 5] en [verweerder 2] en (b) [verweerder 4], [verweerder 3] en [verweerder 1] om afschriften te verschaffen van in het verzoekschrift nader door haar beschreven gegevens.
Voor de uiteenzetting van de motivering van dit verzoek verwijst de rechtbank naar 3.2. van de tussenbeschikking. RTFC heeft haar verzoek ter zitting van 13 januari 2026 gehandhaafd.
3.2.
Voor het verweer van de eerder ter zitting verschenen verweerders verwijst de rechtbank naar 3.3. van de tussenbeschikking. Bij de mondelinge behandeling van 13 januari 2026 heeft [verweerder 5] opnieuw naar voren gebracht dat zij niet begrijpt wat RTFC eraan heeft om haar als getuige te horen. Zij is niet bekend met de gang van zaken rond de verkoop van drones. Daarnaast heeft zij gezegd dat [verweerder 2] sinds 16 september 2025 in staat van faillissement verkeert, maar dat de administratie van [verweerder 2] (en mogelijk van [verweerder 1]) nog steeds in het bedrijfspand aanwezig moet zijn.
3.3.
Bij de mondelinge behandeling van 13 januari 2026 heeft ook [verweerder 3] verweer gevoerd. De rechtbank heeft hem ook voorgehouden wat [verweerder 5] en [verweerder 4] tijdens de zitting op 9 september 2025 hebben gezegd om [verweerder 3] de gelegenheid te geven daar desgewenst op te reageren.
3.4.
[verweerder 3] heeft – samengevat – het volgende verweer gevoerd.
RTFC onderhield steeds rechtstreekse handelsrelaties met de leveranciers in China. De ontbinding van [verweerder 1] is dan ook niet van invloed geweest op de relatie van RTFC met de Chinese leveranciers. Hij heeft bewijs dat RTFC zelf is doorgegaan met de leverancier uit China. Daarmee is het zeker niet uit te sluiten dat RTFC de drones buiten [verweerder 1] om heeft ontvangen.
Er is een aandeelhoudersbesluit genomen tot ontbinding van [verweerder 1] en daarbij is zijn bestuurderschap geëindigd en is aan hem décharge verleend. Hij kan dan ook niet worden aangesproken voor eventuele schade.
Hij heeft door zijn verblijf in de Verenigde Staten zelf geen toegang meer tot de administratie van [verweerder 1]. Die is overgegaan naar [verweerder 4]. De gegevens over de bestelling van de drones moeten allemaal aanwezig zijn in de administratie van [verweerder 1]. Zelf heeft hij geen informatie meer, ook geen whatsappberichten. Hij heeft de groep die werd gebruikt verlaten en heeft inmiddels een nieuwe telefoon.
[verweerder 1] stond als bouwbedrijf te boek maar de bouwactiviteiten zijn al ruim een jaar vóór de turboliquidatie overgenomen door [verweerder 2]. Van die overname is een activa-passivaovereenkomst opgemaakt, maar die overeenkomst heeft hij zelf niet. Van benadeling van schuldeisers is geen sprake geweest. [verweerder 1] had op enig moment circa € 900.000,- aan schuld. Om het bedrijf met het personeel te redden heeft [verweerder 4] samen met [verweerder 5] [verweerder 2] opgericht. De bouwonderneming is overgegaan naar [verweerder 2] en daarbij is voor € 500.000,- aan schuld overgenomen. Die schuld is voor € 300.000,- afgekocht. [verweerder 1] is daarna ontbonden voordat de nieuwe regels voor turboliquidatie zouden ingaan. [verweerder 3] heeft tenslotte benadrukt dat [verweerder 4] en [verweerder 5] niets te maken hebben gehad met de levering van de drones.

4.De beoordeling

Internationaal privaatrecht

4.1.
RTFC verzoekt de rechtbank om voorlopige bewijsverrichtingen te bevelen, bestaande uit een voorlopig getuigenverhoor van [verweerder 3], [verweerder 4] en [verweerder 5] en het verstrekken van (een afschrift van) gegevens door [verweerder 3], [verweerder 4], [verweerder 5], [verweerder 1] en [verweerder 2]. Omdat [verweerder 3] woonplaats heeft in de Verenigde Staten van Amerika draagt de zaak een internationaal karakter. De rechtbank moet daarom ambtshalve toetsen of de Nederlandse rechter bevoegd is en welk recht van toepassing is op deze zaak.
4.2.
De Nederlandse rechter is op grond van artikel 3 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) bevoegd om van de onderhavige verzoeken kennis te nemen. Dat artikel bepaalt kort gezegd dat in zaken die bij verzoekschrift moeten worden ingeleid de Nederlandse rechter (onder meer) rechtsmacht heeft als het verzoek betrekking heeft op een bij dagvaarding in te leiden procedure ten aanzien waarvan de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft. Uit het verzoekschrift komt naar voren dat RTFC overweegt om een of meer van de verweerders aan te spreken op grond van bestuurdersaansprakelijkheid. Nu het gaat om handelingen als bestuurders van besloten vennootschappen die in Nederland waren/zijn gevestigd, zal de Nederlandse rechter ter zake in beginsel rechtsmacht hebben.
4.3.
Op de verzoeken is Nederlands recht van toepassing. Het verzoek om een voorlopig getuigenverhoor te bevelen vindt zijn oorsprong in een overeenkomst (tot levering van drones) gesloten tussen RTFC, gevestigd te Polen en (destijds) [verweerder 1] gevestigd in Nederland. Op die internationale overeenkomst is de Verordening (EG) Nr. 593/2008 van het Europees Parlement en de Raad inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (Rome I) van toepassing. Voor verbintenissen uit onrechtmatige daad (zoals bestuurdersaansprakelijkheid of onrechtmatige liquidatie van een onderneming) geldt de Verordening (EG) nr. 864/2007 van het Europees Parlement en de Raad inzake het recht dat van toepassing is op niet-contractuele verbintenissen (Rome II). Op de beoordeling van de verzoeken van RTFC is Nederlands recht van toepassing, omdat partijen in hun stellingen en weren een beroep doen op het Nederlandse recht. Zo’n impliciete rechtskeuze, duidelijk blijkend uit de omstandigheden van het geval is mogelijk op grond van zowel artikel 3 lid 1 van Pro de Rome I-verordening als artikel 14 lid 1 van Pro de Rome II-verordening.
Algemeen
4.4.
Het verzoekschrift strekt ertoe dat de rechtbank een voorlopig getuigenverhoor zal bevelen en verweerders zal bevelen afschriften van gegevens te verschaffen. Op grond van artikel 196 Rv Pro kan de rechter op verzoek van een belanghebbende een of meer voorlopige bewijsverrichtingen bevelen. Uitgangspunt is dat een dergelijk verzoek wordt toegewezen. Dan moet wel aan bepaalde voorwaarden zijn voldaan. Die voorwaarden staan in artikel 197 lid 2 Rv Pro en hebben te maken met de inhoud van het verzoekschrift en met het doel van de voorlopige bewijsverrichting (hier: het voorlopig getuigenverhoor). In het verzoekschrift moet de verzoeker onder meer duidelijk vermelden waar de zaak globaal om gaat, wat hij vordert of wil vorderen en wie de getuigen zijn. De rechter wijst het verzoek vervolgens toe tenzij hij van oordeel is dat (a) de informatie die verlangd wordt niet voldoende bepaald is, (b) er onvoldoende belang bestaat bij de voorlopige bewijsverrichting, (c) het verzoek om voorlopige bewijsverrichtingen in strijd is met de goede procesorde, (d) sprake is van misbruik van bevoegdheid of (e) andere gewichtige redenen zich verzetten tegen de voorlopige bewijsverrichting. [1]
Voorlopig getuigenverhoor
4.5.
De rechtbank is van oordeel dat het verzoek om een voorlopig getuigenverhoor te bevelen op de wet gegrond is en kan worden toegewezen. Het voldoet aan de eisen van de wet en een afwijzingsgrond doet zich niet voor. RTFC heeft voldoende bepaald aangegeven waar het geschil om draait, welke vordering(en) zij wil instellen en waarom zij getuigen wil horen.
4.6.
RTFC heeft ook voldoende belang bij een voorlopig getuigenverhoor. Zij wil met de verhoren duidelijkheid krijgen over wat er met het geld is gebeurd dat zij heeft betaald voor drones die vervolgens niet geleverd zijn. In dat kader wil zij ook duidelijkheid krijgen over de wijze waarop de onderneming van [verweerder 1] is overgegaan naar [verweerder 2] en welke verplichtingen daarbij zijn overgenomen door [verweerder 2]. RTFC heeft een overzicht overgelegd waaruit naar voren komt dat voor ongeveer € 110.000,- aan betaalde zaken niet is geleverd. Duidelijk is dat RTFC er belang bij heeft de personen die daarover kunnen verklaren te horen.
4.7.
[verweerder 3] voert hiertegen aan dat RTFC ook directe contacten met de Chinese leverancier heeft en dat het zelfs mogelijk is dat de zaken die volgens RTFC niet geleverd zijn direct uit China aan RTFC zijn geleverd. Die eventuele directe contacten doen er echter niet aan af dat [verweerder 1] zelf medio 2023 voor meer dan € 100.000,- aan bestelde en betaalde zaken niet heeft geleverd. [verweerder 3] betwist dit ook niet. Daarmee heeft RTFC er belang bij om over deze gang van zaken getuigen te verhoren.
4.8.
[verweerder 5] en [verweerder 4] voeren aan dat zij niets, dan wel bijna niets weten van de verkoop van drones vanuit [verweerder 1]. RTFC heeft ook verklaard dat vooral [verweerder 3] hierover zal kunnen verklaren. Ook als dat waar is, is dat geen reden om te oordelen dat RTFC onvoldoende belang heeft [verweerder 5] en [verweerder 4] als getuigen te horen. RTFC heeft immers ook onderbouwd dat zij er belang bij heeft om getuigen te horen over de overname van de bouwonderneming (en verplichtingen) van [verweerder 1] door [verweerder 2] en over de liquidatie van [verweerder 1]. Zij heeft aangegeven dat het niet mogelijk is dat [verweerder 1] geen baten meer had omdat zij in ieder geval een vordering moet hebben gehad op de Chinese
leverancier om nog een aanzienlijk aantal door RTFC bij [verweerder 1] bestelde drones te leveren. [verweerder 3] heeft hierover aangevoerd dat de bouwonderneming al eerder dan het midden van 2023 is overgegaan, maar hij heeft dat niet onderbouwd. Daarmee heeft RTFC er belang bij getuigen te horen over de gang van zaken bij de overgang van de onderneming en de liquidatie van [verweerder 1] om te beoordelen of zij voldoende kan onderbouwen of bewijzen dat zij daarbij is benadeeld. [verweerder 5] kan daarover kennis hebben als bestuurder en [verweerder 4] als medewerker die ook bewaarder van de boeken van [verweerder 1] is. Over de gang van zaken rond de overname en liquidatie kunnen naast [verweerder 3], daarom ook [verweerder 4] en [verweerder 5] gehoord worden.
4.9.
Er bestaat kortom geen grond voor afwijzing. Het verzoek om een voorlopig getuigenverhoor te bevelen zal daarom worden toegewezen. Ten overvloede merkt de rechtbank daarbij op dat de rechter-commissaris bij het voorlopig getuigenverhoor mag beletten dat een getuige bepaalde vragen beantwoord. Met het toewijzen van het verzoek om een getuigenverhoor te bevelen, loopt de rechtbank niet vooruit op dit oordeel.
4.10.
De advocaat van RTFC zal door de rechtbank worden belast met het oproepen van de getuigen [verweerder 5], [verweerder 4] en [verweerder 3].
4.11.
Bij het oproepen van de getuigen moet er rekening mee worden gehouden dat het verhoor van een getuige gemiddeld ten minste 60 minuten duurt. De namen en woonplaatsen van de getuigen en de tijdstippen waartegen zij zijn opgeroepen, moeten ten minste een week voor het verhoor aan de wederpartij en aan de griffier van de rechtbank worden opgegeven.
4.12.
Omdat verweerders al in het bezit zijn van het verzoekschrift en een afschrift van deze beschikking ontvangen, is RTFC niet gehouden hen een afschrift van deze stukken te verstrekken.
4.13.
Partijen moeten er op voorbereid zijn dat de rechter na afloop van de getuigenverhoren een mondelinge behandeling op diezelfde zitting kan bevelen om inlichtingen over de zaak te geven en partijen gelegenheid kan geven hun stellingen nader te onderbouwen. Ook kan de rechter onderzoeken of partijen het op een of meer punten met elkaar eens kunnen worden. Partijen moeten daarom in persoon op de getuigenverhoren verschijnen. Een rechtspersoon moet ter zitting vertegenwoordigd zijn door iemand die van de zaak op de hoogte is en bevoegd is tot vertegenwoordiging.
Verzoek tot afgifte bescheiden
4.14.
RTFC verzoekt daarnaast afschrift van de volgende gegevens:
de schriftelijke contacten met de Chinese leverancier (mails, tekstbetrichten, offertes, bestellingen, facturen);
bankafschriften waaruit blijkt wat er is gebeurd met (1) de betalingen van RTFC, (2) de betalingen aan de Chinese leverancier en (3) de betaling van [verweerder 2] voor de overname van de activa;
de overname-/koopovereenkomst tussen [verweerder 1] en [verweerder 2];
e jaarrekeningen van zowel [verweerder 1] als [verweerder 2] over de jaren 2021, 2022, 2023 en 2024 en voor zover die (nog) niet zijn opgemaakt proef- en saldibalansen over die jaren, waarbij vermeld wordt tot welk moment de administratie waarop die balansen zijn gebaseerd, is bijgewerkt;
de aangiftes en aanslagen vennootschapsbelasting en omzetbelasting van zowel [verweerder 1] als [verweerder 2] over de jaren 2021, 2022 en 2023,
auditfiles en alle grootboekrekeningen van zowel [verweerder 1] als [verweerder 2] over de jaren 2021, 2022 en 2023;
een overzicht van de omzet van [verweerder 2] over de jaren 2022, 2023, 2024 en 2025, die betrekking heeft op klanten, die voorheen klant waren bij [verweerder 1];
documenten over de verzekering van de gekochte drones en documenten met betrekking tot een eventuele bestuurdersaansprakelijkheidsverzekering ten behoeve van de bestuurders van [verweerder 1] en [verweerder 2].
RTFC heeft daarbij aangevoerd dat de door haar verzochte gegevens onder c t/m g zien op de vraag of bij de overname van de onderneming door [verweerder 2] schuldeisers zijn benadeeld doordat niet (of niet het juiste bedrag) aan [verweerder 1] is betaald.
4.15.
Artikel 194 lid 1 Rv Pro bepaalt dat een partij bij een rechtsbetrekking tegenover degene die beschikt over bepaalde gegevens over die rechtsbetrekking, recht heeft op inzage, afschrift of uittreksel van die gegevens als zij daarbij voldoende belang heeft. Voor toewijzing van het verzoek van RTFC om verweerders te bevelen afschriften te verstrekken moet dus voldaan te zijn aan vier vereisten:
- RTFC moet partij zijn bij een rechtsbetrekking (waar de verlangde informatie op ziet);
- RTFC moet voldoende belang hebben bij de inzage;
- de verlangde informatie moet voldoende bepaald zijn; en
- degene van wie de informatie wordt gevraagd, moet ook over die informatie beschikken.
4.16.
Als aan deze vereisten is voldaan, zijn verweerders verplicht inzage of afschrift van de verzochte gegevens te verstrekken, tenzij hun een verschoningsrecht toekomt of gewichtige redenen zich tegen inzage verzetten (artikel 194 lid 2 Rv Pro).
4.17.
De rechtbank stelt voorop dat tussen partijen niet in geschil is dat er sprake is van een rechtsbetrekking waarbij RTFC partij is: RTFC heeft door [verweerder 1] te leveren drones gekocht en betaald. Deze drones zijn niet allemaal door [verweerder 1] geleverd, waarna [verweerder 1] is ontbonden. De gegevens waarvan RTFC afschrift wenst, hebben betrekking op twee concrete onderwerpen die onderdeel zijn van die rechtsbetrekking, dan wel zien op schade die RTFC daarbij heeft geleden. De gevraagde informatie ziet er deels op om duidelijkheid te krijgen over de gang van zaken en de communicatie over de drones tussen [verweerder 3] namens [verweerder 1] en de Chinese leverancier. Omdat [verweerder 1] is ontbonden (en is ingeschreven dat [verweerder 1] is opgehouden te bestaan) en de bouwonderneming van [verweerder 1] is voortgezet door [verweerder 2], wil RTFC ook duidelijkheid hebben over de gang van zaken bij die overname en de liquidatie, om te beoordelen of zij daarbij als schuldeiser is benadeeld. Naar het oordeel van de rechtbank heeft RTFC in het verzoekschrift en bij de mondelinge behandelingen zo voldoende omstandigheden gesteld en onderbouwd die duidelijk maken dat zij voldoende belang heeft bij afgifte van afschriften van stukken die betrekking hebben op de relatie tussen [verweerder 1] en de Chinese leverancier en stukken die inzicht kunnen geven over de overdracht van de onderneming van [verweerder 1] en de liquidatie van [verweerder 1].
4.18.
Ook hier lijkt het verweer van verweerders vooral gericht op de uitkomst van een eventuele bodemprocedure. [verweerder 3] heeft aangevoerd dat RTFC zelf rechtstreeks contact heeft met de Chinese leverancier en zo voor de levering van de drones kan zorgen (of mogelijk al heeft gezorgd) en dat RTFC – en andere schuldeisers – niet zijn benadeeld door de overdracht van de onderneming van [verweerder 1] en de daaropvolgende liquidatie. Ook heeft [verweerder 3] gezegd dat hij niet aansprakelijk kan zijn omdat aan hem décharge is verleend. Dit zijn verweren die mogelijk in de bodemprocedure een rol kunnen spelen De mogelijke uitkomst van een eventuele bodemprocedure is echter niet zeker en maakt niet dat RTFC niet voldoende belang heeft bij de inzage. De verlangde informatie is (grotendeels) ook voldoende bepaald, zodat het verzoek in beginsel kan worden toegewezen. Ter zake van de verschillende gegevens waarvan afschrift wordt verzocht overweegt de rechtbank nog het volgende.
4.19.
[verweerder 3] heeft aangevoerd dat hij niet over alle onder a. en b. gevraagde informatie beschikt. Hij zegt dat hij geen toegang meer heeft tot de WhatsApp-communicatie met de Chinese leverancier. Ook zegt hij geen toegang te hebben tot de administratie van [verweerder 1] en nooit toegang te hebben gehad tot de administratie van [verweerder 2]. RTFC heeft verklaard dat zij geen geloof hecht aan de verklaring van [verweerder 3] dat hij geen toegang meer heeft tot de WhatsApp-communicatie. Zij heeft echter niet onderbouwd waarom het aannemelijk is dat [verweerder 3] nog over die communicatie beschikt. [verweerder 3] kan niet veroordeeld worden tot afgifte van bescheiden waarvan niet aannemelijk is dat hij die onder zich heeft of tot zijn beschikking heeft. Daarom zal [verweerder 3] geen afschriften hoeven overleggen van WhatsApp-communicatie. RTFC heeft verder onvoldoende aannemelijk gemaakt dat [verweerder 3] nog toegang heeft tot de administratie van [verweerder 1]. [verweerder 4] is ingeschreven als bewaarder van boeken en bescheiden van [verweerder 1] en zowel [verweerder 4] als [verweerder 5] zeggen dat de administratie in het kantoor van [verweerder 2] ligt. Daarom zal de rechtbank [verweerder 3] niet bevelen afschriften van de administratie van [verweerder 1] te verstrekken. Hij zal wel afschriften van het mailverkeer met de Chinese leverancier moeten verschaffen. [verweerder 3] lijkt weliswaar te zeggen dat hij ook daar niet meer over beschikt, maar hij heeft niet onderbouwd wat maakt dat hij geen toegang meer heeft tot deze gegevens.
4.20.
[verweerder 4] staat in het Handelsregister geregistreerd als bewaarder van de boeken en bescheiden van [verweerder 1]. Hij heeft geen inhoudelijk verweer gevoerd tegen het verzoek hem te bevelen gegevens uit de administratie van [verweerder 1] te verstrekken. Wel heeft hij gezegd dat de stukken zich allemaal moeten bevinden op kantoor bij [verweerder 2]. Omdat [verweerder 4] niet heeft betwist dat hij is aangewezen als bewaarder van de boeken en bescheiden van [verweerder 1], gaat de rechtbank ervan uit dat [verweerder 4] toegang tot deze gegevens heeft (of anders behoort te hebben). Ook [verweerder 5] heeft geen inhoudelijk verweer gevoerd tegen het verzoek haar te bevelen gegevens uit de administratie van [verweerder 2] te verstrekken. Zij heeft aangegeven dat het mogelijk moet zijn de gegevens te verstrekken die zich op kantoor van [verweerder 2] bevinden en gezegd dat de administraties van [verweerder 1] en [verweerder 2] daar nog steeds zijn. De rechtbank zal [verweerder 4] en [verweerder 5] bevelen afschriften te verstrekken van de gegevens die zij als bewaarder van boeken en bescheiden van [verweerder 1] respectievelijk bestuurder van [verweerder 2] onder zich (horen te) hebben, dan wel gemakkelijk kunnen verkrijgen. Ook de besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid [verweerder 1] en [verweerder 2] zullen deze gegevens moeten verstrekken. Zodra een partij volledige afschriften van gegevens heeft verstrekt zal een andere partij die afschriften niet meer hoeven te verstrekken. Daarbij overweegt de rechtbank dat niet is komen vast te staan dat [verweerder 1] is opgehouden te bestaan. Uit de informatie die in deze procedure is overgelegd, komt eerder naar voren dat [verweerder 1] ten tijde van het besluit tot ontbinding (mogelijk) nog een vordering had op de leverancier van de drones.
4.21.
Verzoekers vragen [verweerder 5] en [verweerder 2] ook te bevelen afschriften te verstrekken van de jaarrekening 2021, belastingaangiften en -aanslagen over 2021 en auditfiles en grootboekrekeningen van 2021 van [verweerder 2]. Omdat [verweerder 2] pas in 2022 is opgericht (en deze gegevens er dus niet zijn), zal het verzoek voor zover het op deze gegevens ziet worden afgewezen.
4.22.
Het verzoek onder d. om [verweerder 3], [verweerder 4] en [verweerder 1] te bevelen jaarrekeningen (of proef- en saldibalansen) van [verweerder 1] te overleggen kan niet worden toegewezen voor zover het ziet op gegevens over 2024. [verweerder 1] is in 2023 ontbonden en voor het jaar daarna zijn geen gegevens voorhanden.
4.23.
Door RTFC is onder g. nog verzocht om een overzicht van de omzet van [verweerder 2] over de jaren 2022, 2023, 2024 en 2025 die betrekking heeft op klanten, die voorheen klant waren bij [verweerder 1]. Niet is echter gesteld of gebleken dat een dergelijk overzicht al bestaat. Bij een inzageverzoek zoals hier aan de orde moet het gaan om bestaande gegevens. Met zo’n verzoek kan in beginsel niet worden gevraagd dat nieuwe documenten of nieuwe overzichten worden opgemaakt. Dat doet RTFC met dit verzoek wel. Het verzoek onder g. zal daarom worden afgewezen.
4.24.
Ook de h. verzochte afgifte van documenten met betrekking tot een eventuele verzekeringen wordt afgewezen. RTFC heeft onvoldoende onderbouwd dat zij hierbij belang heeft als voorlopige bewijsverrichting. Bij de eerste mondelinge behandeling heeft RTFC in antwoord op een vraag van de rechtbank bevestigd dat deze gegevens niet zien op bewijs voor of onderbouwing van haar stellingen.

5.De beslissing

De rechtbank
Ten aanzien van het verzoek tot een voorlopig getuigenverhoor
5.1.
beveelt een voorlopig getuigenverhoor van [verweerder 3], [verweerder 4] en [verweerder 5],
5.2.
benoemt een nog aan te wijzen rechter van deze rechtbank tot rechter-commissaris, die zich door een ander lid van de rechtbank kan laten vervangen.
5.3.
bepaalt dat het getuigenverhoor zal plaatsvinden in het gerechtsgebouw te Haarlem, Jansstraat 81,
5.4.
bepaalt dat RTFC
binnen twee wekenna de datum van deze beschikking schriftelijk aan de rechtbank – ter attentie van de rekestenadministratie van de afdeling Civiel, team Handelszaken – de verhinderdagen van partijen en hun advocaten in de maanden
april, mei en juni 2026moet opgeven waarna een datum en tijdstip voor het getuigenverhoor zullen worden bepaald,
Ten aanzien van het verzoek tot afgifte van bescheiden
5.5.
beveelt [verweerder 3] en [verweerder 1] – waarbij nadat een van hen (volledig) afschrift heeft verschaft de ander dat niet meer hoeft te doen – binnen veertien dagen na de datum van deze beschikking aan RTFC afschrift te verschaffen van:
alle schriftelijke contacten van [verweerder 1] dan wel [verweerder 3] met de Chinese leverancier (mails, offertes, bestellingen en facturen) voor zover deze betrekking hebben op door RTFC bestelde drones,
de bankafschriften van [verweerder 1] die zien op:
(1) de betalingen van RTFC aan [verweerder 1];
(2) de betalingen aan de Chinese leverancier voor door RTFC bestelde drones en
(3) de betaling van [verweerder 2] voor de overname van de activa,
5.6.
beveelt [verweerder 3], [verweerder 5], [verweerder 4], [verweerder 1] en [verweerder 2] – waarbij nadat een van hen (volledig) afschrift heeft verschaft de anderen dat niet meer hoeven te doen – binnen veertien dagen na de datum van deze beschikking aan RTFC afschrift te verschaffen van de overname-of koopovereenkomst waarbij [verweerder 1] haar (bouw)onderneming verkocht aan [verweerder 2],
5.7.
beveelt [verweerder 3], [verweerder 4] en [verweerder 1] – waarbij nadat een van hen (volledig) afschrift heeft verschaft de anderen dat niet meer hoeven te doen – binnen veertien dagen na de datum van deze beschikking aan RTFC afschrift te verschaffen van:
de jaarrekeningen van [verweerder 1] over de jaren 2021, 2022 en 2023;
de aangiftes en aanslagen vennootschapsbelasting en omzetbelasting van [verweerder 1] over de jaren 2021, 2022 en 2023;
de auditfiles en grootboekrekeningen van [verweerder 1] over de jaren 2021, 2022 en 2023,
5.8.
beveelt [verweerder 5] en [verweerder 2] – waarbij nadat een van hen (volledig) afschrift heeft verschaft de ander dat niet meer hoeft te doen – binnen veertien dagen na de datum van deze beschikking aan RTFC afschrift te verschaffen van
de jaarrekeningen van [verweerder 2] over de jaren 2022, 2023 en 2024;
de aangiftes en aanslagen vennootschapsbelasting en omzetbelasting van [verweerder 2] over de jaren 2022 en 2023;
de auditfiles en grootboekrekeningen van [verweerder 2] over de jaren 2022 en 2023,
5.9.
bepaalt dat door de griffier een afschrift van deze beschikking aan de partijen zal worden toegezonden,
5.10.
compenseert de proceskosten, in die zin dat iedere partij zijn eigen kosten draagt,
5.11.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad,
5.12.
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. M.A. Hoogkamer en in het openbaar uitgesproken op 24 februari 2026.

Voetnoten

1.Artikel 196 lid 2 Rv Pro