3.3.Oordeel van de rechtbankDe rechtbank komt tot een vrijspraak van de feiten 1 en 2 en tot een (gedeeltelijke) bewezenverklaring van de feiten 3 en 4. De bewezenverklaring is gebaseerd op de bewijsmiddelen die in
bijlage IIbij dit vonnis zijn vermeld. Hieronder zal de rechtbank uitleggen hoe zij tot de bewezenverklaring is gekomen.
Feiten 1, 2 en 3
Inleiding
Naar aanleiding van berichten van de gebruiker van het Encrochat-account [enchrochatnaam 1] is bij de KMar de verdenking ontstaan dat de gebruiker van dit account zich in de periode van maart tot en met mei 2020 heeft beziggehouden met (kort gezegd) voorbereidingshandelingen met betrekking tot onder meer de invoer, vervoer en/of het afleveren van verdovende middelen (cocaïne, MDMA en amfetamine) al dan niet via de luchthaven Schiphol. In onderschepte chatberichten van dit account zou onder andere gesproken worden over de kosten, aankoop, verkoop en (de wijze van) invoer van cocaïne. Ook heeft de gebruiker van het account [enchrochatnaam 1] in chatgesprekken foto’s van (vermoedelijk) cocaïne ontvangen en doorgestuurd. De verdenking luidt dat de verdachte in de hier van belang zijnde periode de gebruiker is geweest van het account [enchrochatnaam 1] en zich, al dan niet samen met anderen, heeft schuldig gemaakt aan vorengenoemde voorbereidingshandelingen.
Identificatie
De eerste vraag die de rechtbank bij de beoordeling van de feiten 1, 2 en 3 moet beantwoorden is of de verdachte de gebruiker van het account [enchrochatnaam 1] is geweest in de hier van belang zijnde periode. Het dossier bevat een proces-verbaal van identificatie van het account [enchrochatnaam 1], waarin de KMar een aantal aanwijzingen ten behoeve van de identificatie van de gebruiker ervan op een rij heeft gezet. Uit dit proces-verbaal blijkt voor zover relevant het volgende.
Op 28 maart 2020 vond een chatgesprek plaats tussen [enchrochatnaam 1] en de gebruiker van het Encrochat-account “[enchrochatnaam 2]@encrochat.com” (hierna: [enchrochatnaam 2]). In dit gesprek geeft [enchrochatnaam 1] aan [enchrochatnaam 2] een adres van een garage aan de [adres 1] in Rotterdam door. Uit onderzoek is gebleken dat op dit adres een bedrijfspand is gevestigd en dat [getuige 2] de eigenaar van dit pand was. [getuige 2] staat in de Gemeentelijke basisadministratie (GBA) ingeschreven op het adres [adres 2] te Barendrecht. Uit een integrale bevraging van dat adres blijkt dat op dit adres ook de verdachte stond ingeschreven, onder meer onder vermelding van zijn geboorteplaats [geboorteplaats].
Het dossier bevat meerdere chatgesprekken waarin het gaat over [geboorteplaats], waaronder een chatgesprek van 27 maart 2020 van [enchrochatnaam 1] aan de gebruiker van het account “[naam enchrochat 1]@encrochat.com” (hierna: [naam enchrochat 1]) en een gesprek van 16 april 2020 tussen [enchrochatnaam 1] en de gebruiker van het account “[naam enchrochat 2]@encrochat.com” (hierna: [naam enchrochat 2]).
Het account [enchrochatnaam 1] werd in de periode van 23 maart 2020 tot en met 10 juni 2020 gebruikt in combinatie met het IMEI nummer [nummer 1] en met het telefoonnummer [nummer 2]. Uit onderzoek naar dit IMEI nummer is gebleken dat het nummer zich in die periode veelvuldig ophield in de nabije omgeving van vier straten. Deze vier straten zijn ongeveer 190, 220 en 400 meter gelegen van het toenmalige GBA adres van de verdachte respectievelijk ongeveer 350 meter van het adres [adres 1] in Rotterdam.
Het dossier bevat een chatgesprek van 23 april 2020 waarin [enchrochatnaam 1] een foto stuurt naar “[naam enchrochat 3]@encrochat.nl” (hierna: [naam enchrochat 3]) vanuit een Volkswagen Golf met daarbij de tekst “Ik kom in die golf 7 zwarte”. Uit onderzoek is gebleken dat de verdachte in de periode van 8 oktober 2018 tot en met 4 juni 2020 een zwarte Volkswagen Golf op zijn naam had staan.
Het dossier bevat een chatgesprek van 2 mei 2020 tussen [enchrochatnaam 1] en [naam enchrochat 2]. [enchrochatnaam 1] schrijft daarbij aan [naam enchrochat 2] dat twee “popo” hem hadden gestopt. [enchrochatnaam 1] heeft het er daarbij over aan te zijn gekomen “met mocro platen”. Uit een politiemutatie is gebleken dat de verdachte op 2 mei 2020 omstreeks 16:01 uur is staande gehouden in Ridderkerk. De verdachte was tijdens deze staande houding de bestuurder van een Mercedes Benz A-klasse, voorzien van Marokkaanse kentekenplaten.
Op 13 mei 2020 stuurt [enchrochatnaam 1] een foto vanuit een Mercedes met een rood stuur naar [naam enchrochat 1] met daarbij de tekst “ben nu onderweg”. Op 17 en 18 mei 2020 stuurt [enchrochatnaam 1] ook foto’s vanuit een Mercedes naar [naam enchrochat 2] en [naam enchrochat 1]. Hierbij is wederom een rood stuur en ook een rood interieur te zien. De foto’s zijn voorgelegd aan een Mercedes-specialist. Volgens deze Mercedes-specialist komen de foto’s overeen met een Mercedes A-klasse die vaak geïmporteerd wordt vanuit het buitenland.
Tussenconclusie: de verdachte is een gebruiker van account [enchrochatnaam 1]
Op basis van het voorgaande, in onderlinge samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat de verdachte een gebruiker was van het Encrochat-account [enchrochatnaam 1]. De rechtbank heeft echter ook geconstateerd dat het dossier aanwijzingen bevat voor ten minste één andere gebruiker van dat account. Zo wordt op 26 mei 2020 door [enchrochatnaam 1] een bericht gestuurd dat hij zijn dochters gaat ophalen. Uit het dossier volgt echter dat de verdachte geen dochters heeft. Ook wordt voor [enchrochatnaam 1] de nickname “[nick-name]” gebruikt, waar volgens het onderzoeksteam een Porsche Panamera mee wordt bedoeld. De rechtbank kan uit het dossier niet afleiden dat de verdachte enige link heeft met een dergelijke auto. De rechtbank komt daarom tot de conclusie dat de verdachte op bepaalde momenten, die hierna worden toegelicht, de gebruiker is geweest van het account, maar dat dat niet noodzakelijkerwijs kan worden vastgesteld voor alle momenten in de tenlastegelegde periode.
De specifieke momenten waarop de gevolgtrekking naar het oordeel van de rechtbank wel onontkoombaar is dat de verdachte de gebruiker was van het account [enchrochatnaam 1], betreffen de volgende data: 2, 13, 16, 17 en 18 mei 2020, alsmede 22 en 23 april 2020. De rechtbank zal hieronder uiteenzetten hoe zij tot deze conclusie komt. Deze data vallen in de periodes die zijn tenlastegelegd in de feiten 1 en 3.
Het onder feit 2 tenlastegelegde is beperkt tot “op of omstreeks 5 mei 2020”. Omdat de rechtbank niet kan vaststellen dat de verdachte in dat tijdsbestek de (enige) gebruiker is geweest van het account [enchrochatnaam 1], zal de rechtbank de verdachte vrijspreken van het onder 2 ten laste gelegde feit.
Berichten op 2 mei 2020
Op 2 mei 2020 heeft vanaf 20:47 uur het eerder genoemde chatgesprek plaatsgevonden waarin [enchrochatnaam 1] naar [naam enchrochat 2] het bericht stuurt dat hij is staande gehouden door de “popo”. Het is de rechtbank ambtshalve bekend dat hiermee over het algemeen de politie wordt bedoeld. De verdachte heeft op de zitting verklaard dat hij die dag is staande gehouden door de politie. Ook heeft hij verklaard dat de Mercedes Benz A-klasse waarin hij reed ten tijde van de staande houding Marokkaanse kentekenplaten had. Dit komt overeen met de politiemutatie waarin wordt beschreven dat de verdachte op 2 mei 2020 omstreeks 16:01 uur is staande gehouden in een Mercedes met Marokkaanse kentekenplaten. De rechtbank komt daarom tot de conclusie dat het de verdachte is geweest die op 2 mei 2020 om 20:47 uur de gebruiker is geweest van het account [enchrochatnaam 1]. Op diezelfde dag heeft tussen 19:41 uur en 20:38 uur een chatgesprek plaatsgevonden tussen [enchrochatnaam 1] en [naam enchrochat 1]. Gelet op de zeer korte tijd, namelijk 9 minuten, tussen het gesprek met [naam enchrochat 2] en het gesprek met [naam enchrochat 1], kan het naar het oordeel van de rechtbank niet anders dan dat de verdachte ook de gebruiker was van het account [enchrochatnaam 1] in het gesprek met [naam enchrochat 1]. In dit gesprek schrijft [naam enchrochat 1] “Bre”, “Colo stempel channel”, “27.5” en “26.5 voor ons”. [enchrochatnaam 1] schrijft vervolgens “Is goed, laat ik het even voorstellen” (vertaald uit het Turks) aan [naam enchrochat 1] en direct daarna “Chanel stempel colo 27,5” aan [naam enchrochat 2].
Het is de rechtbank uit andere zaken ambtshalve bekend dat in zaken betreffende de Opiumwet met “colo” over het algemeen cocaïne afkomstig uit Colombia wordt bedoeld, terwijl 27.5 en 26.5 zou kunnen duiden op de kiloprijs voor cocaïne zoals die in die periode gold. Toch komt de rechtbank hiermee niet tot een bewezenverklaring van enig ten laste gelegd feit. Uit de chatgesprekken zou weliswaar kunnen worden afgeleid dat wordt gesproken over het (door)verkopen van een kilo cocaïne, maar deze gedraging valt niet onder een van de specifiek onder de gedachtestreepjes ten laste gelegde voorbereidings- of bevorderingshandelingen van de feiten 1, 2 of 3. Daarbij merkt de rechtbank op dat de verweten feitelijke gedragingen van de feiten 1 en 2 zonder uitzondering zien op een specifieke methode van invoer van verdovende middelen via de luchthaven Schiphol en de verweten feitelijke gedragingen van feit 3 kennelijk betrekking hebben op chatberichten beschreven op de daar genoemde paginanummers in het proces-verbaal. De berichten op 2 mei 2020 tussen [enchrochatnaam 1] en [naam enchrochat 1] respectievelijk [naam enchrochat 2] vallen naar het oordeel van de rechtbank echter onder geen van die verweten gedragingen.
Berichten op 13, 16, 17 en 18 mei 2020
Op 13, 17 en 18 mei 2020 heeft het account [enchrochatnaam 1] diverse foto’s gestuurd vanuit een Mercedes Benz A-klasse. Op deze foto’s zijn delen van het interieur te zien, te weten een deel van een rood stuur en rode accenten in het rechter portier. Nu de verdachte op de zitting heeft verklaard dat hij in deze periode in het bezit was van een Mercedes Benz A-klasse met rode interieuraccenten, is de rechtbank van oordeel dat de verdachte ook op deze drie momenten de gebruiker is geweest van het account.
Ten aanzien van het chatgesprek dat op 13 mei 2020 heeft plaatsgevonden tussen [enchrochatnaam 1] en [naam enchrochat 1] constateert de rechtbank echter eveneens dat geen sprake is van berichten die vallen onder de specifiek onder de gedachtestreepjes benoemde voorbereidings- of bevorderingshandelingen zoals onder de feiten 1 en 3 ten laste gelegd.
Op 17 mei 2020 om 09:02 uur is door [enchrochatnaam 1] opnieuw een foto vanuit de Mercedes Benz gestuurd waarbij hij zegt dat hij onderweg is. De rechtbank gaat ervan uit, gelet op het voorgaande, dat de verdachte ten tijde van het sturen van de foto dus de gebruiker was van het account. Op diezelfde dag vindt een gesprek plaats tussen [enchrochatnaam 1] en de gebruiker van “[naam encrochat 1]@encrochat.com” (hierna: [naam encrochat 1]). Dit gesprek is op 16 mei 2020 om 20:53 uur gestart en op 17 mei 2020 om 14:51 uur geëindigd. De rechtbank stelt vast dat de verdachte dus in ieder geval de gebruiker was van het account [enchrochatnaam 1] ten tijde van het gesprek met [naam encrochat 1]. Gelet op het feit dat het gesprek op 17 mei 2020 met [naam encrochat 1] al een dag eerder is gestart, concludeert de rechtbank dat de verdachte ook op 16 mei 2020 de gebruiker moet zijn geweest van het account. In het gesprek met [naam encrochat 1] worden door [enchrochatnaam 1] instructies gegeven over hoe de “M” moet worden verpakt. [enchrochatnaam 1] vraagt [naam encrochat 1] vervolgens om een foto, waarbij [naam encrochat 1] zegt deze zo te sturen. [naam encrochat 1] heeft het daarbij over “blikje 400 gr knakworstjes”. Op diezelfde dag vindt één minuut later (om 14:52 uur) een chatgesprek plaats tussen [enchrochatnaam 1] en “[naam encrochat 2]@encrochat.com” (hierna: [naam encrochat 2]). Daarbij stuurt [enchrochatnaam 1] een foto van een pakket waarop een zak met daarin een substantie en een blik knakworstjes te zien is. [enchrochatnaam 1] schrijft daarbij “Bro dit is 2kg mdma”. Daaropvolgend vindt er een gesprek plaats over de vraag of de MDMA per 1 of 2 kilo verpakt moet worden.
De rechtbank is, gelet op het voorgaande, van oordeel dat het de verdachte is geweest die op 16 en 17 mei 2020 de gesprekken heeft gevoerd met [naam encrochat 1] en [naam encrochat 2]. Op grond van de inhoud van de berichten komt de rechtbank daarmee tot een (gedeeltelijke) bewezenverklaring van feit 3. De rechtbank is van oordeel dat de chatgesprekken die de verdachte op 16 en 17 mei 2020 met andere Encrochat-gebruikers heeft gevoerd, niet anders kunnen worden opgevat dan als voorbereidings- en bevorderingshandelingen voor de handel in MDMA. De berichten, in onderlinge samenhang bezien, leveren dan ook het wettig en overtuigend bewijs op dat de verdachte zich samen met anderen hieraan heeft schuldig gemaakt.
Berichten op 22 en 23 april 2020
Tot slot bevat het dossier een chatgesprek van 23 april 2020 tussen [enchrochatnaam 1] en [naam enchrochat 3] waarin [enchrochatnaam 1] een foto stuurt vanuit een Volkswagen Golf en waarbij hij schrijft “Ik kom in die golf 7 zwarte”. Nu de verdachte op de zitting heeft verklaard dat hij in deze periode in het bezit was van een Volkswagen Golf 7 en zo’n auto toen ook op zijn naam stond, is de rechtbank van oordeel dat de verdachte op 23 april 2020 de gebruiker is geweest van het account. Het chatgesprek tussen [enchrochatnaam 1] en [naam enchrochat 3] is een dag eerder, op 22 april 2020 gestart. De rechtbank concludeert daarom dat de verdachte ook op 22 april 2020 de gebruiker is geweest van het account. In het gesprek, dat wordt tenlastegelegd onder feit 3, na “Pv chats pagina 58-60”, wordt door [naam enchrochat 3] geschreven dat hij een “blokkie” voor hem heeft ingepakt en klaargelegd. [enchrochatnaam 1] schrijft daarop dat hij zo laat weten hoe laat hij het komt halen. Later in het gesprek wordt door [enchrochatnaam 1] gevraagd waar hij “die blokje” kan ophalen. De rechtbank komt hiermee echter niet tot een bewezenverklaring van dit deel van de tenlastelegging. Nu het dossier ook meerdere gesprekken over de mogelijke handel in hasj bevat, acht de rechtbank de berichten over “blokkie” en “blokje” op zichzelf onvoldoende voor de gevolgtrekking dat hier over cocaïne (of MDMA) wordt gecommuniceerd. Voorbereidings- of bevorderingshandelingen met het oog op deze middelen kunnen dus niet worden bewezen.
Conclusie feit 3
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder feit 3 tenlastegelegde voorbereidings- en bevorderingshandelingen heeft begaan, voor zover het gaat om de chatberichten over MDMA op 16 en 17 mei 2020.
Unus testis nullus testis-regel
De raadsman heeft aangevoerd dat het bewijs uitsluitend is gebaseerd op één enkel bewijsmiddel en dat een bewezenverklaring daardoor in strijd is met het wettelijke bewijsminimum. De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt daartoe als volgt.
De bewezenverklaring is hoofdzakelijk gebaseerd op chatberichten waar de gebruiker [enchrochatnaam 1] aan heeft deelgenomen. Deze chatberichten zijn weergegeven in een proces-verbaal van bevindingen van een opsporingsambtenaar. De door de raadsman genoemde minimum-bewijs-regel van artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv), houdt in dat het bewijs niet uitsluitend kan bestaan uit de verklaring van één getuige. Artikel 344, tweede lid, Sv, bepaalt echter dat deze regel niet van toepassing is op bewijs dat is gebaseerd op het proces-verbaal van een opsporingsambtenaar. Nog daargelaten dat de rechtbank het bewijs van feit 3 ook baseert op de verklaring van de verdachte en het proces-verbaal van identificatie, is de door de raadsman aangehaalde minimum-bewijs-regel in deze situatie niet van toepassing, zodat het verweer wordt verworpen.
Getuigenverzoeken [getuige 1] en [getuige 2]
De raadsman heeft een voorwaardelijk verzoek gedaan tot het horen van [getuige 1] en [getuige 2] als mogelijke gebruiker(s) van het account [enchrochatnaam 1]. Naar het oordeel van de rechtbank is het horen van deze getuigen niet noodzakelijk. Zoals hiervoor uiteengezet acht de rechtbank het niet onaannemelijk dat meerdere personen gebruik hebben gemaakt van hetzelfde Encrochat-account. Het horen van deze twee getuigen is daarom niet van belang voor de beantwoording van een van de vragen van de artikelen 348 en 350 Sv.
Feit 4
Aangetroffen PMK
Tijdens een doorzoeking op het verblijfsadres van de verdachte is een zak met (circa) 1 kilo PMK aangetroffen. De verdachte heeft op de zitting verklaard dat hij wist dat het PMK betrof en dat hij wist dat het illegaal was. Hij zou de PMK voor, naar zijn zeggen, foute vrienden moeten bewaren en hij zou daar geld voor krijgen.
Conclusie
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat de verdachte zich op 12 oktober 2022 schuldig heeft gemaakt aan voorbereidingshandelingen voor de productie van MDMA en/of amfetamine en daar ook het opzet op had.