Op 8 maart 2023 vond in een supermarkt te Heemskerk een incident plaats waarbij de verdachte de aangever mishandelde door diens haren vast te pakken en eraan te trekken. Dit gebeurde nadat de aangever werd verdacht van winkeldiefstal en zich verzette tegen meerdere winkelmedewerkers die hem wilden meenemen naar het kantoor om op de politie te wachten.
De rechtbank stelde vast dat de verdachte voorwaardelijk opzet had op de mishandeling, omdat hij bewust de aanmerkelijke kans aanvaardde dat het trekken aan de haren pijn zou veroorzaken. Het beroep op rechtmatige burgeraanhouding werd verworpen omdat de aangever al op de grond lag en onder controle werd gehouden toen de verdachte de haren vastpakte.
De rechtbank achtte het bewezen dat de verdachte mishandeling pleegde door haren trekken, maar sprak hem vrij van het onderdeel dat hij de aangever over de grond zou hebben gesleept. De strafmaat werd beïnvloed door de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het plaatsvond, de persoonlijke situatie van de verdachte en een overschrijding van de redelijke termijn van acht maanden.
De rechtbank legde een voorwaardelijke geldboete van 700 euro op met een proeftijd van één jaar. De vordering van de benadeelde partij tot immateriële schadevergoeding van 500 euro werd niet-ontvankelijk verklaard wegens onvoldoende onderbouwing van geestelijk letsel of andere aantasting van de persoon.
De uitspraak werd gedaan door de meervoudige strafkamer van de Rechtbank Noord-Holland op 26 januari 2026.