Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
1.Tenlastelegging
2.Voorvragen
5.Strafbaarheid van de verdachte
6.Motivering van de sanctie
7.Vorderingen benadeelde partijen en schadevergoedingsmaatregelen
Rotterdamse Schaal, een binnen de rechtspraak ontwikkelde ordening van smartengeldbedragen bij letsel en andere persoonsaantastingen. De rechtbank heeft aansluiting gezocht bij de in die schaal bij 19.3 (bedreigende situaties door opzettelijke ontploffing) onder b (categorie “ernstig”) genoemde bandbreedte (€ 1.000,- tot € 5.000,-).
niet-ontvankelijk moet worden verklaard in haar vordering voor zover die ziet op vergoeding van materiële schade. De benadeelde partij 1 kan dit deel van de vordering desgewenst voorleggen aan de civiele rechter.
8.Vordering tot tenuitvoerlegging
9.Toepasselijke wettelijke voorschriften
10.Beslissing
bewezendat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven.
gevangenisstrafvoor de duur van
20 (twintig) maanden.
F. [slachtoffer 1]geleden schade tot een bedrag van
€ 4.000,00 (vierduizend euro), als vergoeding voor immateriële schade, en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 14 januari 2024 tot aan de dag der algehele voldoening, aan F. [slachtoffer 1] , voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.
F. [slachtoffer 1]de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van
€ 4.000,00 (vierduizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 40 dagen gijzeling en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 januari 2024 tot aan de dag der algehele voldoening. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.
[slachtoffer 2]geleden schade tot een bedrag van
€ 4.000,00 (vierduizend euro), als vergoeding voor immateriële schade, en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 14 januari 2024 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [slachtoffer 2] , voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.
[slachtoffer 2]de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van
€ 4.000,00 (vierduizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 40 dagen gijzeling en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 januari 2024 tot aan de dag der algehele voldoening. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.
[slachtoffer 3]niet-ontvankelijk in de vordering.
[slachtoffer 4]geleden schade tot een bedrag van
€ 4.000,00 (vierduizend euro), als vergoeding voor immateriële schade, en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 14 januari 2024 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [slachtoffer 4] , voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.
[slachtoffer 4]de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van
€ 4.000,00 (vierduizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 40 dagen gijzeling en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 januari 2024 tot aan de dag der algehele voldoening. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.
[slachtoffer 5]geleden schade tot een bedrag van
€ 4.000,00 (vierduizend euro), als vergoeding voor immateriële schade, en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 14 januari 2024 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [slachtoffer 5] , voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.
[slachtoffer 5]de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van
€ 4.000,00 (vierduizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 40 dagen gijzeling en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 januari 2024 tot aan de dag der algehele voldoening. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.
[slachtoffer 6]geleden schade tot een bedrag van
€ 4.000,00 (vierduizend euro), als vergoeding voor immateriële schade, en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 14 januari 2024 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [slachtoffer 6] , voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.
[slachtoffer 6]de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van
€ 4.000,00 (vierduizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 40 dagen gijzeling en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 januari 2024 tot aan de dag der algehele voldoening. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.
Wijst afde vordering van de officier van justitie tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter te Den Haag in de zaak met parketnummer 09/099440-23 opgelegde voorwaardelijke straf.
Wijst afhet verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis.