ECLI:NL:RBNHO:2026:1930

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
6 maart 2026
Publicatiedatum
26 februari 2026
Zaaknummer
C/15/370768
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:900 lid 1 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verkoop van voormalige echtelijke woning na echtscheiding met kinderen

Partijen zijn voormalig echtelieden met twee minderjarige kinderen en gezamenlijk eigenaar van een woning die nog door de vrouw wordt bewoond. De man wil de woning verkopen om zijn financiële situatie te verbeteren en een nieuw huis te kopen met zijn huidige partner. De vrouw wil de verkoop uitstellen tot de jongste dochter naar het voortgezet onderwijs gaat en onderzoekt of zij de woning kan overnemen, maar blijkt hiertoe niet in staat.

De man vordert in kort geding dat de vrouw wordt veroordeeld mee te werken aan de verkoop, inclusief het aangaan van een verkoopovereenkomst, het opvolgen van makelaarsadviezen en het verlaten van de woning binnen een gestelde termijn. De vrouw vordert primair uitstel van de verdeling en subsidiair voorwaarden voor de verkoop. De voorzieningenrechter oordeelt dat het belang van de man en de noodzaak tot verkoop zwaarder wegen dan het verzoek tot uitstel.

De rechter wijst de vorderingen van de man grotendeels toe, legt voorwaarden op aan de verkoop zoals geen verkoopbord en geen foto's van slaapkamers, en veroordeelt de vrouw tot betaling van de hypotheekachterstanden en lopende lasten. De vorderingen van de vrouw tot uitstel en verrekening worden afgewezen. Proceskosten worden gecompenseerd.

Uitkomst: De vrouw wordt veroordeeld tot medewerking aan verkoop van de woning en betaling van hypotheekachterstanden, terwijl haar verzoek tot uitstel wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK Noord-Holland

Civiel recht
Zittingsplaats Haarlem
Zaaknummer: C/15/370768 / KG ZA 25-661
Vonnis in kort geding van 6 maart 2026
in de zaak van
[de man],
te [plaats 1],
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: de man,
advocaat: mr. G.W. Wullink,
tegen
[de vrouw],
te [plaats 2],
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. S.A.S. Mattheij.
De zaak in het kort
Partijen zijn getrouwd geweest. Het huwelijk is door echtscheiding ontbonden. Partijen zijn gezamenlijk eigenaar van een woning, die thans nog door de vrouw wordt bewoond met de minderjarige kinderen van partijen. De man wenst te komen tot verdeling door verkoop van de woning. De vrouw wenst primair dat de verdeling nog een aantal jaar wordt uitgesteld. Subsidiair vordert zij dat het verkooptraject zal plaatsvinden op de door haar voorgestelde manier. De voorzieningenrechter wijst de vorderingen van de man grotendeels toe.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met de producties 1 tot en met 9
- de conclusie van antwoord tevens eis in reconventie met producties 1 tot en met 10
- de mondelinge behandeling van 6 januari 2026
- de pleitnota van de man.
1.2.
Voor de mondelinge behandeling op 6 januari 2026 zijn verschenen de man, bijgestaan door mr. Wullink voornoemd (beiden aanwezig via een digitale verbinding) en de vrouw, bijgestaan door mr. Mattheij voornoemd.
1.3.
De verdere behandeling van de zaak is pro forma aangehouden tot 30 januari 2026 om partijen de gelegenheid te geven nader met elkaar in overleg te gaan over een regeling.
1.4.
In een brief van 29 januari 2026 heeft de vrouw om een nadere aanhouding verzocht dan wel een nadere mondelinge behandeling en verklaard dat zij nog wil onderzoeken of zij de woning met hulp van haar vader en haar broer alsnog aan zich kan laten toedelen.
De man heeft bij brief van 30 januari 2026 meegedeeld dat een nadere mondelinge behandeling volgens hem niet nodig is, dat hij er geen vertrouwen in heeft dat de vrouw de woning nu wel aan zich kan laten toedelen en dat hij niet wenst dat de woning langer onverdeeld blijft. Hij heeft vonnis gevraagd.
1.5.
Bij brief van 4 februari 2026 heeft de voorzieningenrechter partijen gevraagd om uiterlijk op 18 februari 2026 te reageren op de volgende vraagpunten:
  • Wat is de verwachte waarde van de woning (door makelaar) voorlopig en in afwachting van een taxatie beredeneerd aan de hand van wat referentiegegevens?
  • Verklaringen van private financiers waaruit blijkt wat zij gaan bijdragen.
  • Een gemotiveerde verklaring van een hypotheekadviseur waaruit blijkt dat -gegeven het inkomen en de financieringscapaciteit van de geldlener(s)- wat het eventuele gat is tussen de private financiering en de benodigde lening van de bank met een financieringsaanvraag.
Een en ander met de nodige toelichting die tot overtuiging van de haalbaarheid van het nagestreefde scenario zou kunnen bijdragen.
1.6.
Op 17 februari 2026 heeft de man bij akte zijn eis vermeerderd in verband met geconstateerde hypotheekachterstanden en zijn standpunt gehandhaafd dat een verdere mondelinge behandeling volgens hem niet nodig is.
1.7.
Bij brief van 18 februari 2026 heeft de vrouw meegedeeld dat zij niet in staat is om de woning aan zich te laten toedelen, verweer gevoerd tegen de vermeerderde eis van de man en verzocht om een voortzetting van de mondelinge behandeling omdat de zaak volgens haar niet volledig behandeld is tijdens de zitting op 6 januari 2026.
1.8.
De voorzieningenrechter heeft partijen op 20 februari 2026 bericht dat hij zich voldoende geïnformeerd acht om over de ingestelde vorderingen te beslissen. Vervolgens is vonnis bepaald op heden.

2.De feiten

2.1.
Partijen zijn voormalig echtelieden. Het huwelijk is ontbonden op 19 juli 2023 door inschrijving van de echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand.
2.2.
Uit de relatie van partijen zijn twee, thans nog minderjarige, kinderen geboren, te weten:
  • [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2013 te [plaats 2]
  • [minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2016 te [plaats 2].
Partijen hebben gezamenlijk het gezag over de kinderen. De kinderen hebben hun hoofdverblijf bij de vrouw.
2.3.
Partijen zijn gezamenlijk eigenaar van een woning aan de [adres] te [postcode] [plaats 2] (hierna: de woning). De man heeft de woning eind 2022 verlaten. De woning is nog niet verdeeld. Tot 1 april 2024 heeft de man de volledige hypothecaire rente en aflossing van de woning betaald.
2.4.
De man heeft de vrouw in het voorjaar 2024 laten weten dat hij financieel niet langer in staat is bij te dragen aan de hypothecaire lasten en daarom wil komen tot verkoop van de woning. De vrouw heeft de man voorgesteld om de verkoop van de woning nog een jaar uit te stellen tot de oudste dochter, [minderjarige 1], de basisschool had afgerond en dat zij gedurende dat jaar bereid en in staat was de lasten van de woning te betalen. De man heeft met dit voorstel ingestemd.
2.5.
De man is in februari 2025 gehuwd met zijn huidige partner.
2.6.
Op 13 maart 2025 heeft de man de vrouw opnieuw verzocht mee te werken aan verkoop van de woning, gelet op de eerder tussen hen gemaakte afspraak (r.o. 2.4). De vrouw heeft geweigerd mee te werken aan verkoop. Zij heeft aangegeven dat zij de verkoop van de woning nog drie jaar wilde uitstellen totdat ook de jongste dochter, [minderjarige 2], naar het voortgezet onderwijs gaat en dat zij wilde onderzoeken of zij de woning aan zich kan laten toedelen. De man heeft met het voorstel van de vrouw om de verkoop nogmaals uit te stellen niet ingestemd.

3.Het geschil

in conventie en in reconventie
3.1.
De man vordert in conventie – na eisvermeerdering – dat de voorzieningenrechter om bij vonnis, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. de vrouw veroordeelt om:
a. binnen zeven dagen na betekening van dit vonnis (met de man) de opdracht tot verkoop van de woning aan [bedrijf] te verstrekken;
b. binnen achtentwintig dagen na dagtekening van dit vonnis de woning op Funda in de verkoop te laten zetten door de makelaar;
c. alle adviezen en aanwijzingen van de makelaar van partijen op te volgen, waaronder de actuele geadviseerde verkoop- en laatprijs, alsmede het plaatsen van een verkoopbord in de voortuin van de woning;
d. de woning open te stellen voor bezichtigingen van potentiële kopers en daartoe een sleutel van de woning op het makelaarskantoor af te geven;
e. de woning op orde te brengen en te houden voor bezichtigingen en aanwijzingen van de makelaar ter zake op te volgen.
f. niet aanwezig te zijn bij bezichtigingen in de woning en geen contact op te nemen met potentiële kopers,
g. op verbeurte van een dwangsom van € 250,00 voor iedere dag dat de vrouw na betekening van het vonnis weigert aan de veroordeling te voldoen onder I b t/m f met een maximum van € 25.000,00,
II. de vrouw veroordeelt om de verkoopovereenkomst aan te gaan met de kandidaat-koper(s) die het beste bod doet, waarbij in het geval partijen daar niet over eens worden, de makelaar dit bindend zal kunnen bepalen,
III. de vrouw veroordeelt om alle adviezen en aanwijzingen van de makelaar in het kader van de oplevertermijn op te volgen en daadwerkelijk de woning te verlaten binnen de door de makelaar gestelde oplevertermijn, zulks op verbeurte van een dwangsom van € 250,00 voor iedere dag dat de vrouw na betekening van het vonnis weigert aan deze veroordeling te voldoen,
IV. de vrouw veroordeelt om op eerste verzoek van zowel de man als de notaris binnen één week mee te werken aan het notarieel transport van de woning,
V. bepaalt dat dit vonnis, zodra de vrouw zich onthoudt haar onvoorwaardelijke medewerking te verlenen aan de veroordelingen onder I sub a., II en IV, in de plaats treedt van de ontbrekende wilsverklaring en handtekening van de vrouw benodigd voor het in de verkoop plaatsen van de woning, de koopovereenkomst en juridische levering (transportakte) van de eigendom van de bedoelde onroerende zaak aan kandidaat-koper,
VI. a) de vrouw verplicht uiterlijk binnen zeven dagen na betekening van dit vonnis de ontstane achterstand in de betaling van de hypothecaire verplichtingen te voldoen en niet te laten storneren;
b) de vrouw verplicht om de nog te verschijnen maandelijkse hypothecaire verplichtingen tot aan de datum van levering van de woning te voldoen en niet te laten storneren.
3.2.
De man legt aan zijn vorderingen ten grondslag dat hij niet langer in een onverdeeldheid wil blijven en verder wil met zijn leven. Hij voert aan dat de relatie al meer dan drie jaar geleden is verbroken en dat hij al vanaf oktober 2022 niet meer in de woning woont. Hij verklaart verder dat hij de afgelopen drie jaar het belang van de vrouw en de kinderen vóór heeft laten gaan door de woning en de hypotheekschuld onverdeeld te laten, en dat hij nu een huis wil kopen met zijn nieuwe echtgenote, maar de daarvoor benodigde financiering niet kan krijgen zolang de woning niet is verkocht. Hij stelt dat er geen enkel perspectief is dat de vrouw haar medewerking gaat verlenen aan verkoop van de woning en dat hij zich hierdoor gegijzeld voelt. Hij benadrukt dat hij een spoedeisend belang heeft omdat hij met zijn huidige vrouw een kindje verwacht in de eerste helft van 2026 en hun huidige woning, gelet op de verdere gezinssamenstelling, te krap wordt.
3.3.
Na aanhouding heeft de man zijn eis bij akte vermeerderd omdat hem was gebleken dat de vrouw ondanks haar stelling tijdens de zitting in januari 2026 dat zij de hypotheektermijnen betaalt inmiddels een hypotheekachterstand heeft laten ontstaan van drie maanden. Als gevolg daarvan lopen partijen, dus ook de man, het risico op een BKR-registratie, waardoor hij beperkt zal worden in zijn financiële mogelijkheden, aldus de man.
3.4.
De vrouw voert verweer. Zij stelt dat het in het belang van hun dochters is dat zij zolang mogelijk in hun vertrouwde omgeving kunnen blijven en dat de verkoop van de woning daarom nog drie jaar moet worden uitgesteld, zolang hun jongste dochter nog de basisschool vlakbij de woning bezoekt. Zij stelt dat zij bij verkoop van de woning met de kinderen op straat zal komen te staan, omdat zij leeft van een WIA-uitkering zodat haar inkomen beperkt is, de man daarbij zijn verplichting om kinderalimentatie te betalen niet nakomt en zij nog te kort als woningzoekende staat ingeschreven om in aanmerking te kunnen komen voor een passende huurwoning. Zij voert aan dat haar na recent onderzoek is gebleken dat zij ook met de hulp van haar familie niet in staat is om de woning aan zich te laten toedelen. Over de vordering tot betaling van de achterstallige en lopende hypotheeklasten stelt zij dat partijen gezamenlijk verantwoordelijk zijn voor die betaling zodat het niet redelijk is om haar te veroordelen deze lasten in haar eentje te betalen.
3.5.
De vrouw vordert in reconventie primair om de verdeling van de woning uit te stellen totdat de jongste dochter naar de middelbare school zal gaan.
Subsidiair vordert zij dat de voorzieningenrechter de verdeling op de volgende wijze zal gelasten:
- de vrouw heeft gedurende negen maanden na de datum van dit vonnis het uitsluitend gebruik van de woning;
-taxatie van de woning: binnen twee weken na de datum van dit vonnis zullen partijen zich wenden tot taxateur [bedrijf];
- de door de taxateur bepaalde waarde zal gelden als bindend advies in de zin van artikel
7:900 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek. De taxateur zal de bindende marktconforme
vraagprijs van de woning bepalen;
- de kosten van de taxatie zullen door beide partijen gedragen worden, ieder voor de helft;
- partijen zullen binnen één week na ontvangst van het taxatierapport de verkoopopdracht
verstrekken aan [bedrijf]. Daarbij wordt rekening gehouden met/gelden de volgende voorwaarden:
  • geen te koop bord zichtbaar aan de woning, ter bescherming van de kinderen;
  • er mogen geen foto's van de binnenkant van de woning worden gemaakt;
  • de sleutel blijft tijdens het verkoopproces in bezit van de vrouw;
  • eventuele bezichtigingen vinden uitsluitend plaats in overleg met de vrouw en aanwezigheid van de vrouw bij de bezichtiging;
- partijen zullen in overleg met de taxateur de verkoopovereenkomst aangaan met degene
die de hoogte prijs biedt indien en voor zover die prijs volgens beide partijen, gezien de
onroerendgoedmarkt ter plaatse en de kwaliteit van de woning de best mogelijke prijs is.
Als partijen het niet eens kunnen worden over de vraag of een aanbod de best mogelijke
prijs is, zal de taxateur/ makelaar dit naar beste weten en bindend bepalen;
- partijen zullen als de verkoopprijs bindend is vastgesteld hun medewerking verlenen aan
de verkoop en levering van de woning aan een derde;
- de hypothecaire geldlening zal bij gelegenheid van eigendomsoverdracht worden afgelost
uit de verkoopopbrengst van de woning, waarna de resterende netto-verkoopopbrengst
gelijkelijk tussen partijen dient te worden verdeeld. Op het aandeel van de man strekt in
mindering de kinderalimentatieachterstand, heden begroot op: € 17.092,72,-, en voorts de volgende lasten ten aanzien van de woning: € 5.711,54 aan aflossing, te vermeerderen met € 231,30 per maand tot het moment van verkoop van de woning en € 451,50 aan WOZ.
- partijen zullen de kosten van de verkoop en levering gezamenlijk dragen;
Kosten rechtens.
3.6.
De man voert verweer op de gronden die hij in conventie heeft aangevoerd. Daarnaast heeft hij verweer gevoerd tegen de bedragen die de vrouw wenst te verrekenen met zijn aandeel in de opbrengst na verkoop.
3.7.
Op de stellingen van partijen gaat de voorzieningenrechter hierna nader in, voor zover relevant.

4.De beoordeling

in conventie en in reconventie
4.1.
Gelet op de onderlinge samenhang tussen de vorderingen in conventie en in reconventie zullen deze vorderingen gezamenlijk worden beoordeeld en beslist.
Spoedeisend belang
4.2.
Het gaat hier om in een kort geding gevorderde voorlopige voorziening. Voor toewijzing van een vordering is nodig dat de eisende partij daarbij een spoedeisend belang heeft. De voorzieningenrechter vormt zich een voorlopig oordeel over de vordering aan de hand van de stukken en de mondelinge behandeling. Of de gevraagde voorziening wordt verleend, hangt ook af van de afweging van de belangen van partijen.
4.3.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter hebben partijen het spoedeisend belang bij hun vorderingen voldoende aannemelijk gemaakt.
De woning
4.4.
Het geschil gaat in de eerste plaats over de vraag of de voormalige echtelijke woning moet worden verkocht of niet en zo ja onder welke voorwaarden.
4.5.
Vaststaat dat de relatie tussen partijen al in oktober 2022 is geëindigd. De woning is nog altijd niet verdeeld. In het voorjaar 2024 hebben partijen een afspraak gemaakt om de verkoop nog een jaar uit te stellen. Als onderdeel van die afspraak heeft de vrouw gedurende dat jaar de lasten van de woning gedragen. In het voorjaar van 2025 heeft de man de vrouw opnieuw verzocht mee te werken aan verkoop van de woning. De vrouw heeft voorgesteld de verkoop nogmaals uit te stellen, nu voor een periode van drie jaar, maar over nogmaals uitstel hebben partijen geen overeenstemming bereikt. Ondanks herhaald verzoek daartoe is de vrouw niet bereid gebleken om mee te werken aan verkoop. Ter zitting heeft zij verklaard dat zij bij verkoop van de woning met de kinderen van partijen op straat zou komen te staan omdat zij nog geen passende andere woonruimte heeft gevonden.
4.6.
Na aanhouding van de verdere behandeling van de zaak heeft de vrouw nog onderzocht of zij de woning aan zich kon laten toedelen met hulp van haar familie, maar inmiddels is voldoende aannemelijk geworden dat de vrouw niet in staat is de woning over te nemen. Dit betekent dat de woning moet worden verkocht. In haar subsidiaire vordering heeft de vrouw aan verkoop meerdere voorwaarden verbonden. De man heeft laten weten dat hij ermee kan instemmen dat:
  • er geen te koop bord wordt geplaatst aan de woning,
  • de slaapkamers van de kinderen niet worden gefotografeerd,
  • de sleutel tijdens het verkoopproces in het bezit van de vrouw blijft mits zij deze tijdig afstaat aan de makelaar voor de bezichtigingen, zodat de bezichtigingen daar niet door worden belemmerd
  • en de vrouw niet aanwezig is tijdens bezichtigingen.
Omdat partijen hierover overeenstemming hebben, zal de voorzieningenrechter deze voorwaarden opnemen in de beslissing.
4.7.
De vrouw heeft gevorderd dat zij nog negen maanden na het vonnis het uitsluitend gebruik van de woning houdt. Die vordering wordt afgewezen. De vrouw is er al lange tijd mee bekend dat zij de woning zal moeten verlaten en had gedurende die tijd actief naar vervangende woonruimte kunnen zoeken, temeer nu het erop lijkt dat een reëel perspectief op toedeling gedurende die tijd niet aanwezig is geweest. De man heeft verklaard ermee te kunnen instemmen dat de woning eind juli 2026 wordt overgedragen aan een koper. Die termijn komt de voorzieningenrechter redelijk voor.
4.8.
De vrouw heeft verder gevorderd dat de woning binnen twee weken na de datum van het vonnis zal worden getaxeerd en de taxateur bindend de marktconforme vraagprijs van de woning zal bepalen. Deze vordering wordt afgewezen. De woning moet verkocht worden en voor het doen bepalen van de vraagprijs kunnen partijen zich verlaten op de expertise van de makelaar, temeer nu zal worden toegewezen dat de verkoopopdracht wordt gegeven aan [bedrijf], dezelfde makelaar die de vrouw had voorgesteld als taxateur.
4.9.
Voor zover de vrouw voor het overige bepaalde voorwaarden heeft gesteld zullen die worden opgenomen in het dictum voor zover de voorzieningenrechter die gangbaar en nodig althans nuttig acht.
4.10.
De gevorderde dwangsom zal als prikkel tot nakoming van de verschillende medewerkingshandelingen worden toegewezen, zij het dat de maximaal te verbeuren dwangsom zal worden gematigd.
4.11.
Daarnaast zal de gevorderde indeplaatsstelling van het vonnis voor medewerking aan een aantal rechtshandelingen worden toegewezen.
Gestelde verrekeningsvorderingen
4.12.
De vrouw heeft gesteld dat zij een aantal vorderingen op de man heeft die verrekend moeten worden met zijn aandeel van de te realiseren verkoopopbrengst. Dit betreft volgens de vrouw achterstallig kinderalimentatie, het aandeel van de man in door haar betaalde hypotheeklasten en WOZ-lasten en ten onrechte door de man genoten hypotheekrenteaftrek.
4.13.
De man heeft het bestaan en/of de omvang van deze vorderingen betwist. Over de kinderalimentatie heeft hij gesteld dat de hoogte van de vordering niet is aangetoond en dat er een procedure bij de rechtbank aanhangig is over de hoogte van de kinderalimentatie. Verder heeft hij aangevoerd dat hij over de periode tot 1 april 2024 in plaats van de kinderalimentatie de volledige rente en aflossing van de hypothecaire schuld op de woning heeft betaald en dat de vrouw ook nooit eerder aanspraak op de alimentatie heeft gemaakt totdat hij in april 2025 via zijn advocaat opnieuw vroeg om haar medewerking aan verkoop van de woning.
4.14.
Ook de verschuldigdheid van het bedrag uit hoofde van rente en aflossing van de hypotheek vanaf 1 april 2024 heeft de man betwist. Hij heeft erop gewezen dat de vrouw alleen het genot van de woning heeft gehad en het gebruikelijk is dat daar een gebruiksvergoeding tegenover staat. Hij heeft verklaard dat hij zich nog zal beraden over welk bedrag hij in dat verband reëel acht.
4.15.
Ook de gevorderde betaling van door hem genoten hypotheekrenteaftrek heeft hij betwist. Hij heeft verklaard dat hij in 2024 de lasten 3 maanden volledig heeft betaald en daarna hooguit 6 maanden tot september aftrek genoten heeft (gelet op de 2 jaarstermijn die de belastingdienst hanteert).
4.16.
Tenslotte heeft hij betwist dat de vrouw de aanslagen WOZ over 2023 en 2024 heeft betaald omdat hiervan geen bewijs is overgelegd en partijen in april 2024 een afspraak hebben gemaakt dat de vrouw alle kosten van het huis voor haar rekening zou nemen.
4.17.
De voorzieningenrechter overweegt als volgt. De juistheid van de stelling van de vrouw over het bestaan en de hoogte van deze vorderingen kan, gelet op de betwisting door de man, in dit kort geding niet met voldoende mate van zekerheid worden vastgesteld. De door de vrouw overgelegde onderbouwing is daarvoor volstrekt onvoldoende. Om de juistheid van de stelling van de vrouw te kunnen vaststellen zal dan ook nader feitenonderzoek en/of nadere bewijslevering noodzakelijk zijn, maar voor dergelijk nader onderzoek leent een kort gedingprocedure zich naar zijn aard niet. Om die reden kan de vordering van de vrouw tot verrekening in deze procedure niet worden toegewezen. Partijen zullen over deze vorderingen nader in overleg moeten treden en als zij geen overeenstemming kunnen bereiken zullen zij hierover nog een bodemprocedure moeten voeren waarin dergelijk nader onderzoek wel zal kunnen plaatsvinden.
Vordering tot betaling van de hypotheeklasten
4.18.
In zijn akte vermeerdering van eis heeft de man gevorderd dat de vrouw wordt veroordeeld om binnen zeven dagen na betekening van het vonnis de ontstane achterstand in de betaling van de hypothecaire verplichtingen te voldoen en de betalingen niet te laten storneren alsmede om de vrouw te verplichten om de nog te verschijnen maandelijkse hypothecaire verplichtingen tot aan de datum van levering van de woning te voldoen en niet te laten storneren.
4.19.
De man heeft met een nadere productie onderbouwd verklaard dat tijdens de periode waarin de verdere behandeling van de zaak was aangehouden is gebleken dat, anders dan de vrouw ter zitting van 6 januari 2026 had aangevoerd, zij de hypotheek niet stipt heeft voldaan (dan wel dat betalingen zijn gestorneerd) waardoor er inmiddels een achterstand is ontstaan in het betalen van de hypothecaire lasten van € 2.848,76, zijnde drie maanden.
4.20.
De man heeft ter onderbouwing van zijn vordering verwezen naar de door partijen in april 2024 gemaakte afspraak, waarbij de vrouw had toegezegd alle lasten van de woning zou dragen. De afspraak uit april 2024 om de verkoop van de woning uit te stellen, waarbij de vrouw had toegezegd gedurende dat uitstel alle lasten van de woning voor haar rekening te nemen is in het voorjaar van 2025 niet verlengd. Hoewel partijen geen nieuwe afspraak over verkoop van de woning hebben gemaakt heeft de vrouw niet haar medewerking aan verkoop willen verlenen. Wel is zij ook na die tijd alle lasten verbonden aan de woning blijven voldoen. Inmiddels is echter voldoende aannemelijk geworden dat de man nu op korte termijn wil komen tot verkoop van de woning. Niet is gesteld of gebleken dat de woning niet binnen afzienbare tijd verkocht zal kunnen worden. Omdat het aan de vrouw te wijten is dat de verkoop van de woning nog niet heeft kunnen plaatsvinden, is de voorzieningenrechter van oordeel dat de vrouw de lasten verbonden aan de woning moet blijven doorbetalen tot aan het moment van levering van de woning aan een koper. Vervolgens kunnen partijen na verkoop eventuele vorderingen waarvan zij menen dat die met elkaar verrekend moeten worden over en weer met elkaar afrekenen.
Conclusie
4.21.
Uit hetgeen hiervoor is overwogen en beslist volgt dat de vordering van de man om de vrouw te veroordelen mee te werken aan verkoop van de woning wordt toegewezen, waarbij rekening zal worden gehouden met hetgeen waarover partijen overeenstemming hebben bereikt.
De door de vrouw gevorderde verrekening van door haar gestelde vorderingen met het aandeel van de man van de verkoopopbrengst wordt afgewezen.
De vorderingen in reconventie worden afgewezen.
Proceskosten
4.22.
Omdat partijen voormalig echtelieden zijn zullen de proceskosten worden gecompenseerd.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter
in conventie
5.1.
veroordeelt de vrouw om:
binnen zeven dagen na betekening van dit vonnis samen met de man opdracht te geven tot verkoop van de woning aan [bedrijf],
binnen achtentwintig dagen na de datum van dit vonnis de woning op Funda in de verkoop te laten zetten door de makelaar, waarbij het volgende geldt:
  • er geen te koop bord wordt geplaatst aan de woning,
  • de slaapkamers van de kinderen niet worden gefotografeerd,
  • de sleutel tijdens het verkoopproces in het bezit van de vrouw blijft
alle adviezen en aanwijzingen van de makelaar van partijen op te volgen, waaronder de door deze geadviseerde vraag- en laatprijs,
de woning open te stellen voor bezichtigingen van potentiële kopers,
de woning op orde te brengen en te houden voor bezichtigingen en aanwijzingen van de makelaar ter zake op te volgen,
niet aanwezig te zijn bij bezichtigingen in de woning en geen contact op te nemen met potentiële kopers,
een en ander op verbeurte van een dwangsom van € 250,00 voor iedere dag of iedere overtreding dat de vrouw na betekening van het vonnis weigert aan de veroordelingen onder b t/m f te voldoen, met een maximum aan de te verbeuren dwangsommen van € 10.000,00,
5.2.
veroordeelt de vrouw de verkoopovereenkomst aan te gaan met de kandidaat-koper(s) die het beste bod doet, waarbij in het geval partijen daar niet over eens worden de makelaar dit bindend de laatprijs zal kunnen bepalen,
5.3.
bepaalt dat de leveringsdatum van de woning aan de koper(s) niet eerder zal zijn dan 31 juli 2026 tenzij de vrouw de woning eerder heeft verlaten,
5.4.
veroordeelt de vrouw om alle adviezen en aanwijzingen van de makelaar in het kader van de oplevertermijn op te volgen en daadwerkelijk de woning te verlaten binnen de door de makelaar gestelde oplevertermijn, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 250,00 voor iedere dag dat de vrouw na betekening van het vonnis weigert aan deze veroordeling te voldoen met een maximum aan de te verbeuren dwangsommen van € 7.500,00,
5.5.
veroordeelt de vrouw om op eerste schriftelijk verzoek van de notaris binnen één week mee te werken aan het notarieel transport van de woning,
5.6.
bepaalt dat als de vrouw niet haar onvoorwaardelijke medewerking verleent aan de veroordelingen hiervoor sub 5.1onder a, 5.2 en 5.5 dit vonnis in de plaats treedt van de ontbrekende wilsverklaring en handtekening van de vrouw benodigd voor het in de verkoop plaatsen van de woning, de koopovereenkomst en de juridische levering (transportakte) van de eigendom van de bedoelde onroerende zaak aan kandidaat-koper,
5.7.
veroordeelt de vrouw om uiterlijk binnen zeven dagen na betekening van dit vonnis de ontstane achterstand in de betaling van de hypothecaire verplichtingen te voldoen en niet te laten storneren en voorts de nog te verschijnen (volledige) maandelijkse hypothecaire verplichtingen te voldoen tot aan de datum van levering van de woning en niet laten storneren,
5.8.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.9.
compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
5.10.
wijst af het meer of anders gevorderde,
in reconventie
5.11.
wijst het gevorderde af,
5.12.
compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.H. Schotman en in het openbaar uitgesproken op
6 maart 2026.
1155