ECLI:NL:RBNHO:2026:1969

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
19 februari 2026
Publicatiedatum
26 februari 2026
Zaaknummer
C/15/374779 / KG ZA 26-72
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 WthArt. 4:8 AwbArt. 3:2 AwbArt. 3:46 AwbArt. 8:72 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging tijdelijk huisverbod wegens onzorgvuldige voorbereiding en ondeugdelijke motivering

De rechtbank Noord-Holland behandelde op 19 februari 2026 het beroep van verzoeker tegen een tijdelijk huisverbod opgelegd door de burgemeester van Zaanstad. Het huisverbod betrof de periode van 16 tot 26 februari 2026 en omvatte tevens contactverboden met gezinsleden. Verzoeker stelde dat het besluit onzorgvuldig was voorbereid en onvoldoende was gemotiveerd, met name vanwege het niet horen van verzoeker voorafgaand aan het besluit.

De voorzieningenrechter constateerde dat verweerder de hoorplicht had geschonden door verzoeker niet te horen over het voorgenomen huisverbod. Daarnaast ontbrak een deugdelijke motivering, omdat relevante informatie van politie en VeiligThuis niet in het besluit was verwerkt. Hierdoor werd het besluit vernietigd.

Desondanks oordeelde de rechtbank dat het ernstig vermoeden van gevaar voor de veiligheid van de echtgenote, kinderen en overige bewoners voldoende was onderbouwd. Daarom bleven de rechtsgevolgen van het huisverbod tot 26 februari 2026 in stand. Verzoeker had geen belang meer bij een voorlopige voorziening. De gemeente Zaanstad werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten.

Uitkomst: Het tijdelijk huisverbod wordt vernietigd wegens schending van de hoorplicht en ondeugdelijke motivering, maar de rechtsgevolgen blijven tot 26 februari 2026 in stand.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Sectie Familie & Jeugd
locatie Haarlem
voorzieningenrechter
Wet tijdelijk huisverbod
zaak-/rekestnummers: C/15/374779 / KG ZA 26-72 (voorlopige voorziening)
C/15/374780 / FA RK 26-812 (beroep)
Uitspraak naar aanleiding van het verzoek om een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), tevens uitspraak in de hoofdzaak als bedoeld in artikel 8:86, eerste lid, van de Awb van 19 februari 2026
in de zaak van
[verzoeker], verzoeker, tevens eiser, hierna te noemen: verzoeker,
wonende te [plaats] ,
gemachtigde mr. K. van der Vlies, advocaat te Purmerend,
tegen
de burgemeester van de gemeente Zaanstad, verweerder,
zetelende te Zaandam,
in welke zaak belanghebbenden zijn:
[echtgenote van verzoeker],
hierna te noemen: echtgenote van verzoeker,
wonende te [plaats] ,
[zwager van verzoeker],
hierna te noemen: zwager van verzoeker,
wonende te [plaats] .

1.De procedure

1.1.
Bij besluit van 16 februari 2026 heeft de verweerder aan de verzoeker een huisverbod als bedoeld in de Wet tijdelijk huisverbod (hierna: Wth) en een contactverbod met diens echtgenote, zwager en zoon (van negen jaar) opgelegd voor de periode van 16 februari 2026 tot 26 februari 2026.
1.2.
Bij besluit van 17 februari 2026 heeft de verweerder het besluit van 16 februari 2026 aangevuld met een contactverbod met de dochter van de verzoeker (van vier jaar).
1.3.
Tegen het besluit van 16 februari 2026 (hierna: het bestreden besluit) heeft de verzoeker bij brief van 16 februari 2026 beroep ingesteld en tevens verzocht een voorlopige voorziening te treffen, namelijk het tijdelijk huisverbod met onmiddellijke ingang op te heffen. De verzoeker heeft dit verzoek ter zitting gewijzigd en verzocht het tijdelijk huisverbod met onmiddellijke ingang te schorsen totdat er op het beroep is beslist.
1.4.
Op 17 februari 2026 heeft de verzoeker een verklaring van zijn schoonmoeder ingediend.
1.5.
Op 17 februari 2026 heeft de verweerder de volgende stukken ingediend:
  • het formulier Situatie ter plaatste van 16 februari 2026;
  • het formulier Risico-taxatie instrument Huiselijk Geweld van 16 februari 2026;
  • het bestreden besluit van 16 februari 2026;
  • het proces-verbaal van bevindingen hulpofficier van justitie voor een beslissing huisverbod van 16 februari 2026.
1.6.
Op 18 februari 2026 heeft de verweerder het besluit van 17 februari 2026 ingediend.
1.7.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 februari 2026. Hierbij zijn verschenen en gehoord:
  • de verzoeker, bijgestaan door zijn gemachtigde mr. K. van der Vlies;
  • de verweerder, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van verweerder] .
De belanghebbende echtgenote en zwager van de verzoeker zijn, hoewel daartoe opgeroepen, niet ter zitting verschenen.

2.De beoordeling

2.1.
Op grond van artikel 2 van Pro de Wth kan de burgemeester een huisverbod opleggen aan een persoon als uit feiten of omstandigheden blijkt dat zijn aanwezigheid in de woning ernstig en onmiddellijk gevaar oplevert voor de veiligheid van één of meer personen die met hem in de woning wonen of daarin anders dan incidenteel verblijven of indien op grond van feiten of omstandigheden een ernstig vermoeden van dit gevaar bestaat.
2.2.
Indien tegen een besluit beroep bij de rechtbank is ingesteld, kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak, ingevolge artikel 8:81, eerste lid, van de Awb op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
2.3.
Aangezien alle voor een beslissing relevante feiten en omstandigheden aan de orde zijn geweest, meent de voorzieningenrechter, partijen gehoord hebbende, dat nader onderzoek in dit geval redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak en dat ook overigens geen beletsel bestaat om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb onmiddellijk uitspraak in de hoofdzaak te doen. Daarom zal de voorzieningenrechter gebruikmaken van de bevoegdheid om onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.
2.4.
De verweerder heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat:
  • er sprake was en nog steeds is van gevaar, omdat er in de afgelopen drie dagen iedere dag incidenten zijn geweest van fysiek en/of verbaal geweld en de politie tweemaal licht lichamelijk letsel bij de echtgenote heeft geconstateerd;
  • de burgemeester bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid gebruik van de bevoegdheid heeft kunnen maken, omdat de aanwezigheid van de verzoeker in de woning in de afgelopen dagen steeds tot een nieuw incident heeft geleid en de verzoeker niet (langer) bereid was om niet in de woning aanwezig te zijn.
2.5.
De verzoeker heeft aangevoerd dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd en tevens onzorgvuldig is genomen. De verzoeker heeft zich op het standpunt gesteld dat er aan het bestreden besluit een onjuiste, althans onevenredige belangenafweging ten grondslag ligt, die niet nader is gemotiveerd of inzichtelijk is gemaakt. Ter zitting heeft de verzoeker daaraan toegevoegd dat de verweerder ook zijn hoorplicht heeft geschonden.
2.6.
Uit de inhoud van de overgelegde stukken en wat ter zitting door beide partijen naar voren is gebracht, constateert de voorzieningenrechter het volgende.
De woning van de verzoeker en zijn echtgenote is voorzien van camera’s. De verzoeker heeft via zijn mobiele telefoon live toegang tot de camerabeelden en -geluid. In de avond van 12 februari 2026 heeft een incident in de woning plaatsgevonden, waarbij de verzoeker, de echtgenote en haar moeder betrokken waren en ten tijde waarvan de kinderen in de woning aanwezig waren. Het incident bestond onder meer eruit dat de verzoeker zijn echtgenote heeft vastgepakt en haar vanuit de bovenverdieping beneden en naar buiten heeft gebracht. De verzoeker is naar aanleiding hierna in het eerste uur van 13 februari 2026 door de politie aangehouden en naar het politiebureau meegenomen. De politie heeft toen licht lichamelijk letsel bij de echtgenote geconstateerd.
Na zijn politieverhoor en vrijlating op 13 februari 2026 rond 17:00 uur heeft de verzoeker zijn spullen in de woning opgehaald en heeft een nacht in een hotel doorgebracht.
Op 14 februari 2026 is de verzoeker langs de woning gegaan maar is niet binnen geweest. Hij heeft vervolgens in zijn auto in de buurt van de woning geslapen.
Op 15 februari 2026 heeft de verzoeker via de camera’s in de woning gehoord dat zijn echtgenote telefonisch contact had met een man. De verzoeker is naar aanleiding daarvan naar de woning gegaan, heeft daar de mobiele telefoon van zijn echtgenote (volgens verzoeker: van de tafel) gepakt en is daarmee weggegaan. De verzoeker heeft vervolgens de berichten van zijn echtgenote in haar telefoon gelezen en hij is de man waarmee zijn echtgenote contact had en diens vrouw ermee gaan confronteren. De telefoon van zijn echtgenote heeft de verzoeker naar de woning teruggebracht. De betreffende man en diens vrouw zijn rond 23:00 uur naar de woning van de verzoeker en zijn echtgenote gekomen om verhaal te halen. In de woning waren toen de verzoeker, zijn echtgenote en meerdere familieleden aanwezig, waaronder ook de kinderen. Naar aanleiding van de (dreigende) escalatie van de situatie in de woning is rond de middernacht de politie gearriveerd en heeft daar iedereen die daar niet woonde weggestuurd. De politie heeft toen licht lichamelijk letsel bij de echtgenote geconstateerd. Het is onbekend of dit nieuw letsel betrof of het eerder door de politie waargenomen letsel. De verzoeker heeft toen met de politie gesproken over de gebeurtenissen van de afgelopen dagen. Hij heeft toen ook verteld dat hij op 16 februari 2026 rond 10:00 uur naar de woning zou terugkeren. Hij heeft vervolgens in zijn auto in de buurt van de woning geslapen.
Op 16 februari 2026 rond 11:30 uur is de verzoeker door de politie gebeld en is hem medegedeeld dat aan hem een tijdelijk huisverbod is opgelegd en dat hij de beschikking om 15:00 uur op het politiebureau moest ophalen.
2.7.
Gelet op de inhoud van de overgelegde stukken en wat ter zitting naar voren is gebracht en de omstandigheid dat door de verweerder geen episodejournaal is overgelegd, kan de voorzieningenrechter niet vaststellen dat de verzoeker door de verweerder op 16 februari 2026 of daarvoor over de voorgenomen oplegging van het huisverbod is gehoord en in de gelegenheid is gesteld zijn visie daarop naar voren te brengen. De voorzieningenrechter concludeert daarom dat de verweerder in strijd met artikel 4:8 Awb Pro heeft gehandeld en de hoorplicht heeft geschonden. In het verlengde daarvan is het bestreden besluit in strijd met het in artikel 3:2 Awb Pro neergelegde vereiste dat een besluit zorgvuldig moet worden voorbereid. Daarnaast kleeft er een motiveringsgebrek aan het bestreden besluit nu de informatie van de politie – in het bijzonder wat de verzoeker in de avond/nacht van 15 op 16 februari 2026 ter plekke aan de politie heeft verteld over de camera’s, het doorzoeken van de telefoon van de echtgenote, het confronteren van de man met wie zijn echtgenote contact had gehad met als gevolg dat die verhaal kwam halen in de woning van de verzoeker en zijn echtgenote – en de informatie van VeiligThuis niet is weergegeven in het bestreden besluit, terwijl die informatie kennelijk daaraan wel ten grondslag is gelegd. Om die reden is het bestreden besluit in strijd met het in artikel 3:46 Awb Pro neergelegde vereiste dat een besluit moet berusten op een deugdelijke motivering. Het beroep van de verzoeker tegen het bestreden besluit is reeds gelet op deze gebreken gegrond en het bestreden besluit wordt dan ook vernietigd.
2.8.
De voorzieningenrechter ziet aanleiding met toepassing van artikel 8:72, derde lid, Awb te bezien of de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit in stand kunnen blijven, nu de verzoeker in beroep voldoende in de gelegenheid is geweest zich over dat bestreden besluit en de daaraan ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden uit te laten en de verweerder het bestreden besluit voldoende heeft kunnen toelichten.
2.9.
Uit de inhoud van de overgelegde stukken en wat ter zitting naar voren is gebracht, waaronder de gedetailleerde beschrijving van de gebeurtenissen tussen 12 en 16 februari 2026 door de verzoeker ter zitting, concludeert de voorzieningenrechter dat ten tijde van het nemen van het bestreden besluit sprake was een ernstig vermoeden dat de aanwezigheid van de verzoeker in de echtelijke woning ernstig en onmiddellijk gevaar opleverde voor de veiligheid van de echtgenote, de kinderen en overige bewoner(s). Dit vermoeden is gebaseerd op de omstandigheid dat de aanwezigheid van de verzoeker en zijn echtgenote in de woning en hun respectievelijke gedrag en handelen na het incident op 12 februari 2026 telkens opnieuw in een incident is ontaard, zoals hiervoor onder 2.6 geconstateerd. Dat het gevaar niet eerder dan op 16 februari 2026 is aangenomen door de verweerder en niet eerder een huisverbod is opgelegd, is te volgen in het licht van de door de verzoeker gedane poging om na het eerste incident afstand te nemen en niet in de woning aanwezig te zijn.
Bij dit alles is nog van belang dat voor de oplegging van het huisverbod niet vereist is dat wordt vastgesteld of aannemelijk is dat er strafbare feiten zijn gepleegd. Het huisverbod heeft blijkens de geschiedenis en totstandkoming van de Wth tot doel preventie van strafbare feiten in de vorm van huiselijk geweld. Dat doel streeft verweerder nu ook na. Gelet op het voorgaande luidt de conclusie dat verweerder bevoegd was het bestreden besluit te nemen.
2.10.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat de verweerder het belang van de echtgenote, de kinderen en de overige bewoner(s) van de woning zwaarder heeft kunnen laten wegen dan het belang van de verzoeker en het huisverbod in redelijkheid aan hem heeft kunnen opleggen. De omstandigheid dat de verzoeker geen andere slaapplek meent te hebben dan zijn auto, is bij het opleggen van een tijdelijk huisverbod niet van doorslaggevende betekenis. De verweerder heeft een dergelijke afweging op grond van de omstandigheden van dit geval kunnen maken.
2.11.
Gelet hierop zal de voorzieningenechter de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit in stand laten.
2.12.
Nu de voorzieningenrechter met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, Awb onmiddellijk uitspraak heeft gedaan in de hoofdzaak, brengt dat in dit mee dat verzoeker geen belang meer heeft bij een uitspraak op zijn verzoek om een voorlopige voorziening, zodat dit verzoek wordt afgewezen.
2.13.
De voorzieningenrechter zal met toepassing van artikel 8:75, eerste en derde lid, Awb verweerder veroordelen in de kosten die verzoeker heeft gemaakt en de gemeente Zanstad als rechtspersoon aanwijzen die de kosten moet vergoeden. De kosten zijn op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht € 1.868,- in verband met het verzoek om een voorlopige voorziening en het beroep (1 punt voor het verzoekschrift en het beroepschrift gezamenlijk – vanwege de samenhang van de zaken – en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1). Omdat aan verzoeker een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, worden deze bedragen op grond van artikel 8:75, tweede lid, Awb betaald aan de rechtsbijstandverlener.

3.De beslissing

De voorzieningenrechter:
3.1.
verklaart het beroep gegrond;
3.2.
vernietigt het bestreden besluit;
3.3.
bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven tot en met 26 februari 2026 te 12:00 uur;
3.4.
veroordeelt de verweerder in de proceskosten en wijst de gemeente Zaanstad aan als de rechtspersoon die € 1.868,- dient te betalen aan de rechtsbijstandverlener van verzoeker in verband met de redelijkerwijs gemaakte proceskosten voor het verzoek om een voorlopige voorziening en het beroep gezamenlijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.C.M. Swinkels, rechter, in tegenwoordigheid van mr. A. Hausenblasová, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 19 februari 2026.
Tegen deze uitspraak, voor zover die ziet op het beroep, kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag.