Partijen sloten op 31 mei 2024 een aannemingsovereenkomst waarbij de gedaagde werkzaamheden aan de woning van eiser zou verrichten, waaronder schilderen en het vervangen van ramen. Na een prijswijziging begon gedaagde op 26 juni 2024 met de werkzaamheden, maar stopte voortijdig na een geschil over het keukenraamkozijn.
Eiser stelde gedaagde meerdere malen schriftelijk in gebreke en sommeerde hem de werkzaamheden af te maken, wat niet gebeurde. Eiser schakelde vervolgens een derde in om het werk te voltooien en vorderde vervangende schadevergoeding. Gedaagde stelde dat eiser de overeenkomst had opgezegd, waardoor hij niet meer hoefde na te komen, maar dit verweer werd verworpen wegens onvoldoende bewijs.
Daarnaast stelde eiser dat gedaagde schade aan het stucwerk had veroorzaakt. Gedaagde betwistte aansprakelijkheid met een beroep op slecht stucwerk door derden, maar kon dit niet onderbouwen. De kantonrechter oordeelde dat de schade aan gedaagde toe te rekenen is.
De gevorderde schadevergoeding van € 3.594,54, de buitengerechtelijke incassokosten van € 484,45 en de proceskosten van € 1.002,69 werden toegewezen, met wettelijke rente vanaf de dagvaarding. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.