ECLI:NL:RBNHO:2026:207

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
14 januari 2026
Publicatiedatum
15 januari 2026
Zaaknummer
15/324534-21
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Strafzaak tegen verdachte wegens medeplegen van cocaïnehandel en witwassen

Op 14 januari 2026 heeft de Rechtbank Noord-Holland uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een verdachte die beschuldigd werd van het medeplegen van het opzettelijk aanwezig hebben van ongeveer 16 kilogram cocaïne en het witwassen van een geldbedrag van € 116.950,-. De verdachte werd op 2 december 2021 aangehouden en in voorlopige hechtenis genomen. De rechtbank heeft kennisgenomen van de procesafspraken die zijn gemaakt tussen het Openbaar Ministerie en de verdediging, waarbij een gevangenisstraf van 25 maanden werd voorgesteld. De rechtbank oordeelde dat deze straf passend was, gezien de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn gepleegd. De verdachte heeft zich gedurende een langere periode schuldig gemaakt aan het verhandelen van cocaïne en het witwassen van geld dat uit criminele activiteiten is verkregen. De rechtbank heeft vastgesteld dat de verdachte vrijwillig en met voldoende informatie heeft ingestemd met de procesafspraken, wat heeft geleid tot een snellere afdoening van de zaak. De rechtbank heeft de verdachte veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 25 maanden, met aftrek van de tijd die in voorarrest is doorgebracht. De uitspraak is gedaan in tegenwoordigheid van de griffier en is openbaar gemaakt op dezelfde dag.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Team Straf, zittingsplaats Alkmaar
Meervoudige strafkamer
Parketnummer: 15/324534-21
Uitspraakdatum: 14 januari 2026
Tegenspraak
Verkort strafvonnis(art. 138b van het Wetboek van Strafvordering (Sv))
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 21 maart 2022 en 26 november 2025 en 7 januari 2026 in de zaak tegen:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum en -plaats],
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres
[adres 1].
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat de verdachte en zijn raadsman, mr. R.A. van der Horst, advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht.

1.Tenlastelegging

De verdachte wordt – na wijziging van de tenlastelegging ex art. 314a Sv – verweten dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan, kort gezegd, de volgende feiten:
Feit 1:het medeplegen van het opzettelijk aanwezig hebben van ongeveer 16 kilogram cocaïne op 2 december 2021 in Rotterdam.
Feit 2:het medeplegen van het witwassen van een uit eigen misdrijf verkregen geldbedrag van € 116.950,- op 2 december 2021 in Rotterdam.
Feit 3:
Primairhet medeplegen van het verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren, in elk geval aanwezig hebben van cocaïne op meerdere tijdstippen in de periode van 1 augustus 2021 tot en met 1 december 2021 in Nederland;
Subsidiairhet medeplegen van voorbereidings- en/of bevorderingshandelingen om opzettelijk cocaïne te verkopen, af te leveren, te verstrekken en/of te vervoeren in de periode van 1 augustus 2021 tot en met 1 december 2021 in Nederland.
De volledige tekst van de tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

2.Procesafspraken

Verloop van de zaak en inhoud van de procesafspraken
In deze zaak zijn tussen het Openbaar Ministerie en de verdediging procesafspraken gemaakt waarvan een gezamenlijk voorstel voor de in de strafzaak uit te spreken bewezenverklaring, de daarbij behorende kwalificatie en de sanctieoplegging deel uit maken (hierna: de procesafspraken).
Over de totstandkoming van de procesafspraken stelt de rechtbank op grond van de stukken in het dossier en wat op de zitting is besproken het volgende vast.
De verdachte is op 2 december 2021 aangehouden, en aansluitend in verzekering gesteld en in voorlopige hechtenis genomen. De voorlopige hechtenis van de verdachte is met ingang van 23 maart 2022 geschorst onder algemene en bijzondere voorwaarden. Vanaf 19 augustus 2024 zijn er tussen het Openbaar Ministerie en de verdediging gesprekken gevoerd over de mogelijkheid van het maken van procesafspraken. De rechtbank heeft een op 3 juni 2025 door de officier van justitie, de verdachte en de raadsman ondertekende raamovereenkomst ontvangen. In deze overeenkomst zijn, kort samengevat, de volgende afspraken gemaakt:
  • er worden door de verdediging geen schorsingsverzoeken gedaan op tussentijdse zittingen, indien het thans lopende bevel tot schorsing zou worden opgeheven;
  • het Openbaar Ministerie zal rekwireren tot een bewezenverklaring en kwalificatie van de feiten zoals in de overeenkomst weergegeven;
  • het Openbaar Ministerie zal vorderen dat de schorsing van de voorlopige hechtenis wordt opgeheven bij uitspraak;
  • de verdachte zal aanwezig zijn bij iedere behandeling van de strafzaak en hij is in persoon aanwezig bij de uitspraak;
  • de verdachte hoeft geen nadere verklaring af te leggen;
  • de verdachte en het Openbaar Ministerie zien af van ingediende onderzoekswensen en van het indienen van nadere onderzoekswensen;
  • de verdediging zal geen bewijsverweren voeren;
  • de verdachte doet voor de inhoudelijke behandeling schriftelijk en als eigenaar afstand van de inbeslaggenomen voorwerpen zoals beschreven in de raamovereenkomst, te weten een aantal geldbiljetten, een Toyota personenauto en een contant geldbedrag van € 116.950,-;
  • het Openbaar Ministerie zal rekwireren tot een strafoplegging zoals hierna onder 8.1 weergegeven;
  • het Openbaar Ministerie zal in het kader van onderhavige strafzaak geen vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel aanbrengen voor de tenlastegelegde feiten of andere strafbare feiten als bedoeld in artikel 36e lid 2 van het Wetboek van Strafrecht;
  • de verdediging en het Openbaar Ministerie zullen geen hoger beroep instellen indien de rechtbank komt tot een bewezenverklaring en strafoplegging conform de gemaakte afspraken;
  • de verdachte onttrekt zich niet aan de tenuitvoerlegging van zijn straf.
Beoordeling van de procesafspraken
Op de zitting van 26 november 2025 heeft de rechtbank de procesafspraken en het afdoeningsvoorstel, zoals deze zijn weergegeven in de raamovereenkomst, met de partijen besproken. Op enkele punten heeft de rechtbank een nadere toelichting gevraagd en gekregen. De officier van justitie heeft in aanvulling op de hiervoor weergegeven procesafspraken te kennen gegeven dat het Openbaar Ministerie naar aanleiding van dit vonnis evenmin een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel zal aanbrengen die is gebaseerd op een berekening van voordeel op grond van art. 36e lid 3 Sr. De rechtbank heeft de gevolgen van de procesafspraken besproken en de rechtspositie van de verdachte aan de orde gesteld. De verdachte heeft te kennen gegeven goed te hebben begrepen wat de gemaakte procesafspraken inhouden en wat de gevolgen daarvan zijn. Ook heeft hij kenbaar gemaakt volledig achter die afspraken te staan en de overeenkomst vrijwillig te zijn aangegaan. De rechtbank heeft begrepen dat de verdachte zich vrij voelde om zelf te beslissen en zich niet onder druk gezet heeft gevoeld om de procesafspraken met het Openbaar Ministerie te maken. Verder is duidelijk geworden dat de verdachte bij het hele proces om tot procesafspraken te komen rechtsbijstand van zijn raadsman heeft gehad. Met het maken van procesafspraken hebben partijen beoogd tot een efficiëntere en snellere afdoening van de zaak te komen.
De rechtbank is van oordeel dat de verdachte vrijwillig en op basis van voor hem voldoende en duidelijke informatie is gekomen tot de ondubbelzinnige beslissing om mee te werken aan wat in de raamovereenkomst is overeengekomen. De rechtbank stelt daarnaast vast dat de verdachte zich bewust is van de rechtsgevolgen van de in die overeenkomst neergelegde procesafspraken en de daarmee gepaard gaande afstand van verdedigingsrechten. Daarmee is naar het oordeel van de rechtbank tevens voldaan aan de eisen die artikel 6 van het Verdrag voor de Rechten van de Mens stelt. In het licht van het voorgaande is de rechtbank dan ook van oordeel dat zij bij de beoordeling van de strafzaak tegen de verdachte acht kan slaan op de tussen het Openbaar Ministerie en de verdediging gemaakte procesafspraken. Hierbij is voor de rechtbank doorslaggevend dat de gemaakte procesafspraken zullen leiden tot een snellere afdoening (geen vertraging door uitgebreide onderzoekswensen, een kortere behandelduur op zitting en het afzien van hoger beroep) van de strafzaak.

3.Beantwoording van de vragen van de artikelen 348 en 350 Sv

De rechtbank stelt bij de beoordeling van deze strafzaak voorop, ook gelet op het arrest van de Hoge Raad van 27 september 2022 (ECLI:NL:HR:2022:1252), dat de rechtbank geen partij is bij de tussen het Openbaar Ministerie en de verdediging gemaakte procesafspraken en daaraan dus ook niet is gebonden. De rechtbank heeft een eigen verantwoordelijkheid om te waarborgen dat de behandeling en de beoordeling van de strafzaak plaatsvinden overeenkomstig de daarvoor geldende wettelijke regeling, in het bijzonder de artikelen 348 en 350 Sv, en de eisen van een eerlijk proces. Dat betekent dat de rechtbank de vragen van de artikelen 348 en 350 Sv in dit vonnis zelfstandig zal beantwoorden.

4.Voorvragen

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de zaak, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

5.Beoordeling van het bewijs

5.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft, onder verwijzing naar de gemaakte procesafspraken gerekwireerd tot bewezenverklaring van alle ten laste gelegde feiten.
5.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft, onder verwijzing naar de raamovereenkomst, geen bewijsverweren gevoerd en verzocht de zaak af te doen zoals in de raamovereenkomst is overeengekomen.
5.3
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank komt tot een bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten op grond van de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn weergegeven. De bewijsmiddelen worden slechts gebruikt ten aanzien van de feiten waarop zij blijkens hun inhoud betrekking hebben en zullen worden uitgewerkt in die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis vereist. De bewijsmiddelen zullen dan in een aan dit vonnis te hechten aanvulling worden opgenomen.
5.4
Bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat
Feit 1hij op 2 december 2021 te Rotterdam, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 16 kilogram cocaïne,
Feit 2
hij op 2 december 2021 te Rotterdam, tezamen en in vereniging met anderen, een voorwerp, te weten een (contant) geldbedrag van (ongeveer) 116.950 euro, heeft voorhanden gehad, terwijl hij, verdachte, wist dat dat voorwerp - onmiddellijk - (mede) afkomstig was uit enig eigen misdrijf;
Feit 3
hij op tijdstippen in de periode van 1 augustus 2021 tot en met 1 december 2021 in Nederland tezamen en in vereniging met anderen, meermalen, (telkens) opzettelijk heeft verkocht en afgeleverd en verstrekt en vervoerd, een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne,
Hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

6.Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten

Het bewezenverklaarde levert op:
Feit 1:
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod;
Feit 2:
medeplegen van eenvoudig witwassen;
Feit 3:
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is daarom strafbaar.

7.Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

8.Motivering van de sanctie

8.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft, onder verwijzing naar de gemaakte raamovereenkomst, gevorderd de verdachte te veroordelen tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 25 maanden, met aftrek van de in voorarrest doorgebrachte tijd.
8.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft, onder verwijzing naar de raamovereenkomst, verzocht de zaak af te doen zoals in de raamovereenkomst is overeengekomen.
8.3
Het oordeel van de rechtbank
Bij de beslissing over de sanctie die aan de verdachte moeten worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van de bewezenverklaarde feiten en de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan, alsmede de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.
Ernst van de feiten
De verdachte heeft zich samen met anderen gedurende een langere periode schuldig gemaakt aan het verhandelen van cocaïne. Verder heeft de verdachte een grote hoeveelheid cocaïne, namelijk 16 kilo, aanwezig gehad in zijn woning. Harddrugs bevatten voor de gezondheid van de gebruikers daarvan zeer schadelijke stoffen. De verspreiding ervan en de handel in harddrugs zijn bezwarend en ontwrichtend voor de samenleving en hebben bovendien veel gerelateerde vermogens- en andere criminaliteit tot gevolg, waaronder de door gebruikers gepleegde strafbare feiten ter financiering van hun behoefte aan drugs. De verspreiding van en de handel in harddrugs worden daarom, evenals het bezit ervan, krachtig bestreden. De verdachte heeft met zijn handelen een bijdrage geleverd aan de instandhouding van het harddrugscircuit. Daarbij heeft hij zich kennelijk laten leiden door geldelijk gewin en zich geen rekenschap gegeven van de gevolgen van zijn handelen.
Daarnaast heeft de verdachte zich (samen met anderen) schuldig gemaakt aan het witwassen van een groot contant geldbedrag dat uit de eigen criminele activiteiten is verkregen. Het witwassen van geld is een ondermijnende vorm van criminaliteit die het financiële en economische verkeer aantast. Witwassen draagt bij aan de instandhouding van (georganiseerde) criminaliteit; het dekt immers de onderliggende strafbare feiten af en faciliteert aldus andere - winstgevende - vormen van criminaliteit. De rechtbank rekent het de verdachte aan dat hij zich heeft ingelaten met deze strafbare feiten en heeft bijgedragen aan deze keten van criminele activiteiten.
Persoon van de verdachte
Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op het strafblad van de verdachte van 16 oktober 2025, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor een soortgelijk feit is veroordeeld.
Conclusie van de rechtbank
Gelet op de aard en ernst van deze feiten kan naar het oordeel van de rechtbank niet anders worden gereageerd dan met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur. Bij de bepaling hiervan heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die worden opgelegd in soortgelijke zaken en rekening gehouden met de rechterlijke oriëntatiepunten voor straftoemeting.
Gelet op het voorgaande zou de rechtbank, evenals de officier van justitie, in beginsel een gevangenisstraf van 38 maanden passend en geboden achten. De rechtbank is van oordeel dat de procesafspraken in onderhavige zaak nopen tot een andere afweging die resulteert in een lagere gevangenisstraf. Zij overweegt daartoe als volgt. Een matiging van de straf in dit geval is gerechtvaardigd, omdat de verdachte heeft meegewerkt aan een procedure die uiteindelijk tot efficiëntere rechtspleging heeft geleid. De behandeling van de strafzaak tijdens het onderzoek ter zitting is voortvarend verlopen, nu als gevolg van de procesafspraken geen inhoudelijke verweren zijn gevoerd. Bovendien wordt door naleving van de overeenkomst een hoger beroep voorkomen. Dit levert tijdswinst op en bespaart kostbare zittingscapaciteit. Naast deze proceseconomische belangen zorgt deze procedure er ook voor dat zaken eerder onherroepelijk zijn en opgelegde straffen sneller kunnen worden geëxecuteerd. De procesafspraken doen daarmee ook recht aan de belangen van de maatschappij.
De door de verdediging en de officier van justitie overeengekomen gevangenisstraf van 25 maanden komt neer op vermindering van de straf met één derde deel. Deze matiging van maximaal één derde deel is bij procesafspraken geen uitzondering en wordt door de rechtbank in deze zaak als een passende vorm van strafafdoening beschouwd. De rechtbank acht met deze matiging van de straf ook de overschrijding van de – in dit geval op 24 maanden te stellen – redelijke termijn voor de behandeling van de strafzaak gecompenseerd.
De rechtbank is, alles afwegende, van oordeel dat de vrijheidsstraf die in de procesafspraken is overeengekomen onder de gegeven omstandigheden in redelijke verhouding staat tot de ernst en omvang van de feiten. De rechtbank legt dan ook aan de verdachte op een onvoorwaardelijke gevangenisstaf voor de duur van 25 maanden, met aftrek van de tijd die reeds in voorarrest is doorgebracht.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 Sv.

9.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:
47, 57, 63, 420bis.1 van het Wetboek van Strafrecht.
2 en 10 van de Opiumwet.

10.Beslissing

De rechtbank:
verklaart bewezen dat de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 5.4 weergegeven;
verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij;
bepaalt dat de bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 6. vermelde strafbare feiten opleveren;
verklaart de verdachte hiervoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van
25 [vijfentwintig] maanden;
bepaalt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
heft op de schorsing van het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door
mr. M.C.J. Lommen, voorzitter,
mr. N.M.L. Rogmans en mr. M.E. Olthof, rechters,
in tegenwoordigheid van de griffier mr. E. Saelens
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 14 januari 2026.
Bijlage – De tenlastelegging
Feit 1
hij op of omstreeks 2 december 2021 te Rotterdam, althans (elders) in Nederland,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 16 kilogram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
Feit 2
hij op of omstreeks 2 december 2021 te Rotterdam, althans (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen een of meer voorwerpen, te weten een (contant) geldbedrag van (ongeveer) 116.950 euro, heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad, terwijl hij, verdachte, wist dat die voorwerpen, althans dat voorwerp - onmiddellijk - (mede) afkomstig was uit enig eigen misdrijf;
Feit 3
hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 augustus 2021 tot en met 1 december 2021 te Rotterdam en/of Barendrecht en/of Alphen aan de Rijn en/of Schiedam, althans (elders) in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad
een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne , zijnde cocaïne (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden
hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 augustus 2021 tot en met 1 december 2021 te Rotterdam en/of Barendrecht en/of Alphen aan de Rijn en/of Schiedam althans (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten
- het opzettelijk verkopen, afleveren, verstrekken en/of vervoeren van cocaïne, in elk geval een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet voor te bereiden en/of te bevorderen,
- een ander heeft getracht te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te plegen en/of uit te lokken, om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen,
- zich en/of een ander gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen,
- voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte en/of zijn mededader(s), wist(en) of ernstige reden had(den) om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit, door
  • telefonisch) contact te onderhouden met zijn mededader(s) en/of een of meer andere perso(o)n(en) en/of hem/haar/hen te instrueren en/of te informeren over de verkoop en/of het vervoer en/of het (af)leveren van cocaïne en/of - (telefonisch) contact te onderhouden met zijn mededader(s) en/of een of meer andere perso(o)n(en) over de prijs en/of de zuiverheid van cocaïne en/of
  • (telefonisch) contact te onderhouden met zijn mededader(s) en/of een of meer andere perso(o)n(en) en/of hen te instrueren en/of te informeren over de betaling van geleverde cocaïne en/of
  • (op een of meer telefoons) berekeningen bij te houden waarin kiloprijzen staan genoemd die overeenkomen met kiloprijzen voor cocaïne en/of
  • (op een of meer telefoons) tabellen bij te houden met tokennummers, data, bedragen en straatnamen (ten behoeve van het vervoer en de verkoop van cocaïne); en/of
  • een auto (Toyota Yaris met kenteken [kenteken]) ter beschikking te stellen en/of te krijgen voor het vervoer van cocaïne en/of
  • Een locatie (een kamer/de zolder in de woning op de [adres 2]) ter beschikking te stellen voor de opslag van cocaïne.