ECLI:NL:RBNHO:2026:2102
Rechtbank Noord-Holland
- Bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Verzoek tot toepassing schuldsaneringsregeling niet-ontvankelijk wegens ontbreken minnelijke regeling
Schuldenaar verzocht de rechtbank om toepassing van de schuldsaneringsregeling in plaats van faillissement. De rechtbank beoordeelde of schuldenaar eerst een poging had gedaan tot een buitengerechtelijke schuldregeling, zoals vereist in artikel 285 lid 1 onder Pro f van de Faillissementswet.
Uit de procedure bleek dat schuldenaar geen aanbod aan zijn schuldeisers had gedaan om tot een minnelijke regeling te komen. De schuldhulpverlener gaf aan dat dit kwam door tijdsgebrek vanwege het faillissementsverzoek, en dat een goed onderbouwd voorstel niet kon worden voorgelegd. Schuldenaar had geprobeerd een BBZ-lening te verkrijgen, maar deze aanvraag werd buiten behandeling gesteld wegens ontbrekende stukken en de weigering van zijn ex-partner om garant te staan.
De rechtbank oordeelde dat het ontbreken van een saneringskrediet niet betekent dat schuldenaar geen voorstel had kunnen doen. Schuldenaar had een stabiel inkomen en was voor de helft eigenaar van een woning met overwaarde, wat in een prognoseakkoord betrokken had kunnen worden. Ook al was er tijdsdruk, schuldenaar had de rechtbank kunnen verzoeken om aanhouding van het faillissementsverzoek om meer tijd te krijgen.
Omdat schuldenaar geen minnelijke regeling had aangeboden en het niet aannemelijk was dat dit onmogelijk was, verklaarde de rechtbank het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling niet-ontvankelijk.
Uitkomst: Verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een minnelijke regeling.