De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling (GI) tot opheffing van de ondertoezichtstelling (OTS) van een minderjarige die sinds oktober 2022 onder toezicht staat. De minderjarige woont bij de moeder, die het ouderlijk gezag heeft. De GI stelt dat er geen zorgen meer zijn over de ontwikkeling van de minderjarige en de opvoedvaardigheden van de moeder, maar dat omgang met de vader momenteel niet in het belang van de minderjarige is vanwege haar duidelijke weerstand en de angsten van de moeder.
Tijdens de zitting is gebleken dat de vaste jeugdbeschermer uit dienst is en de bureaudienst nu betrokken is. De GI heeft het verzoek tot opheffing ingediend omdat zij meent dat er geen verdere hulpverlening mogelijk is om contactherstel te bewerkstelligen. De moeder en haar advocaat steunen het verzoek, terwijl de vader aangeeft al tien jaar te proberen contact te krijgen en het contact niet wil forceren, maar wel meer betrokken wil zijn.
De kinderrechter oordeelt dat de gronden voor de OTS nog steeds aanwezig zijn en dat de ontwikkelingsbedreiging onverminderd voortduurt. Hoewel de GI stelt dat niets meer kan worden ingezet, is de rechter van mening dat niet alle mogelijkheden zijn uitgeput. Er kan nog hulpverlening worden ingezet, gericht op de moeder en de minderjarige, bijvoorbeeld door het opstellen van een levensverhaal van de vader. Het belang van de minderjarige om een eigen beeld van haar vader te vormen weegt zwaar.
De kinderrechter wijst het verzoek tot opheffing af en geeft de GI de opdracht om in de resterende periode van de OTS te onderzoeken of nog andere hulpverlening mogelijk is zonder de ontwikkeling van de minderjarige te schaden. Indien dit niet mogelijk blijkt, kan de GI besluiten de OTS niet te verlengen. Het verzoek wordt afgewezen omdat het beëindigen van de OTS nu niet in het belang van de minderjarige is.