ECLI:NL:RBNHO:2026:2134

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
11 februari 2026
Publicatiedatum
3 maart 2026
Zaaknummer
C/15/373780 / JU RK 26-108
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 BWBesluit gezagsregisters
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling minderjarige wegens ernstige ontwikkelingsbedreiging

De Raad voor de Kinderbescherming verzocht om verlenging van de ondertoezichtstelling van een minderjarige voor de duur van een jaar, vanwege ernstige ontwikkelingsbedreiging door herhaalde blootstelling aan fysieke en verbale agressie in de thuissituatie. De minderjarige was eerder met spoed uit huis geplaatst, maar woont inmiddels weer thuis bij de moeder.

De moeder en de minderjarige stellen zich meewerkend op en de hulpverlening verloopt positief, met onder meer Relationele Gezinstherapie en ondersteuning vanuit de Wmo. De thuissituatie is rustiger geworden en de moeder heeft geen contact meer met haar ex-partner. Desondanks blijft de situatie kwetsbaar en is het noodzakelijk dat de gecertificeerde instelling betrokken blijft om de moeder te ondersteunen en regie te voeren op de hulpverlening.

De kinderrechter oordeelt dat aan de voorwaarden voor ondertoezichtstelling is voldaan en verlengt deze voor de gevraagde periode van een jaar. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en wordt aangetekend in het gezagsregister. Tegen deze beslissing is hoger beroep mogelijk binnen drie maanden na uitspraak of betekening.

Uitkomst: De ondertoezichtstelling van de minderjarige wordt verlengd voor de duur van een jaar wegens aanhoudende ontwikkelingsbedreiging.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Haarlem
Zaaknummer: C/15/373780 / JU RK 26-108
Datum uitspraak: 11 februari 2026
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming,
hierna te noemen: de Raad,
gevestigd te Haarlem,
over
[de minderjarige], geboren op [geboortedatum] in [plaats] ,
hierna te noemen: [de minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [plaats] ,
de gecertificeerde instelling
Stichting De Jeugd- & Gezinsbeschermers,
hierna te noemen: de GI,
gevestigd te Amsterdam.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • het verzoekschrift van 14 januari 2026 met bijlagen;
  • het raadsrapport van 23 januari 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 11 februari 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder, via een telefonische verbinding;
- de Raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad] ;
- de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI] .
1.3.
De kinderrechter heeft [de minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [de minderjarige] heeft geen mening gegeven.

2.De feiten

2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] .
2.2.
[de minderjarige] woont bij de moeder.
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 18 november 2025 [de minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld tot 18 februari 2026. De kinderrechter heeft bij dezelfde beschikking tevens een machtiging verleend [de minderjarige] met spoed uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder voor de duur van vier weken. Bij beschikking van 28 november 2025 is deze machtiging verlengd tot 18 februari 2026.

3.Het verzoek

3.1.
De Raad verzoekt [de minderjarige] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar. Ter zitting heeft de Raad het door haar gedane verzoek om een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] ingetrokken.
3.2.
De Raad heeft het verzoek – samengevat – als volgt onderbouwd. Er is sprake van een ernstige ontwikkelingsbedreiging bij [de minderjarige] , omdat hij in de afgelopen jaren herhaaldelijk getuige is geweest van fysieke en verbale agressie in de thuissituatie bij de moeder. [de minderjarige] lijkt hierdoor minder te zijn toegekomen aan zijn eigen ontwikkeling en heeft moeite met het herkennen en reguleren van zijn emoties. Hoewel de moeder openstaat voor hulpverlening en zich aan de veiligheidsafspraken wil houden, is het haar in het verleden niet gelukt om dit langdurig vol te houden. De ondertoezichtstelling voor de duur van een jaar is nodig om de veiligheid van [de minderjarige] te waarborgen en de juiste hulpverlening voor [de minderjarige] en de moeder in- en voort te zetten.
3.3.
Ter zitting heeft de Raad naar voren gebracht dat [de minderjarige] inmiddels weer thuis bij de moeder woont. Zowel de moeder als [de minderjarige] hebben zich de afgelopen periode goed ingezet voor de hulpverlening. De situatie blijft echter kwetsbaar en het is van belang dat deze voor langere tijd geborgd wordt, zodat de moeder uiteindelijk weer zelfstandig de zorg voor [de minderjarige] kan dragen.

4.De standpunten

4.1.
De GI heeft het verzoek van de Raad onderschreven. [de minderjarige] woont sinds eind januari 2025 weer thuis. Op de groep was het onrustig voor [de minderjarige] en werd hij negatief beïnvloed door groepsgenoten. Omdat de veiligheid van [de minderjarige] op de groep niet meer gewaarborgd kon worden, is besloten [de minderjarige] gefaseerd terug te plaatsen bij de moeder, met een duidelijk veiligheidsplan. De GI heeft hulpverlening vanuit Levvel ingezet en dat gaat goed. Wel kan de moeder snel overvraagd worden en zij heeft daarom regie vanuit de GI nodig.
4.2.
De moeder heeft ingestemd met het verzoek. Zij blij is dat [de minderjarige] weer thuis woont en dat het goed gaat. De hulpverlening gaat goed en de moeder vindt het belangrijk dat de hulpverlening betrokken blijft. De thuissituatie is rustig en de moeder heeft geen contact meer met haar ex-partner. Ook op school gaat het goed, [de minderjarige] haalt mooie cijfers en de moeder staat in goed contact met zijn mentor.

5.De beoordeling

5.1.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling is voldaan. [1] De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
5.2.
De ontwikkeling van [de minderjarige] wordt ernstig bedreigd, omdat hij voor een langere periode is opgegroeid in een onrustige en onveilige thuissituatie. Hij is geconfronteerd met fysiek en verbaal geweld vanuit de ex-partner van de moeder richting de moeder, en ook met conflicten tussen de ex-partner en buurtbewoners. Vanwege de onveilige thuissituatie is [de minderjarige] op 18 november 2025 met spoed uit huis geplaatst. De plaatsing op de groep is onrustig verlopen voor [de minderjarige] . Hoewel hij zich aan de afspraken hield, werd ook gezien dat [de minderjarige] snel boos of geïrriteerd kan worden, mogelijk omdat hij niet heeft geleerd hoe om te gaan met zijn emoties. Daarnaast bestaan zorgen over de beïnvloedbaar van [de minderjarige] . Hij lijkt gevoelig te zijn voor de negatieve invloed van leeftijdsgenoten en kan, afhankelijk van zijn omgeving, de grenzen opzoeken.
5.3.
Sinds de uithuisplaatsing is de thuissituatie bij de moeder rustiger geworden. De moeder is ontzettend is geschrokken van de uithuisplaatsing van [de minderjarige] en wil een dergelijke situatie niet nogmaals meemaken. De moeder heeft zichzelf daarom weten te herpakken. Zowel de moeder als de GI hebben bevestigd dat de moeder geen contact meer heeft met haar ex-partner en dat geen incidenten meer hebben plaatsgevonden. De afgelopen periode is de hulpverlening vanuit Levvel in- en voortgezet. De moeder en [de minderjarige] ontvangen twee keer per week Relationele Gezinstherapie en daarnaast heeft [de minderjarige] één keer in de week contact met zijn IPA (Intensieve preventieve aanpak)-coach. Ook is hulpverlening vanuit de Wmo (Wet maatschappelijke ondersteuning) betrokken bij de moeder voor ondersteuning bij praktische zaken. Dit verloopt positief en de moeder heeft aangegeven baat te hebben bij de hulpverlening.
5.4.
Hoewel de moeder en [de minderjarige] zich meewerkend opstellen richting de hulpverlening en de zorgen over de thuissituatie bij de moeder zijn afgenomen, blijft de situatie kwetsbaar. In het verleden is het de moeder niet blijvend gelukt om, met ondersteuning van hulpverlening en politie, zich aan de afspraken te houden en een veilige thuissituatie voor [de minderjarige] te waarborgen. Het is daarom van belang dat de GI betrokken blijft om de moeder te ondersteunen en regie te voeren op de nodige hulpverlening totdat de huidige stabiele situatie wat meer is bestendigd
5.5.
De ondertoezichtstelling is daarom in dit geval nodig. De kinderrechter stelt [de minderjarige] onder toezicht voor de verzochte duur van een jaar.
5.6.
De beslissing wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister. [2]
5.7.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
stelt [de minderjarige] onder toezicht van Stichting De Jeugd- & Gezinsbeschermers met ingang van 11 februari 2026 tot 11 februari 2027;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door A.K. Mireku, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 11 februari 2026, in aanwezigheid van mr. E.E. ten Kate als griffier, en vastgesteld en ondertekend op 20 februari 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Amsterdam. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:255 BW Pro.
2.Artikel 2 Besluit Pro gezagsregisters.