De burgemeester van Zaanstad legde op 16 februari 2026 een tijdelijk huisverbod en contactverbod op aan verzoeker vanwege ernstig en onmiddellijk gevaar voor de veiligheid van zijn echtgenote en kinderen. Dit verbod werd verlengd tot 16 maart 2026. Verzoeker stelde beroep in tegen deze verlenging en verzocht om schorsing.
De voorzieningenrechter oordeelde dat de situatie onvoldoende was verbeterd en dat verzoeker het huis- en contactverbod meerdere malen had overtreden, onder meer door contact met zijn echtgenote te hebben ondanks het verbod. De ingezette hulpverlening had nog niet geleid tot duurzame veiligheidsafspraken.
De rechter concludeerde dat de burgemeester in redelijkheid gebruik had kunnen maken van zijn bevoegdheid tot verlenging van het huisverbod en dat het besluit voldoende was gemotiveerd. Er was geen aanleiding het verbod op te heffen omdat het gevaar niet was geweken.
Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en het verzoek tot voorlopige voorziening afgewezen. Ook werd het verzoek tot proceskostenveroordeling afgewezen. De uitspraak werd gedaan op 3 maart 2026 door de voorzieningenrechter van de Rechtbank Noord-Holland.