ECLI:NL:RBNHO:2026:2141

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
4 maart 2026
Publicatiedatum
3 maart 2026
Zaaknummer
367399
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:10 BWArt. 6:212 BWArt. 1:87 BWArt. 3:170 lid 1 BWArt. 3:173 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering man tot vergoeding hypotheekrente en kosten na verkoop gezamenlijke woning

Partijen hadden een langdurige relatie zonder samenlevingscontract en kochten in 2011 samen een woning. De man betaalde de hypotheekrente en premies van de bankspaarrekeningen, terwijl de vrouw andere huishoudelijke kosten droeg. Na beëindiging van de relatie in 2022 en verkoop van de woning in 2025 ontstond onenigheid over de verdeling van de overwaarde en kosten.

De man vorderde vergoeding van betaalde hypotheekrente, premies, en andere kosten van de vrouw. De rechtbank oordeelde dat er stilzwijgende afspraken bestonden waarbij de man de woninglasten droeg en de vrouw andere kosten, waardoor geen regresvordering voor hypotheekrente of bankspaarrekening bestond. Ook andere vorderingen van de man werden afgewezen vanwege onvoldoende onderbouwing of verjaring.

De vrouw had vorderingen op de man voor kosten die zij had betaald, welke werden verrekend met de vorderingen van de man. De rechtbank wees alle vorderingen van de man af en compenseerde de proceskosten, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt.

Uitkomst: Alle vorderingen van de man worden afgewezen vanwege stilzwijgende afspraken over kostenverdeling en verrekening met vorderingen van de vrouw.

Uitspraak

RECHTBANK Noord-Holland

Civiel recht
Zittingsplaats Haarlem
Zaaknummer: C/15/367399 / HA ZA 25-416
Vonnis van 4 maart 2026
in de zaak van
[eiser],
te [plaats 1],
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [eiser],
advocaat: mr. P. Bosma,
tegen
[gedaagde],
te [plaats 2], gemeente [gemeente],
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [gedaagde],
advocaat: mr. G.I.H. Schulte.
De zaak in het kort
Partijen hebben een relatie gehad. Deze is eind 2022 beëindigd. In 2025 is de gezamenlijke woning verkocht. De notaris heeft de overwaarde bij helfte aan partijen uitbetaald. In deze procedure vordert [eiser] dat [gedaagde] veroordeeld wordt hem € 41.175,97 te betalen, onder meer ter zake van de (alleen) door hem betaalde hypotheekrente en premies op de aan de hypotheek gekoppelde bankspaarrekening. De rechtbank oordeelt dat deze betalingen pasten binnen (stilzwijgende) afspraken tussen partijen waarbij ook [gedaagde] niet onaanzienlijke betalingen voor haar rekening nam. [gedaagde] hoeft [eiser] daar geen betalingen voor te doen. [eiser] heeft wel een aantal kleine vorderingen op [gedaagde], maar die vallen weg (verrekening) tegen vorderingen die [gedaagde] op [eiser] heeft. De vorderingen van [eiser] worden daarom afgewezen. Daarmee hoeft de voorwaardelijke tegenvordering van [gedaagde] niet te worden behandeld.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 7 juli 2025 met 16 producties
- de conclusie van antwoord met eis in reconventie met 8 producties
- de conclusie van antwoord in reconventie met producties 17 tot en met 20
- het tussenvonnis van 12 november 2025
- de mondelinge behandeling van 29 januari 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
Partijen hebben gedurende ongeveer veertien jaar een duurzame affectieve relatie met elkaar gehad. Daaruit is een minderjarige dochter geboren. Partijen zijn niet gehuwd geweest en hebben geen geregistreerd partnerschap gehad. Zij woonden samen zonder samenlevingscontract. De relatie is in de loop van 2022 verbroken.
2.2.
Partijen zijn in 2011 gezamenlijk eigenaar geworden van een woning gelegen aan de [adres] te [plaats 1] (hierna: de woning).
2.3.
Partijen zijn een hypothecaire lening aangegaan voor de woning. [eiser] heeft de hypotheektheerente betaald en de hypotheekrenteaftrek genoten. In totaal heeft hij 169 maandtermijnen van € 460,35 bruto voldaan. Tot eind 2022 heeft [eiser] ook de premies betaald voor de aan de hypotheek verbonden bankspaarrekeningen. [gedaagde] betaalde in elk geval vanaf eind 2022 de premie van de spaarrekening die op haar naam stond. Het saldo van de bankspaarrekening die op naam van [gedaagde] stond was per 31 december 2022 € 13.552,65.
2.4.
[gedaagde] is tot eind 2022 met [eiser] in de gemeenschappelijke woning blijven wonen. In januari 2023 heeft zij de woning verlaten en eigen woonruimte gehuurd.
2.5.
Partijen zijn het daarna (eerst) niet eens worden over de verdeling van de woning. [eiser] wilde de woning overnemen, maar voor een bedrag dat voor [gedaagde] niet acceptabel was. Met een beschikking van 26 maart 2024 heeft de rechtbank Midden-Nederland [gedaagde] machtiging verleend om mede namens [eiser] een opdracht tot verkoop van de woning en te geven aan een NVM-makelaar en al datgene te doen wat nodig is om de verkoop en levering van de woning te bewerkstelligen. Daarbij heeft de rechtbank [eiser] bevolen de woning uiterlijk een week voor de levering daarvan te ontruimen en te verlaten met al hetgeen van [eiser] is. [eiser] heeft alsnog meegewerkt aan de verkoop van de woning. Deze is op 20 juni 2025 aan derden geleverd.
2.6.
De woning is verkocht voor € 388.500,00. Na verrekening van lasten, aflossing van de hypotheek en aftrek van alle kosten resteerde een bedrag van € 211.292,55. De notaris heeft aan ieder van partijen de helft van dat bedrag uitbetaald.
2.7.
[eiser] heeft op 20 juni 2025 aan de voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Holland verlof gevraagd tot het leggen van conservatoir beslag onder de notaris op het aandeel van [gedaagde] in de opbrengst van de woning. Op 23 juni 2025 heeft de voorzieningenrechter het verlof verleend met – als verzocht – begroting van de vordering op € 50.000,00. Vervolgens heeft [eiser] op dezelfde dag beslag laten leggen onder de notaris. De notaris had het aan [gedaagde] te betalen bedrag echter al aan haar overgemaakt, zodat het beslag geen doel trof.

3.Het geschil

in conventie
3.1.
[eiser] vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] te veroordelen:
I. om € 41.175,97 aan [eiser] te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding;
II. om de kosten van het op 23 juni 2025 gelegde beslag aan [eiser] te betalen;
III. de proceskosten te betalen.
3.2.
[eiser] voert het volgende aan. Partijen hebben samengeleefd zonder afspraken te maken, zodat de verhouding tussen partijen wordt beheerst door het verbintenissenrecht. [gedaagde] heeft de leveringsakte van de woning alleen meegetekend omdat dit nodig was voor de financiering. [eiser] is er echter steeds van uitgegaan dat de woning van hem alleen was. Daarom betaalde hij alle hypotheeklasten en de premies voor de aan de hypotheek gekoppelde bankspaarrekeningen. Voor de hypotheekrente heeft hij een regresvordering op [gedaagde] gekregen. Ook is [gedaagde] ongerechtvaardigd verrijkt, of heeft [eiser] een vergoedingsvordering. [gedaagde] moet de helft van de netto hypotheekrente aan hem vergoeden. Ook moet zij het saldo van de bankspaarrekening op haar naam per eind 2022 aan hem betalen. Hetzelfde geldt voor de helft van de kosten van financiering van het vervangen van de kozijnen van de woning. [gedaagde] heeft deze volledig voldaan. Het is niet redelijk dat partijen jegens de bank hoofdelijk aansprakelijk zijn en hij alle kosten heeft betaald, maar geen regres heeft op [gedaagde] voor haar deel in de kosten. [eiser] voert daarnaast nog een aantal andere posten op die zijns inziens (deels) door [gedaagde] moeten worden betaald en komt dan tot het door hem gevorderde bedrag van € 41.175,97.
3.3.
[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiser], dan wel tot afwijzing van zijn vorderingen, met veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure. Zij voert (onder meer) het volgende aan. Partijen hebben wel afspraken gemaakt over de kosten. Zij kochten het huis samen omdat ze een kind kregen. [eiser] had een hoger inkomen en zou de hypotheek en bepaalde vaste lasten betalen. [gedaagde] betaalde op haar beurt de boodschappen en andere lasten als de zorgverzekering en KPN. Daarnaast heeft zij tot het einde van de relatie vakanties, kleding en autolasten betaald. Wat over was zetten partijen apart voor onvoorziene uitgaven. Partijen hebben de kosten zo 50/50 gedeeld. [eiser] betaalde genoemde kosten, net als de kosten van het vervangen van de kozijnen, als zijn bijdrage in de kosten van de huishouding. Er is dan ook geen sprake van ongerechtvaardigde verrijking. Omdat partijen niet getrouwd waren, kan van een (wettelijk) vergoedingsrecht geen sprake zijn. Een deel van de vordering is daarnaast verjaard.
De vordering van hypotheekrente is ook onvoldoende onderbouwd, omdat [eiser] uitgaat van een belastingvoordeel van 30%, terwijl de laagste schijf van de inkomstenbelasting in 2025 op 36% ligt. Voor zover de vordering van hypotheekrente van [eiser] wordt toegewezen, moet deze worden verrekend met de vordering die [gedaagde] op [eiser] heeft voor het gebruik van de woning na het vertrek van [gedaagde].
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
in (voorwaardelijke) reconventie
3.5.
[gedaagde] vordert, voor zover de rechtbank in conventie beslist dat [gedaagde] aan [eiser] hypotheekrente moet vergoeden, bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. te bepalen dat [eiser] aan [gedaagde] een gebruiksvergoeding verschuldigd is ter hoogte van de helft van de hypotheekrente (€ 460,30 per maand) van 1 januari 2023 tot 20 juni 2025 dus totaal € 6.827,63, vermeerderd met de wettelijke rente en te bepalen dat [gedaagde] dit bedrag mag verrekenen met de aan [eiser] te vergoeden hypotheekrente;
II. te bepalen dat [eiser] aan [gedaagde] € 1.290,07 moet betalen (energielabel, taxatiekosten woning en KPN), te vermeerderen met de wettelijke rente.
3.6.
[gedaagde] legt aan de vordering ten grondslag dat [eiser] vanaf januari 2023 feitelijk het uitsluitend gebruik had van de woning. [gedaagde] had haar eigen woonlasten en zat financieel in een lastige situatie. Zij moest ook de kosten van de bankspaarrekening voor de woning voldoen. Doordat zij geen gebruik had van de woning heeft zij schade geleden. Ook heeft [gedaagde] nog een aantal vorderingen op [eiser] van kosten die zij voldaan heeft maar die voor de helft of volledig door [eiser] moeten worden gedragen. De man betwist deze vorderingen van in totaal € 1.290,07 niet, maar zij vordert dit bedrag voor de zekerheid in reconventie.
3.7.
[eiser] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [gedaagde]. Hij voert het volgende aan. Het is de keuze van [gedaagde] is geweest om geen gebruik meer van de woning te maken. Hij heeft haar daar niet in belemmerd en ook niet het gebruik voor zich alleen gevorderd. Voor zover [gedaagde] recht zou hebben op een gebruiksvergoeding, is 1% een redelijk rendementspercentage op grond waarvan de gebruiksvergoeding kan worden berekend.
3.8.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

in conventie
4.1.
De rechtbank stelt voorop dat partijen hebben samengewoond zonder een samenlevingscontract aan te gaan. De vermogensrechtelijke verhouding tussen partijen werd bepaald door de regels van het algemeen vermogensrecht. Daarbij geldt dat als mensen met elkaar een gezamenlijke huishouding voeren en daar allebei financieel aan bijdragen, al is dat niet in dezelfde mate, zij niet zonder meer naderhand deze bijdragen van elkaar kunnen terugvorderen. Als in het kader van een gezamenlijke huishouding de één bepaalde kosten voor zijn rekening neemt en de ander andere kosten, kan dit in onderling overleg en met wederzijds goedvinden gebeuren. Dergelijke impliciete of stilzwijgende afspraken kunnen in de weg staan aan (latere) vorderingen om alsnog bij te dragen.
4.2.
Hierna zal de rechtbank oordelen dat tussen partijen ten minste een stilzwijgende afspraak bestond dat [eiser] tijdens het samenleven de hypotheek- en andere aan de woning verbonden lasten droeg en uiteenzetten wat dit betekent voor de verschillende onderdelen van de vorderingen.
Hypotheekrente
4.3.
[eiser] stelt zich op het standpunt dat [gedaagde] hem € 27.229,70 moet betalen ter zake van de door hem betaalde hypotheekrente. Hij zegt dat hij in 169 termijnen van € 460,35 in totaal € 77.799,15 aan rente heeft betaald. Rekening houdend met genoten hypotheekrenteaftrek en het eigenwoningforfait heeft hij netto € 54.459,41 betaald. Op grond van artikel 6:10 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) moet [gedaagde] hem daarvan de helft betalen, aldus nog steeds [eiser].
4.4.
[gedaagde] betwist niet dat [eiser] het door hem gestelde bedrag aan hypotheekrente heeft betaald. Zij voert wel diverse andere verweren tegen dit onderdeel van de vordering van [eiser]. De rechtbank zal deze hieronder bespreken en daarbij tot het oordeel komen dat dit onderdeel van de vordering van [eiser] moet worden afgewezen.
4.5.
[gedaagde] voert aan dat in ieder geval een deel van de gestelde vordering is verjaard. Dit beroep op verjaring slaagt voor de hypotheekrente die [eiser] vóór 7 juli 2020 heeft voldaan, althans vóór 23 juni 2020, respectievelijk de datum van dagvaarding en van beslaglegging, die de lopende verjaringstermijn heeft gestuit. Op de regresvordering van artikel 6:10 BW Pro is de verjaringstermijn van artikel 3:310 lid 1 BW Pro van toepassing. Het in artikel 6:10 BW Pro neergelegde regresrecht moet worden aangemerkt als een rechtsvordering van schade als bedoeld in artikel 3:310 lid 1 BW Pro. Het aanvangsmoment van de verjaringstermijn is het moment dat de schade opeisbaar is geworden. Dat is het geval op het moment dat de medeschuldenaar de schuld voor meer dan het gedeelte dat hem aangaat betaalt. [1] [eiser] heeft de hypotheekrente maandelijks voldaan. Hij zegt dat hij met die maandelijkse betalingen de rente betaalde voor meer dan het gedeelte dan hem aanging. In die visie kon hij [gedaagde] elke maand aanspreken voor het deel dat haar aanging. [eiser] heeft dat echter niet eerder gedaan dan met de dagvaarding van 7 juli 2025, althans met de beslaglegging op 23 juni 2025. Dat hij de verjaring eerder heeft gestuit heeft [eiser] niet gesteld. Dit betekent dat het deel van de vordering van [eiser] dat ziet op de hypotheekrentebetalingen gedaan vóór 23 juni 2020 al hierop afstuit.
4.6.
Ook los daarvan komt de rechtbank tot het oordeel dat [eiser] geen regresvordering toekomt over de periode dat partijen samenleefden. Dat de termijnen van hypotheekrente naar de hypotheekverstrekker hebben te gelden als een gezamenlijke schuld, staat tussen partijen vast. Volgens artikel 6:10 BW Pro zijn hoofdelijke schuldenaren ieder voor het gedeelte van de schuld dat hem of haar in hun onderlinge verhouding aangaat, draagplichtig. In de bepaling is niet nader omschreven hoe “het gedeelte van de schuld dat hem of haar in de onderlinge verhouding aangaat” moet worden vastgesteld. De grootte van ieders bijdrageplicht zal vooral afhangen van hetgeen de hoofdelijk schuldenaren uitdrukkelijk of stilzwijgend over hun bijdrageplicht zijn overeengekomen en van een eventuele onderlinge rechtsverhouding tussen de schuldenaren. [2]
4.7.
De rechtbank stelt vast dat [eiser] weliswaar alle kosten met betrekking tot de woning heeft gedragen – dit betwist [gedaagde] niet – , maar dat [gedaagde] gedurende de samenleving voor aanzienlijke bedragen andere (gezamenlijke) kosten. Zo heeft [eiser] bij de mondelinge behandeling bevestigd dat [gedaagde] de kosten voor de zorgverzekering voor hem heeft betaald. Ook heeft hij erkend dat [gedaagde] de boodschappen betaalde. Daaraan heeft [eiser] toegevoegd dat hij ook wel zijn lunch zelf kocht, maar dat doet er niet aan af dat [gedaagde] het overgrote deel van de boodschappen voor het huishouden betaalde. Ook heeft [eiser] bevestigd dat [gedaagde] betalingen deed voor zijn kleding en de kleding van hun kind.
4.8.
De rechtbank is van oordeel dat genoegzaam is gebleken dat partijen (stilzwijgende afspraken hebben gemaakt over verdeling van de kosten. Die afspraken bestonden eruit dat [eiser] alle kosten van de woning voor zijn rekening zou nemen en [gedaagde] andere huishoudelijke kosten. [gedaagde] zegt dat partijen dit in goed overleg hebben afgesproken. [eiser] heeft zich vooral op het standpunt gesteld dat partijen hier niet over gesproken hebben. Hij zegt dat hij er steeds vanuit is gegaan dat hij de betalingen voor de woningen deed omdat hij ervan uitging dat de woning in de onderlinge verhouding van hem was. Omdat [gedaagde] bij de verkoop van de woning heeft meegedeeld in de meerwaarde, wil hij dat [gedaagde] alsnog meebetaald aan de door hem betaalde rente. Dat partijen hebben afgesproken dat de woning in de onderlinge verhouding van [eiser] was, acht de rechtbank – gelet op de aanzienlijke betalingen die [gedaagde] voor de huishouding en voor [eiser] deed – niet aannemelijk. Conservatief geschat bedroeg in de periode 2020 tot 2023 de gemiddelde premie zorgverzekering per maand circa € 120,00 per persoon en bedroegen de gemiddelde boodschappen voor een gezin met één kind circa € 500,00. Gelet op deze bestendige betalingen van [gedaagde], was er ten minste een stilzwijgende afspraak over de verdeling van de lasten, waar partijen gedurende meer dan tien jaar ook uitvoering aan hebben gegeven.
4.9.
Dat betekent dat – gedurende de samenleving – in de onderlinge verhouding van partijen de volledige hypotheekrente [eiser] aangaat (en hij daarvoor draagplichtig is). Van een regresvordering van [eiser] op [gedaagde] voor de hypotheekrente tot en met januari 2023 is daarom geen sprake.
4.10.
Voor de daarop volgende periode dat [gedaagde] niet meer in de woning verbleef tot aan verkoop en levering van de woning hoeft [gedaagde] naar het oordeel van de rechtbank ook geen hypotheekrente te vergoeden. Sinds [gedaagde] begin 2023 uit de woning is vertrokken heeft [eiser] het volledige gebruik en genot van de woning. [eiser] heeft weliswaar aangevoerd dat [gedaagde] er zelf voor heeft gekozen de woning te verlaten en dat hij niet het alleengebruik heeft gevorderd, maar feit is dat [gedaagde] vanaf 1 januari 2023 verstoken is geweest van het gebruik en genot van de woning en niet weersproken is dat zij eigen woonruimte heeft moeten huren. Daarbij komt dat [eiser] niet of onvoldoende heeft tegengesproken dat hij op enig moment de sloten op de woning heeft vervangen zodat [gedaagde] niet zelfstandig de woning kon betreden. Gelet op die omstandigheden, en in aanmerking nemend dat de betaalde hypotheekrente feitelijk (ook) als een gebruikerslast kan worden aangemerkt, is de rechtbank van oordeel dat de hypotheekrente in de periode van 1 januari 2023 tot aan de datum van de levering van de woning aan een derde, in de onderlinge verhouding [eiser] aangaat. [eiser] moet deze dus volledig voor zijn rekening nemen. Van een regresvordering van [eiser] op [gedaagde] voor de hypotheekrente is daarom geen sprake.
4.11.
De conclusie is dat [gedaagde] geen hypotheekrente aan [eiser] hoeft te vergoeden.
Bankspaarrekening
4.12.
[eiser] vordert ook [gedaagde] te veroordelen om aan hem € 13.552,65 te betalen. Dit is het bedrag op de aan de hypothecaire lening verbonden bankspaarrekening van [gedaagde]. [eiser] voert aan dat aan de hypothecaire lening twee bankspaarrekeningen waren verbonden, een van hem en een van [gedaagde], en dat hij tot eind 2022 ook de premies voor de rekening van [gedaagde] betaalde. [eiser] meent dat [gedaagde] met deze betalingen ongerechtvaardigd is verrijkt of dat hij ter zake in ieder geval een vergoedingsvordering op [gedaagde] heeft. De rechtbank begrijpt de stellingen van [eiser] zo dat [gedaagde] ten koste van hem ongerechtvaardigd is verrijkt voor het saldo van de bankspaarrekening per eind 2022, omdat [eiser] tot dat moment de premie heeft betaald. [eiser] heeft op de zitting toegelicht dat hij tot het bedrag van het saldo op de rekening is verarmd doordat hij het rendement zelf ook had kunnen genieten.
4.13.
[gedaagde] betwist niet dat [eiser] tot eind 2022 de premies voor haar aan de hypothecaire lening gekoppelde bankspaarrekening heeft voldaan. Zij zegt echter dat deze betalingen onderdeel waren van de afspraken tussen partijen: [eiser] betaalde de kosten rondom de woning en zij betaalde andere kosten.
4.14.
De rechtbank zal dit onderdeel van de vordering van [eiser] afwijzen. De bankspaarrekening was onderdeel van de hypotheek en (in elk geval initieel) bedoeld ter aflossing daarvan. Hiervoor in 4.8 heeft de rechtbank overwogen dat genoegzaam is gebleken dat tussen partijen de stilzwijgende afspraak bestond dat in de onderlinge verhouding [eiser] alle kosten van de woning droeg en [gedaagde] andere kosten. Daaronder valt ook de premie van de aan de hypotheek verbonden bankspaarrekeningen. Deze afspraken zijn de grondslag van de betalingen die [eiser] heeft gedaan. Van ongerechtvaardigde verrijking in de zin van artikel 6:212 BW Pro is dan ook geen sprake. Op welke andere grond [eiser] aanspraak zou hebben op vergoeding heeft hij niet toegelicht. De vergoedingsplicht van artikel 1:87 BW Pro is niet aan de orde, omdat partijen niet gehuwd waren.
Kosten financiering kunststof kozijnen
4.15.
[eiser] voert aan dat partijen een lening zijn aangegaan voor het vervangen van de kozijnen in de woning en dat hij altijd alle termijnen heeft voldaan en ook het laatste openstaande saldo heeft afgelost. [gedaagde] moet de helft van het door hem voor aflossing en rente betaalde bedrag van € 15.832,00 aan hem vergoeden.
4.16.
[gedaagde] betwist niet dat de man betalingen op de lening heeft gedaan. Wel brengt zij naar voren dat [eiser] niet heeft laten zien dat de lening daadwerkelijk is afbetaald. Ook zegt zij dat deze betalingen voor het uiteengaan van partijen onderdeel waren van de afspraken tussen partijen ingevolge welke zij andere betalingen deed, zodat er geen grondslag is voor de vordering van [eiser]. Verder doet zij een beroep op verjaring.
4.17.
De vordering zal worden afgewezen voor zover zij ziet op de betalingen die [eiser] tot januari 2023 voor deze lening heeft voldaan. Nog los van de door [gedaagde] gestelde verjaring, volgt de rechtbank [gedaagde] in haar stelling dat [eiser] deze kosten van de lening betaalde op grond van de (stilzwijgende) afspraken tussen partijen gedurende hun samenleven. Het gaat hier om kosten van de woning, die [eiser] voor zijn rekening zou nemen, waarbij [gedaagde] andere kosten voor haar rekening zou nemen. De rechtbank verwijst naar de overwegingen hiervoor in 4.8.
4.18.
Blijft over de periode van januari 2023 tot aan levering van de woning. Voor die periode kan niet worden aangenomen dat [eiser] de kosten van de lening heeft betaald als kosten van de huishouding, omdat de samenleving was beëindigd. Daarom komt de helft van wat [eiser] in die periode aan rente en aflossing op de lening heeft betaald in beginsel voor vergoeding in aanmerking. Niet weersproken is dat [gedaagde] daarvan (na de dagvaarding) al ongeveer € 2.500,00 aan [eiser] heeft voldaan op grond van de afspraak dat zij de helft zou dragen van het restant dat bij overdracht van de woning openstond.
[gedaagde] heeft echter aangevoerd dat niet duidelijk is of [eiser] in de periode tot de slotbetaling een betalingsvrije periode heeft gehad. [eiser] heeft dat niet uitdrukkelijk betwist. Hij heeft ook geen bewijzen van betaling in deze periode overgelegd. Daarmee heeft [eiser] dit deel van de vordering onvoldoende onderbouwd. Hij heeft onvoldoende onderbouwd welk bedrag hij in die laatste periode vanaf januari 2023 heeft betaald. De vordering zal daarom worden afgewezen.
Eigenaarslasten
4.19.
[eiser] vordert ook de helft van de door hem betaalde gemeentelijke- en waterschapslasten over 2023, 2024 en 2025. [gedaagde] stemt ermee in bij te dragen in de aan de eigenaar opgelegde lasten, maar niet in de lasten die worden opgelegd voor gebruik. Zij geeft aan dat de eigenaarsdeel van deze lasten over genoemde jaren € 694,36 is.
4.20.
De rechtbank stelt voorop dat de lasten die verbonden zijn aan de woning – na het einde van de samenleving – in beginsel door de eigenaren bij helfte moeten worden gedragen. Het deel van de aanslagen dat ziet op de gebruikerslasten blijft voor rekening van [eiser], omdat hij in die periode het gebruik van de woning had. [eiser] heeft niets ingebracht tegen de onderbouwing van [gedaagde] dat de helft van de eigenaarslasten uit de aanslagen 2023, 2024 en 2025 € 694,36 bedraagt. Daarom komt de rechtbank tot het oordeel dat van deze door [eiser] aangevoerde post in beginsel € 694,36 zou kunnen worden toegewezen.
Kosten aannemer
4.21.
[eiser] vordert ook betaling van de helft van het door hem aan een aannemer betaalde bedrag van € 811,40. Hij zegt dat het gaat om kosten die noodzakelijk waren voor verbetering van de woning. [gedaagde] voert aan dat deze werkzaamheden na het einde van de samenleving en zonder overleg hebben plaatsgevonden. Zij zegt dat het gaat om werkzaamheden die zonder noodzaak zijn verricht aan de tuin.
4.22.
Dit onderdeel van de vordering van [eiser] komt niet voor toewijzing in aanmerking. Niet is immers gebleken dat de werkzaamheden dienden tot gewoon onderhoud of tot behoud van de woning of geen uitstel kunnen lijden (artikel 3:170 lid 1 BW Pro). Bij de betwisting van [gedaagde] lag het op de weg van [eiser] om dit nader te onderbouwen. [eiser] heeft dit nagelaten. Dat betekent dat uitsluitend de deelgenoten alleen tezamen bevoegd waren tot het (laten) verrichten van de werkzaamheden. [gedaagde] hoeft daarom niet mee te betalen aan de door [eiser] betaalde kosten (artikel 3:173 BW Pro).
Kosten ontruiming en schoon opleveren woning
4.23.
[eiser] vordert vergoeding van de helft van de kosten van de ontruiming en bezemschoon opleveren van de woning (o.a. de huur van containers). [gedaagde] heeft daartegen aangevoerd dat [eiser] op grond van de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland van 26 maart 2024 verplicht was de woning uiterlijk een week voor de levering te ontruimen en te verlaten. Ook heeft zij meerdere keren aangeboden spullen op te halen, maar kon zij er niet in. Toen dat vlak voor de sleuteloverdracht wel kon, was het te kort dag om (zelf) te ontruimen, aldus [gedaagde].
4.24.
Omdat een woning bij verkoop doorgaans leeg moet worden opgeleverd, zijn dit in beginsel noodzakelijke kosten die voor rekening van de gezamenlijke eigenaars komen. In de beschikking waar [gedaagde] naar verwijst is [eiser] echter veroordeeld om de woning te ontruimen ‘met al hetgeen van [eiser] is’, met andere woorden: om zijn eigen spullen mee te nemen. [eiser] heeft op de zitting gezegd dat veel van de spullen die er nog stonden gemeenschappelijk waren. Dat wijkt af van zijn eerder ingenomen stelling dat het alleen goederen van [gedaagde] waren en wijkt af van de stelling van [gedaagde] dat er (vrijwel) alleen spullen van [eiser] stonden. Dat laatste ligt in de lijn der verwachting omdat [gedaagde] de woning al anderhalf jaar voor levering had verlaten. De rechtbank, die op de foto’s van de makelaar heeft gezien dat er kort voor de levering vooral spullen stonden voor dagelijks gebruik en er veelal ook uitzagen als op die manier gebruikt, gaat er daarom vanuit dat in de woning vooral nog spullen van [eiser] stonden. Ingevolge de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland was het aan hem om ervoor te zorgen dat die goederen tijdig verwijderd zouden zijn. De kosten die hij daarvoor heeft gemaakt, moeten daarom voor zijn rekening blijven.
Auto
4.25.
[eiser] vordert betaling van de waarde van de auto die sinds het uit elkaar gaan op naam van [gedaagde] staat en in haar bezit is. Hij stelt dat hij de auto heeft betaald en de eigendom eigenlijk bij hem berust. Ook als de rechtbank oordeelt dat hij niet de eigenaar is, maakt hij aanspraak op de koopsom, althans de huidige waarde van de auto. De vrouw bestrijdt dat zij een vergoeding voor de auto moet betalen. De auto is destijds voor haar gebruik gekocht en enkel op naam van [eiser] gesteld, omdat dit gunstiger was voor de verzekeringspremie. [eiser] had een andere auto. [gedaagde] heeft aan de aanschaf meebetaald. Ook is een en ander vermengd geraakt omdat de koopprijs van de auto voor een deel is betaald uit een verzekeringsuitkering voor schade aan een andere auto. [gedaagde] is de auto altijd blijven gebruiken. Bij het uit elkaar gaan is de auto op haar naam gezet zonder dat daarbij gesproken is over een vergoeding, aldus [gedaagde].
4.26.
De rechtbank stelt voorop dat [eiser] bij de betwisting door [gedaagde] onvoldoende heeft onderbouwd dat hij eigenaar van de auto is. [eiser] heeft op de zitting verklaard dat de auto op naam van [gedaagde] is gezet zodat zij zelf belasting ging betalen. De rechtbank concludeert daarom dat partijen bij het uit elkaar gaan overeenstemming hadden dat de auto in bezit van [gedaagde] zou blijven en zij als eigenaar de motorrijtuigenbelasting zou gaan betalen. Het standpunt van [eiser] dat hij nog eigenaar van de auto is, wordt daarom niet gevolgd. [eiser] heeft daarbij niets gesteld waaruit blijkt van een afspraak dat [gedaagde] voor de overschrijving van de auto op haar naam een vergoeding moest betalen. Hij heeft niet gezegd dat partijen overeenstemming hebben bereikt over een door [gedaagde] te betalen prijs en wat die prijs zou zijn. Dat [gedaagde] aldus ongerechtvaardigd is verrijkt heeft [eiser] – bij de lezing van [gedaagde] over de gang van zaken – ook onvoldoende onderbouwd.
Tussenconclusie
4.27.
Uit het vorenstaande volgt dat [eiser] in beginsel € 694,36 van [gedaagde] te vorderen heeft. [gedaagde] doet echter een beroep op verrekening met vorderingen die zij op [eiser] heeft. Zoals hierna nader uiteengezet zal worden, slaagt dit beroep op verrekening. Dit maakt dat de vorderingen van [eiser] zullen worden afgewezen.
4.28.
[gedaagde] stelt in conventie dat zij nog een bedrag van € 1.290,07 van [eiser] te vorderen heeft. De rechtbank leest hierin een beroep op verrekening van de vorderingen van [gedaagde] met de (eventuele) vordering van [eiser]. Al in de dagvaarding is [eiser] ervan uitgegaan dat die verrekening aan de orde kan zijn.
4.29.
Tussen partijen is niet in geschil dat [gedaagde] de kosten heeft betaald van het energielabel voor de woning (€ 329,00), de taxatie van de woning (€ 725,00) en de kosten van KPN in 2023 (€ 763,07). Ook is niet in geschil dat [eiser] ter zake de helft van de kosten van het energielabel en de taxatie en het volledige bedrag van de kosten van KPN aan [gedaagde] moet voldoen. Dat betekent dat [gedaagde] hiervoor een vordering op [eiser] heeft van € 1.290,07.
4.30.
Na verrekening van dit bedrag met de vordering van [eiser] als benoemd in 4.27, heeft [eiser] niets (meer) te vorderen. De vordering van [eiser] om [gedaagde] te veroordelen om aan hem € 41.175,97 te betalen zal daarom worden afgewezen.
Beslagkosten
4.31.
De door [eiser] gemaakte beslagkosten komen niet voor vergoeding in aanmerking omdat de vorderingen van [eiser] worden afgewezen. [gedaagde] heeft weliswaar na de beslaglegging ongeveer € 2.500,00 aan [eiser] betaald voor haar deel in de aflossing van de lening voor de kozijnen, maar hierover waren partijen – anders dan over de overige punten – nog in goed overleg. Partijen hadden zelfs al de afspraak gemaakt dat [gedaagde] dit bedrag na overdracht van de woning zou betalen. Daarmee was het beslag (voor deze betaling) prematuur.
in (voorwaardelijke) reconventie
4.32.
Bij de mondelinge behandeling heeft [gedaagde] verduidelijkt dat zij de tegenvorderingen heeft ingediend voor het geval de rechtbank de vordering van [eiser] over de door hem betaalde hypotheekrente zou toewijzen (zonder daarbij verrekening met haar vorderingen toe te passen). De reconventionele vordering is bedoeld voor het geval het verrekeningsverweer in conventie niet slaagt. Omdat de vorderingen van [eiser] worden afgewezen is niet voldaan aan de voorwaarden die [gedaagde] aan haar voorwaardelijke tegenvordering heeft verbonden. Daarom komt de rechtbank niet toe aan de beoordeling van de voorwaardelijke tegenvordering(en).
Proceskosten in conventie en reconventie
4.33.
Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5.De beslissing

De rechtbank
in conventie
5.1.
wijst alle vorderingen af,
5.2.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.A. Hoogkamer en in het openbaar uitgesproken op 4 maart 2026.
1621

Voetnoten

1.Zie het arrest van de Hoge Raad van 6 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU3784
2.Zie het arrest van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 21-12-2023, ECLI:NL:GHSHE:2023:4283