Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNHO:2026:2160

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
23 februari 2026
Publicatiedatum
4 maart 2026
Zaaknummer
C/15/374742 / JU RK 26-247
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van minderjarige bij vader wegens onveilige thuissituatie

De kinderrechter van de Rechtbank Noord-Holland heeft op 23 februari 2026 een beschikking gegeven over een ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige bij haar gezaghebbende vader. De minderjarige verbleef al geruime tijd bij haar vader en diens vriend vanwege een onhoudbare thuissituatie bij de moeder en stiefvader, gekenmerkt door lichamelijke en emotionele verwaarlozing, gebrek aan basisbehoeften en verslavingsproblematiek.

De Raad voor de Kinderbescherming verzocht om een ondertoezichtstelling voor de duur van een jaar en een machtiging tot uithuisplaatsing bij de vader. De minderjarige, vader, moeder en de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting werkten mee aan de procedure. De moeder en stiefvader toonden wel bereidheid tot hulp, maar onvoldoende capaciteit om de bedreiging weg te nemen.

De kinderrechter oordeelde dat de ontwikkelingsbedreiging ernstig is en niet voldoende kan worden weggenomen met vrijwillige hulpverlening. De machtiging tot uithuisplaatsing is noodzakelijk voor de verzorging en opvoeding van de minderjarige, die het goed heeft bij haar vader en diens vriend. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard en geldt direct, ook bij hoger beroep.

Uitkomst: De kinderrechter stelt de minderjarige onder toezicht en verleent machtiging tot uithuisplaatsing bij de vader voor de duur van een jaar.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Haarlem
Zaaknummer: C/15/374742 / JU RK 26-247
Datum uitspraak: 23 februari 2026
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming,
Haarlem,
hierna te noemen de Raad,
over
[de minderjarige], geboren op [geboortedatum] in [plaats] ,
hierna te noemen [de minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende in [plaats] ,
[de vader],
hierna te noemen de vader,
wonende in [plaats] ,
de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering,
hierna te noemen: de GI,
gevestigd in Amsterdam.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 3 februari 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 23 februari 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de vader;
  • de moeder en de stiefvader ( [de stiefvader] );
  • [vertegenwoordiger van de raad] , een vertegenwoordiger van de Raad;
- [vertegenwoordiger van de GI] , een vertegenwoordiger van de GI.
1.3.
De kinderrechter heeft [de minderjarige] naar haar mening gevraagd. [de minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [de minderjarige] heeft verteld.
1.4.
Dit verzoek is gelijktijdig behandeld met het verzoek tot ondertoezichtstelling van [halfzusje] en [halfzusje] , zaaksnummer C/15/374753 / JU RK 26-250.

2.De feiten

2.1.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] .
2.2.
[de minderjarige] verblijft officieel bij haar gezaghebbende vader en is daar om het weekend. Verder verblijft ze in het gezin van haar vriend [vriend] .
2.3.
Op 25 november 2025 heeft de kinderrechter [de minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld voor de duur van drie maanden, tot 25 februari 2026. Dit is bekrachtigd bij de beschikking van 8 december 2025.
2.4.
De kinderrechter heeft op 25 november 2025 een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing voor de duur van vier weken bij de vader verleend tot 23 december 2025. Deze machtiging is verlengd tot 25 februari 2026 bij de beschikking van 8 december 2025.

3.Het verzoek

3.1.
De Raad verzoekt [de minderjarige] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de Raad een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] bij de met gezag belaste vader te verlenen voor de duur van de ondertoezichtstelling.
De Raad verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
[de minderjarige] is weggevlucht van huis en verblijft bij haar vriend en haar vader. Bij de moeder en de stiefvader was sprake van zeer onveilige omgeving. Daarbij was sprake van lichamelijke en emotionele verwaarlozing en het ontbreken van de nodige basisbehoeften (gezonde voeding, kleding, hygiëne). [de minderjarige] verzuimde van school en was dagelijks getuige van ruzies tussen ouders en van ouders die onder invloed zijn. Zij ervaarde veel stress en spanning van haar thuissituatie, waardoor haar hoofd vol zat en zij niet aan leren en ontwikkelen toekwam. Daarnaast nam en neemt zij nog steeds een grote verantwoordelijkheid voor haar zusjes. Ook nu ze bij vader woont heeft ze dagelijks contact met ze om te checken hoe het met ze gaat. [de minderjarige] heeft van haar moeder in het begin van de uithuisplaatsing veel verwijten gekregen. De omgang met haar moeder werd daarom ook begeleid, zodat de moeder hier meer in gestuurd kon worden. Belangrijk is dat [de minderjarige] , nu haar zusjes weer thuis geplaatst zijn, ook betrokken wordt bij de in te zetten hulpverlening, zoals SAVE, mede omdat zij zich erg verantwoordelijk voelt voor het welzijn van haar zusjes.
De Raad vindt het zeer zorgelijk dat er niet eerder is ingegrepen en dat [de minderjarige] en haar zusjes al jaren in een onveilige en ongezonde situatie verkeren. De moeder en de stiefvader hebben tot nu toe meegewerkt aan de geboden hulp van het SIG en de GI, maar tonen onvoldoende inzicht in hun gedrag en handelen en zien onvoldoende de ernst van de situatie in. De moeder en de stiefvader zijn trots op de praktische stappen die zij na de uithuisplaatsing hebben gezet en verdienen daar waardering voor. Maar volgens de Raad is meer nodig om de kinderen weer veilig thuis te laten wonen. Directe inzet van intensieve praktische en pedagogische hulp is hierin noodzakelijk, evenals hulp gericht op de verslavingen van de moeder en de stiefvader en hun persoonlijke problemen.
De moeder en de stiefvader van [de minderjarige] zijn op dit moment wel bereid, maar onvoldoende in staat om onder eigen verantwoordelijkheid de bedreiging weg te nemen en
hulpverlening te accepteren.

4.De standpunten

4.1.
[de minderjarige] staat achter de verzoeken van de Raad. Ze heeft het goed bij haar vader en in het gezin van haar vriend [vriend] . Het contact tussen [de minderjarige] en haar vader is erg verbeterd, hij drinkt niet meer te veel en [de minderjarige] kan goed met hem praten. [de minderjarige] houdt veel van haar moeder en stiefvader, maar het gaat nu niet om bij hen te wonen.
4.2.
De vader is akkoord met de verzoeken van de Raad. Hij merkt dat [de minderjarige] rust krijgt bij hem en in het gezin van haar vriend [vriend] . Het contact tussen de vader en [de minderjarige] is weer goed.
4.3.
De moeder stemt in met de verzoeken van de Raad. Ze heeft goed contact met [de minderjarige] en spreekt haar regelmatig. De moeder ziet nu in dat ze persoonlijke hulp nodig heeft en staat daarvoor op de wachtlijst. Ze drinkt niet meer doordeweeks, de woonwagen is opgeknapt en halfzusjes [halfzusje] en [halfzusje] gaan weer elke dag naar school.
4.4.
De GI heeft het volgende naar voren gebracht. De moeder en de stiefvader hebben de regie van de GI nodig, maar ze accepteren de hulp en dat maakt de samenwerking prettig. De GI heeft bodemeisen opgesteld en daar wordt stapje voor stapje aan gewerkt.

5.De beoordeling

5.1.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling is voldaan. [1] De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
5.2.
De ontwikkeling van [de minderjarige] wordt ernstig bedreigd. De kinderrechter verwijst hiervoor naar de ontwikkelingsbedreigingen zoals opgenomen in de eerdere beschikking van deze rechtbank, waarbij de ondertoezichtstelling is uitgesproken. De ontwikkelingsbedreiging is er met name in gelegen dat zij langdurig is blootgesteld aan lichamelijke en emotionele verwaarlozing en het ontbreken van de nodige basisbehoeften (gezonde voeding, kleding, hygiëne). Bij de moeder en de stiefvader was [de minderjarige] dagelijks getuige van ruzies en excessief alcohol- en drugsgebruik. Er was sprake van regelmatig schoolverzuim en [de minderjarige] nam, en neemt nog steeds, een grote verantwoordelijkheid op zich voor haar zusjes.
5.3.
De ernstige ontwikkelingsbedreiging kan niet of onvoldoende worden weggenomen met vrijwillige hulpverlening, omdat het de moeder en de stiefvader ondanks jarenlange professionele hulpverlening niet is gelukt om tot een blijvende positieve verandering in de opvoedsituatie te komen. De moeder en de stiefvader hebben de regie van de GI nodig om aan hun problemen te werken en accepteren deze hulp inmiddels ook. De stiefvader geeft aan dat hij is gestopt met alcohol- en drugsgebruik en dat hij hulp heeft voor zijn persoonlijke problematiek bij een psycholoog. De moeder geeft aan dat zij doordeweeks niet meer drinkt en op de wachtlijst staat voor persoonlijke hulp. De door de Raad geschetste thuissituatie, die al jarenlang voortduurt, is echter zo ernstig dat, ondanks dat deze stappen zeker een goed begin zijn, ook moet blijken dat de moeder (en de stiefvader) deze verbetering vol kunnen houden en uit kunnen bouwen. Het is van belang dat helder in kaart wordt gebracht wat nodig is om [de minderjarige] en haar zusjes de veiligheid, verzorging en opvoeding te geven, die zij nodig hebben. Vervolgens moet worden bezien welke hulpverlening en begeleiding nodig is voor de moeder, de stiefvader en [de minderjarige] om de situatie voor langere tijd te verbeteren.
5.4.
De ondertoezichtstelling is daarom in dit geval nodig. De kinderrechter stelt [de minderjarige] onder toezicht voor de duur van een jaar.
5.5.
Ook is de kinderrechter van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] noodzakelijk is in het belang van haar verzorging en opvoeding. [de minderjarige] verblijft sinds mei 2025 bij haar vader en in het gezin van haar vriend [vriend] . Ze heeft het hier naar haar zin en wil, ondanks dat zij van de moeder en de stiefvader houdt, nu niet terug naar de woonwagen van haar moeder en stiefvader. Het is belangrijk dat deze situatie wordt bestendigd zodat [de minderjarige] rust krijgt en toe kan komen aan haar ontwikkelingstaken en een gedegen schoolgang zonder onderbrekingen.
5.6.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
stelt
[de minderjarige]onder toezicht van William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering met ingang van 23 februari 2026 tot 23 februari 2027;
6.2.
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] bij de met gezag belaste vader met ingang van 23 februari 2026 tot 23 februari 2027;
6.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 23 februari 2026 door mr. M.C.A. Onderwater, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. A.E.J. van Schie als griffier, en op schrift gesteld op 5 maart 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Amsterdam. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:255 BW Pro.