ECLI:NL:RBNHO:2026:2161

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
3 maart 2026
Publicatiedatum
4 maart 2026
Zaaknummer
HAA 25/2127
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswettenWet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling vaststelling arbeidsongeschiktheidspercentage in WIA-uitkering

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van het UWV waarin zijn arbeidsongeschiktheidspercentage voor de WIA-uitkering is vastgesteld op 47,48%. Hij betwist de juistheid van het onderzoek en de beoordeling van zijn medische beperkingen, onder meer omdat bepaalde medische rapporten niet zouden zijn meegenomen.

De rechtbank stelt vast dat het onderzoek zorgvuldig is uitgevoerd door verzekeringsartsen die het dossier hebben bestudeerd, eiser hebben onderzocht en de medische informatie hebben betrokken. De aanvullende rapportages zijn meegenomen in de beoordeling en de beperkingen zijn gemotiveerd vastgesteld. De rechtbank volgt de verzekeringsarts in haar oordeel over de belastbaarheid en de geschiktheid van de aan eiser voorgehouden functies.

Eiser voert aan dat de functies ongeschikt zijn vanwege beperkingen zoals urenbeperking, recuperatietijd en temperatuurgevoeligheid. De arbeidsdeskundige rapportages onderbouwen echter dat de functies binnen de belastbaarheid passen. De rechtbank ziet geen aanleiding om het beroep gegrond te verklaren en wijst het af. Eiser krijgt geen vergoeding van proceskosten en het griffierecht wordt niet teruggegeven.

Uitkomst: Het beroep van eiser tegen het vastgestelde arbeidsongeschiktheidspercentage wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 25/2127

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 maart 2026 in de zaak tussen

[eiser], uit Zaandam, eiser
(gemachtigde: mr. M.A. Jansen),
en
de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen,het Uwv
(gemachtigde: mr. L. Ritsma).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid van eiser in het kader van zijn WIA [1] -uitkering. Eiser is het daarmee niet eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het besluit.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het Uwv het arbeidsongeschiktheidspercentage juist heeft vastgesteld
.Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

Wat aan deze procedure voorafging
2. In februari 2016 heeft eiser een bedrijfsongeval gehad. Hij is na een herstelperiode hervat in werk. Hij heeft zich op 26 september 2020 arbeidsongeschikt gemeld voor zijn werk als allround medewerker ramp.
2.1.
Bij besluit van 2 augustus 2023 heeft het Uwv aan eiser per 17 mei 2023 een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de WIA toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 62,19%.
2.2.
Eiser heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Met het besluit van 18 maart 2025 heeft het Uwv het bezwaar van eiser gegrond verklaard en het arbeidsongeschikheidspercentage gewijzigd in 47,48%.
Onderhavige procedure
3. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
3.1.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
3.2.
Eiser heeft aanvullende gronden ingediend.
3.3.
Het Uwv heeft een aanvullend verweerschrift ingediend.
3.4.
De rechtbank heeft het beroep op 10 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het Uwv.

Beoordeling rechtbank

4. De rechtbank dient te beoordelen of het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid van eiser met ingang van 17 mei 2023 terecht heeft vastgesteld op 47,48 %. Daartoe dient de rechtbank aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden te toetsen of het Uwv de medische beperkingen van eiser correct heeft vastgesteld en of eiser, rekening houdend met deze beperkingen, in staat is de aan hem voorgehouden functies te verrichten.
De verzekeringsgeneeskundige rapportage
5. Volgens eiser is er geen sprake geweest van een zorgvuldig onderzoek, omdat de verzekeringsarts bezwaar en beroep (b&b) het door eiser overgelegde verzekeringsgeneeskundig expertiserapport van dr. Buisman van 18 november 2022, opgesteld in het kader van de letselschadeprocedure, alsmede het onderliggende rapport van de internist van 25 maart 2020, niet heeft meegenomen in zijn beoordeling.
5.1.
Deze beroepsgrond slaagt om de volgende redenen niet. De rechtbank stelt vast dat verzekeringsarts b&b Van Pinxteren het dossier heeft bestudeerd, eiser heeft gezien op zijn spreekuur, hem aansluitend heeft onderzocht en de aanwezige medische informatie heeft betrokken. Hij heeft over zijn bevindingen gerapporteerd en geconcludeerd dat sprake is van beperkingen ten opzichte van een normaal functioneren. Hij heeft de belastbaarheid vastgelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 7 februari 2025. Er zijn beperkingen opgenomen in de rubrieken Persoonlijk functioneren, Sociaal functioneren, Fysieke omgevingseisen, Dynamische handelingen, Statische houdingen en Werktijden, waarbij er ten opzichte van de FML in de primaire fase beperkingen zijn toegevoegd, gewijzigd en vervallen. Verder heeft de verzekeringsarts b&b gemotiveerd waarom er niet meer beperkingen kunnen en hoeven te worden aangenomen. Dat sprake zou zijn van onzorgvuldig onderzoek, omdat de verzekeringsarts b&b de rapportages van de internist en het verzekeringsgeneeskundig expertiserapport niet heeft meegenomen in zijn beoordeling wordt door de rechtbank niet gevolgd. De verzekeringsarts b&b beschikte in de bezwaarfase immers nog niet over deze rapportages. In beroep heeft verzekeringsarts b&b Hoogenboom- Copier aanvullend gerapporteerd en de rapportage van de internist en het verzekeringsgeneeskundig expertiserapport meegenomen in haar beoordeling. De verzekeringsarts b&b heeft naar aanleiding van deze rapporten meer beperkingen aangenomen.
5.2.
Eiser kan zich ook inhoudelijk niet verenigen met het bestreden besluit. Er is primair sprake van een situatie van ‘geen benutbare mogelijkheden’ omdat zijn belastbaarheid zeer wisselend is. Subsidiair stelt hij dat hij meer beperkt is dan de verzekeringsarts b&b heeft aangenomen onder meer ten aanzien van het aantal uren dat hij kan werken.
5.3.
De rechtbank overweegt dat voldoende inzichtelijk is gemotiveerd dat geen sprake is van een situatie van ‘geen benutbare mogelijkheden’ als bedoeld in artikel 2 van Pro het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten (Schattingsbesluit). Verder heeft de verzekeringsarts b&b in haar rapportage van 28 november 2025 een reactie gegeven op de aanvullende gronden van eiser met de daarbij overgelegde rapporten. De verzekeringsarts volgt deze deels. Zij heeft eiser aanvullend beperkt geacht op de punten ‘eigen gevoelens uiten’ en ‘samenwerken’ en heeft een verdergaande beperking aangenomen op omgaan met conflicten. Tevens heeft de verzekeringsarts b&b eiser beperkt geacht ten aanzien van trillingsbelasting en hitte, koude en sterk wisselende temperaturen als gevolg van de hypofyseproblemen. De verzekeringsarts b&b kan zich ook vinden in de conclusie dat eiser belastbaar is voor 4 uur per dag. Het vrijwilligerswerk dat eiser doet, acht de verzekeringsarts niet maatgevend voor de inschatting van de algemene belastbaarheid in het kader van de WIA. Voor wat betreft de reistijd, kan de verzekeringsarts b&b zich niet aansluiten bij de conclusie van verzekeringsarts Buisman. Uiteengezet is dat conform de Standaard Duurbelastbaarheid in arbeid alleen bij extra benodigde reistijd als gevolg van ziekte/gebrek rekening wordt gehouden met verminderde beschikbaarheid en verder is de reistijd geen medisch beoordelingscriterium. De rechtbank ziet geen aanleiding om de verzekeringsarts b&b niet te volgen. Ingevolge de Standaard kan rekening worden gehouden met reistijd ingeval van duurbelasting bij verminderde beschikbaarheid. Bij eiser is echter vanwege energetische consequenties een urenbeperking aangenomen, niet vanwege verminderde beschikbaarheid. De verzekeringsarts b&b volgt de conclusie van Buisman ook niet ten aanzien van de toelichting bij de items ‘vasthouden van de aandacht’ en ‘verdelen van de aandacht’ dat na een half uur een cognitieve recuperatietijd van 15 minuten nodig is. Zij kan dit niet herleiden uit de verschillende (specialistische) onderzoeken noch ziet zij hiervoor in de spreekuurcontacten aanwijzingen. Eiser heeft gezegd dat hij 1,5 uur achtereen series kan kijken of gamen en 2-3 uur auto kan rijden. En zowel verzekeringsarts b&b Van Pinxteren als de expertise verzekeringsarts hebben tijdens hun spreekuur (wat voor eiser intensieve gesprekken zijn (ook na een half uur) geen evidente concentratie- en aandachtstoornissen waargenomen. Daarbij heeft Buisman niet beschreven hoe hij tot deze aanvullende conclusie is gekomen. Ook kan de verzekeringsarts b&b de aangegeven beperking ten aanzien van herinneren niet onderschrijven. Uit de verschillende onderzoeken blijkt niet dat eiser afhankelijk is van hulpmiddelen om zijn dagelijks persoonlijk functioneren te kunnen waarborgen. Het dagverhaal en de verschillende onderzoeksbevindingen bieden hier geen aanwijzingen voor. Ook tijdens de gesprekken tijdens de hoorzitting en de expertise worden geen evidente geheugenstoornissen geobjectiveerd. De verzekeringsarts heeft een gewijzigde FML opgesteld van 28 november 2025. De rechtbank ziet geen aanleiding om haar daarin niet te volgen. De beroepsgrond slaagt niet.
6. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het inschakelen van een deskundige. Zoals hiervoor is overwogen is geen sprake geweest van een onzorgvuldig onderzoek. Eiser heeft daarnaast voldoende de ruimte gehad om de rapportages van de verzekeringsartsen te betwisten en heeft hier ook daadwerkelijk gebruik van gemaakt. Er is dan ook geen reden om verdere compensatie te bieden in het kader van ‘equality of arms’. Evenmin bestaat gelet op het voorgaande aanleiding om te twijfelen aan de juistheid of de volledigheid van de rapportages, zodat ook hierin geen aanleiding is een deskundige te raadplegen.
Arbeidsdeskundige gronden
7. Eiser voert aan dat de geduide functies niet geschikt zijn. De functie van huishoudelijk medewerker is ongeschikt vanwege de duurbeperking. Eiser is maximaal 20 uur belastbaar inclusief reistijd. Effectief kan eiser dus minder werken dan 20 uur. De belastbaarheid wordt met deze functie overschreden. Eiser voert aan dat de productiemedewerker industrie om dezelfde reden ongeschikt is. Tevens is de functie ongeschikt, omdat eiser de vereiste productie niet kan halen vanwege het recupereren na elk half uur. Daardoor is eiser van de 4 uur die hij werkt, maar 2,5 uur productief. Vanwege deze beperkende toelichting is deze functie niet geschikt, aldus eiser. Eiser stelt zich op het standpunt dat de functie medewerker tuinbouw tevens ongeschikt is. Bij één van de drie arbeidsplaatsen is mogelijk sprake van hoge temperaturen (tot 32 graden) en eiser is volgens het expertiserapport ten aanzien daarvan beperkt. Deze arbeidsplaats komt daardoor te vervallen. De functie is daarmee ongeschikt omdat er te weinig arbeidsplaatsen overblijven binnen deze functie, aldus eiser.
7.1.
De FML is niet aangepast wat betreft het rekening houden met de reistijd bij de urenbeperking en wat betreft de recuperatie na elk half uur, zodat de arbeidsdeskundige b&b is uitgegaan van een juiste FML op dat punt en in wat eiser heeft aangevoerd geen aanleiding voor twijfel aan de juistheid van diens conclusies bestaat. Naar het oordeel van de rechtbank is met de rapporten van de arbeidsdeskundige b&b van 11 februari 2025 en 3 december 2025, gelezen in samenhang met het verzekeringsgeneeskundige rapport en de gegevens uit het Claimbeoordelings- en Borgingssysteem, voldoende gemotiveerd dat de voorgehouden functies de belastbaarheid van eiser, zoals omschreven in de FML van 28 november 2025, niet overschrijden. In beroep heeft de arbeidsdeskundige b&b naar aanleiding van de gewijzigde FML de functie van tuinmedewerker uit voorzorg laten vallen in verband met de beperkingen ten aanzien van temperatuur en in plaats daarvan de reservefunctie productiemedewerker textiel geselecteerd. Dit heeft geen invloed gehad op het arbeidsongeschiktheidspercentage. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat eiser de werkzaamheden behorende bij de aan hem voorgehouden functies niet zou kunnen verrichten. De beroepsgrond slaagt daarom niet.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I.M. Ludwig, rechter, in aanwezigheid van mr. A.J. Boerrigter, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 3 maart 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA).