ECLI:NL:RBNHO:2026:2169

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
13 februari 2026
Publicatiedatum
4 maart 2026
Zaaknummer
HAA 24/1005
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:19 AwbArt. 8.8 WooArt. 8:72 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit wegens onvoldoende zoekslag en toekenning schadevergoeding redelijke termijn

Eisers hebben bezwaar gemaakt tegen een besluit van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Opmeer van 31 januari 2024, waarin onvoldoende zorgvuldig en gemotiveerd een zoekslag naar documenten was verricht. De rechtbank heeft het college in een tussenuitspraak de gelegenheid gegeven het gebrek te herstellen.

Het college heeft vervolgens een aanvullend besluit op bezwaar genomen op 22 september 2025, waarbij een verbeterde zoekslag is uitgevoerd door diverse medewerkers en systemen, resulterend in openbaarmaking van 84 documenten. De rechtbank oordeelt dat deze zoekslag voldoende zorgvuldig en inzichtelijk is uitgevoerd en dat eisers onvoldoende aannemelijk hebben gemaakt dat er nog meer documenten zijn die het college achterhoudt.

De rechtbank vernietigt het bestreden besluit van 31 januari 2024, maar laat de rechtsgevolgen daarvan, voor zover niet gewijzigd door het aanvullende besluit, in stand. Het beroep tegen het aanvullende besluit wordt ongegrond verklaard. Daarnaast kent de rechtbank eisers een schadevergoeding van €1.000 toe wegens overschrijding van de redelijke termijn en veroordeelt het college tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.

Uitkomst: Het besluit van 31 januari 2024 wordt vernietigd wegens onvoldoende zoekslag, het college heeft het gebrek hersteld met een aanvullend besluit, en eisers krijgen een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 24/1005

uitspraak van de meervoudige kamer van 13 februari 2026 in de zaak tussen

[eiser 1] en [eiser 2] , uit Spanbroek, eisers

(gemachtigde: mr. G.M. Pierik),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Opmeer, het college

(gemachtigden: mr. E.S. Bruijn en D.E.E.A. Joukes).

Procesverloop

1. Voor het procesverloop tot en met 16 juli 2025 verwijst de rechtbank naar haar tussenuitspraak van die datum. [1]
1.1.
In de tussenuitspraak heeft de rechtbank het college in de gelegenheid gesteld om het geconstateerde gebrek in het bestreden besluit (van 31 januari 2024) binnen zes weken, gerekend vanaf de verzenddatum van de tussenuitspraak, te herstellen.
1.2.
Het college heeft de rechtbank op 20 augustus 2025 verzocht om verlenging van de hersteltermijn in verband met de gevolgen van software- en capaciteitsproblemen, waarbij is opgemerkt dat een aanzienlijk deel van de na de hernieuwde zoekslag aangetroffen documenten op 27 augustus 2025 informeel aan eisers verstrekt kan worden.
1.3.
Bij een tweede tussenuitspraak van 26 augustus 2025 (de verlengingsuitspraak) heeft de rechtbank de termijn die zij het college heeft gegeven om het gebrek te herstellen, verlengd tot vier weken na verzending van de verlengingsuitspraak.
1.4.
Het college heeft op 22 september 2025 een aanvullend besluit op bezwaar genomen (het besluit van 22 september 2025), op basis waarvan opnieuw documenten (gedeeltelijk) openbaar zijn gemaakt en de motivering is aangevuld.
1.5.
Eisers hebben hierop schriftelijk gereageerd.
1.6.
De rechtbank heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft en heeft het onderzoek gesloten.

Beoordeling

2. Deze uitspraak bouwt voort op de tussenuitspraak. De rechtbank blijft bij al wat zij in de tussenuitspraak heeft overwogen en beslist.
2.1.
In de tussenuitspraak heeft de rechtbank in de overwegingen 10 tot en met 12, kort gezegd, overwogen dat het bestreden besluit van 31 januari 2024 in strijd is met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel. De strijd met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel is gelegen in de verrichtte zoekslag. In de tussenuitspraak is het college de gelegenheid geboden om het gebrek te herstellen door nadere documenten te overleggen of een duidelijke uitleg te geven over het niet kunnen overleggen daarvan.
2.2.
Het aanvullende besluit op bezwaar van 22 september 2025 is een besluit in de zin van artikel 6:19 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Met dit aanvullende besluit heeft het college opnieuw documenten (gedeeltelijk) openbaar gemaakt.
Zoekslag
3. Het college heeft in het besluit van 22 september 2025 aangegeven dat met hulp van de secretaris bezwaarschriftencommissie, de dossierhouder Vergunningverlening, toezicht en handhaving (VTH), drie juristen handhaving en omgevingsrecht, een toezichthouder, een buitengewoon opsporingsambtenaar, een beleidsadviseur openbare orde en veiligheid, de leidinggevende VTH, een Wabo-medewerker, een Woo-jurist en twee medewerkers van DIV, met een verbeterde zoekslag, is gezocht naar specifiek geduide documenten. Ook is toegang verkregen tot de mailbox van een recent vertrokken Juridisch medewerker handhaving en omgevingsrecht. De zoekslag is uitgevoerd in diverse systemen zoals RX-Mission, Corsa en MS-Office en op verschillende gegevensdragers (zoals werktelefoons), waarbij er naar verschillende documenttypen (onder andere papier, pdf’s, appverkeer en beeld- en geluidsopnames) is gezocht. Er is ook gezocht op en omstreeks de relevante data van mails, zoals 22 juni 2022, 31 augustus 2022, 6 september 2022 en 22 september 2022.
Er zijn 216 documenten aangetroffen, waarvan er 91 niet zijn betrokken. De niet betrokken documenten waren dubbel aan andere documenten of daarin opgenomen en vallen buiten de reikwijdte van het verzoek en/of niet onder de Wet open overheid, aldus het college. De overige 125 documenten zijn betrokken, waarvan 84 documenten (deels) openbaar zijn gemaakt. Verder waren 41 documenten reeds openbaar gemaakt.
3.1.
In hun zienswijze hebben eisers opnieuw de zoekslag bestreden. Nog steeds zijn niet alle documenten geopenbaard en er is sprake van onvoldoende motivering. De rechtbank deelt dit standpunt niet. Daartoe wordt het volgende overwogen.
3.2.
Een bestuursorgaan moet voldoende inzichtelijk maken hoe het de zoekslag heeft verricht. Die zoekslag moet zorgvuldig zijn. Het voldoende inzichtelijk maken van de zoekslag kan het bestuursorgaan bewerkstelligen door bijvoorbeeld specifiek te vermelden welke systemen zijn geraadpleegd, welke zoektermen zijn gehanteerd voor het zoeken naar documenten in die systemen, welke specifieke vragen de volgens het bestuursorgaan relevante personen hebben meegekregen en welke schifting in de door die personen aangedragen documenten vervolgens is gemaakt.
3.3.
Naar het oordeel van de rechtbank is de door het college verrichte aanvullende zoekslag voldoende inzichtelijk gemaakt en bestaat er geen aanleiding voor de conclusie dat die niet zorgvuldig heeft plaatsgevonden. Het college heeft specifiek vermeld wie hebben gezocht, welke systemen zijn geraadpleegd, welke zoektermen onder andere zijn gehanteerd voor het zoeken naar documenten in die systemen, wat is nagevraagd en welke beoordeling vervolgens is gemaakt.
3.4.
Uit vaste rechtspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) volgt dat wanneer een bestuursorgaan stelt dat na onderzoek is gebleken dat een bepaald document niet of niet meer onder hem berust en een dergelijke mededeling niet ongeloofwaardig voorkomt, het in beginsel aan degene is die om informatie verzoekt om aannemelijk te maken dat het document toch onder het bestuursorgaan berust. [2] Dit betekent dat eisers aannemelijk moeten maken dat het college over de gevraagde documenten beschikt. Eisers hebben dat niet aannemelijk kunnen maken. De stellingen dat ‘iets goed mogelijk is’, ‘het niet zo kan zijn’, dat zij ‘zich niet kunnen voorstellen’, of iets ‘simpelweg ongeloofwaardig’ vinden voldoen daarvoor in ieder geval niet.
Eisers hebben ook niet aannemelijk gemaakt dat er nog meer foto’s, een controlerapport en andere opnames berusten bij het college, dan het college heeft gesteld. De enkele, verder niet onderbouwde stelling dat dit wel zo is, is onvoldoende voor een andere conclusie. De rechtbank concludeert dat het college de zoekslag ten aanzien van deze documenten heeft hersteld.
Overige zienswijzen
4. De rechtbank heeft verder geen aanleiding om te twijfelen aan het onderbouwde standpunt van het college dat er dubbele documenten zijn die niet nogmaals zijn verstrekt. In de verstrekte inventarislijst is duidelijk vermeld welke documenten het betreft.
4.1.
Ten aanzien van het bepaalde in artikel 8.8 van de Woo stelt de rechtbank op basis van de inventarislijst vast dat er acht stukken zijn waarbij artikel 8.8. van de Woo is vermeld. De rechtbank acht de motivering van het college hierbij, waarom deze stukken aan openbaarmaking in de weg staan, in dit geval voldoende, nu naar het oordeel van de rechtbank voldoende duidelijk uit de inventarislijst blijkt waarom deze niet (gedeeltelijk) zijn geopenbaard. De enkele stelling van eisers dat het college specifiek zal moeten benoemen waarom artikel 8.8 aan openbaarmaking in de weg staat, volgt de rechtbank niet. Voor zover is aangevoerd dat weinig consequent is gelakt, omdat in het ene geval bepaalde namen openbaar zijn gemaakt, terwijl dat in het andere geval met betrekking tot dezelfde namen niet is gedaan, geldt dat dit verdedigbaar is mits daarvoor een deugdelijke motivering is gegeven. Mede in het licht van de grote hoeveelheid documenten, is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van herhaalde of merkwaardige inconsequenties, zodat het ontbreken van een motivering in dit verband er niet toe leidt dat sprake is van een motiveringsgebrek.
Verzoek om schadevergoeding in verband met de redelijke termijn
5. De rechtbank overweegt het volgende. Eisers hebben een bezwaarschrift ingediend op 3 juli 2023. Uitgaande van een redelijke termijn van twee jaar, had in deze procedure dus uiterlijk op 3 juli 2025 uitspraak moeten worden gedaan. De rechtbank doet uitspraak op 13 februari 2026. Dit levert een termijnoverschrijding op van minder dan twaalf maanden. Uitgaande van een schadebedrag van € 500,00 per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond, zal de rechtbank eisers een schadevergoeding van € 1.000,00 toekennen. In dit geval is door het college na zes maanden en drie weken beslist op het bezwaarschrift van eisers, en heeft de behandeling van het beroep er voor het overige voor gezorgd dat de termijn van in totaal twee jaren is overschreden. Gelet op de geringe overschrijding in bezwaar van minder dan een maand ziet de rechtbank aanleiding de gehele periode aan de rechtbank toe te rekenen.

Conclusie en gevolgen

6. De rechtbank is van oordeel dat het college met het besluit van 22 september 2025 de gebreken in het besluit van 31 januari 2024 heeft hersteld. Het beroep is gegrond, omdat de zoekslag in eerste instantie onvoldoende zorgvuldig voorbereid en gemotiveerd was. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit van 31 januari 2024. Het college heeft alsnog een verbeterde zoekslag gemaakt en met het gewijzigde besluit alsnog 84 documenten (deels) openbaar gemaakt. Omdat daarmee de in de tussenuitspraak geconstateerde gebreken zijn hersteld, eisers in de gelegenheid zijn gesteld hun zienswijze in te dienen over het besluit van 22 september 2025 en dat besluit de rechterlijke toets kan doorstaan, zal de rechtbank de rechtsgevolgen van het besluit van 31 januari 2024, voor zover niet gewijzigd in het besluit van 22 september 2025, in stand laten. [3] Dat betekent dat het college na deze uitspraak geen nieuwe documenten meer openbaar hoeft te maken.
7. De rechtbank verklaart het beroep voor zover gericht tegen het besluit van 22 september 2025 ongegrond. De rechtbank bepaalt dat het college aan eisers het door hen betaalde griffierecht vergoedt.
8. Omdat het beroep tegen het besluit van 31 januari 2024 gegrond is, krijgen eisers een vergoeding voor de proceskosten die zij hebben gemaakt. Het college moet die vergoeding betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 2,5 punten op (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen op de zitting, 0,5 punt voor het indienen van een schriftelijke zienswijze na een bestuurlijke lus, met een waarde per punt van € 934,00), bij een wegingsfactor 1. Toegekend wordt € 2.335,00.
9. De rechtbank kent in verband met het verzoek om schadevergoeding in verband met de redelijke termijn een proceskostenvergoeding toe van € 467,00 (1 punt voor het indienen van het verzoek, met een weging van 0,5).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep voor zover gericht tegen het bestreden besluit van 31 januari 2024 gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 31 januari 2024, maar laat de rechtsgevolgen van dat besluit, voor zover niet gewijzigd in het besluit van 22 september 2025, in stand;
- verklaart het beroep voor zover gericht tegen het besluit van 22 september 2025 ongegrond;
- draagt het college op het betaalde griffierecht van € 187,00 aan eisers te vergoeden;
- veroordeelt het college in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 2.335,00;
- veroordeelt de Staat tot vergoeding van de aan de beroepsfase toerekenbare schade ten bedrage van € 1.000,00;
- veroordeelt de Staat in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 467,00.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Jurgens, voorzitter, en mr. L.M. Kos en mr. A.M. van Beek, leden, in aanwezigheid van mr. M.H. Boomsma, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 13 februari 2026.
griffier
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak en de tussenuitspraak/tussenuitspraken, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak en de tussenuitspraak/tussenuitspraken. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Rechtbank Noord-Holland van 16 juli 2025, ECLI:NL:RBNHO:2025:9919.
2.De Afdeling 14 april 2021, ECLI:NL:RVS:2021:781 en 15 december 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2836.
3.Artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht.