ECLI:NL:RBNHO:2026:220

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
14 januari 2026
Publicatiedatum
16 januari 2026
Zaaknummer
C/15/372345 / HA ZA 25-779
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Tussenuitspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Incident met afwijzing van provisionele vordering tussen mondhygiënisten in maatschapsovereenkomst

In deze zaak, die zich afspeelt in de Rechtbank Noord-Holland, is er een incident aanhangig gemaakt door [eiseres], een mondhygiëniste, tegen [gedaagde], haar collega en medevennoot in een kostenmaatschap. De procedure betreft een afwijzing van een provisionele vordering die door [eiseres] is ingediend. De vordering houdt in dat alle nieuwe patiënten zonder voorkeur aan [eiseres] moeten worden toebedeeld, tot zij een gelijk aantal patiënten heeft als [gedaagde]. Daarnaast vordert [eiseres] aanpassing van het telefonisch keuzemenu en medewerking van [gedaagde] aan de beëindiging van het ICT-beheer door de echtgenoot van [gedaagde]. De rechtbank heeft de vorderingen van [eiseres] afgewezen, omdat niet is aangetoond dat er een rechtsgeldige afspraak bestaat over de 2:1 patiëntenverdeling en omdat de gevraagde aanpassingen niet als voorlopige voorzieningen kunnen worden toegewezen. De rechtbank oordeelt dat er onvoldoende dringend belang is voor de gevraagde voorzieningen en dat de belangen van [gedaagde] zwaarder wegen. De zaak zal op 25 februari 2026 weer op de rol komen voor een conclusie van antwoord in de hoofdzaak.

Uitspraak

RECHTBANK Noord-Holland

Civiel recht
Zittingsplaats Alkmaar
Zaaknummer: C/15/372345 / HA ZA 25-779
Vonnis in incident van 14 januari 2026
in de zaak van
[eiseres],
te [woonplaats] ,
eisende partij in de hoofdzaak,
eisende partij in het incident,
hierna te noemen: [eiseres] ,
advocaat: mr. B.M. Breedijk,
tegen
[gedaagde],
te [woonplaats] ,
gedaagde partij in de hoofdzaak,
verwerende partij in het incident,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. P.F. Keuchenius.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding tevens houdende een provisionele vordering met producties 1-33
- de akte depot van 3 december 2025 (USB stick, productie 25 bij dagvaarding)
- de conclusie van antwoord in het incident met producties 1-10.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2.De feiten

2.1.
[eiseres] en [gedaagde] zijn mondhygiënisten. Zij zijn samen een kostenmaatschap aangegaan, strekkende tot het gezamenlijk delen van kosten die voortvloeien uit de tussen hen gesloten maatschapsovereenkomst, gedateerd 5 februari 2005.
2.2.
De maatschap draagt de naam: [de maatschap] Alkmaar.
2.3.
In de maatschapsovereenkomst is het volgende vermeld, voor zover van belang:
“Het adres van de praktijkwoning:[adres] , [postcode] te Alkmaar.
Beide maatschapvennoten zijn ieder voor 50% eigenaar van deze praktijkwoning, en dragen ieder voor 50% bij in de kosten van de aanschaf voor inboedel en inventaris. (…) De kosten die worden gemaakt voor de telefoon en abonnement en voor de aanschaf van kantoorartikelen worden eveneens voor 50% gedeeld.
(…)
Nieuwe patiënten die zich aanmelden zullen om en om worden verdeeld.
(…)
Wanneer één van de maatschapvennoten deze overeenkomst wil beëindigen dan:
1. Heeft de andere vennoot de eerste mogelijkheid tot de koop van het hele pand inclusief de praktijk
2. Is het mogelijk om het 50% van de praktijk te verhuren aan een derde, de andere vennoot heeft inspraak in de nieuwe huurder.
3. Na overleg vennoot 50% van de praktijkwoning verkopen.
(…)
Bevoegdheden:
Ieder van beide vennoten is bevoegd namens de maatschap te handelen echter met deze beperking dat medewerking van beide vennoten vereist is voor: (…) b. het doen van investeringen (…).”
2.4.
In 2020 zijn partijen gestart met gesprekken over aanpassing van de maatschapsovereenkomst. Bij [eiseres] was er onder meer onvrede over de ongelijkheid in de grootte van het patiëntenbestand: de patiëntenaantallen bij [gedaagde] waren hoger geworden dan bij [eiseres] .
2.5.
[eiseres] heeft bij e-mail van 28 november 2020 aan [gedaagde] voorgesteld om het (contractueel bepaalde) om-en-om verdelen van nieuwe patiënten te veranderen in een 2:1 verhouding totdat [eiseres] een gelijk aantal patiënten had bereikt. Daarna zou de om-en-om verdeling weer worden aangehouden. [gedaagde] heeft daarmee mondeling ingestemd.
2.6.
In december 2020 is het aantal patiënten geïnventariseerd en zijn partijen gaan werken met diverse soorten lijsten met patiënten. In 2021 is een start gemaakt met de 2:1 patiëntenverdeling.
2.7.
[gedaagde] heeft [eiseres] op 7 maart 2021 het volgende gemaild:
“Naar aanleiding van het gesprek van gisteren bedacht ik mij dat het zakelijk gezien niet correct is dat je de 2:1 patienten-verdeling al van kracht hebt gemaakt. Deze is onderdeel van het nieuwe contract/reglement, wat de inzet van het gesprek van ons beide is. Aangezien deze nog niet is getekend kan deze regeling dan ook nog niet ingaan. Tot die tijd blijft alles gewoon zoals de afspraken zijn.”
2.8.
Er waren ook nog andere geschilpunten tussen partijen over de samenwerking. Om tot een oplossing te komen hebben partijen twee verschillende mediationtrajecten gevolgd, in 2020/2021 en in 2023/2024, zonder succes.
2.9.
Bij e-mail van 18 september 2024 heeft [eiseres] aan [gedaagde] het volgende geschreven, voor zover van belang:
“Tijdens ons laatste mediationgesprek op 23-08-2024 heb jij duidelijk aangegeven de samenwerking te willen verbreken en onze overeenkomst te willen beëindigen. Dit is door [naam 1] ook opgenomen in zijn laatste verslag. Ik vind dat uiteraard uiterst teleurstellend omdat er veel tijd en geld is gestoken in het mediationtraject welke nu vroegtijdig is afgebroken. Persoonlijk had ik gehoopt er nog uit te kunnen komen en goede afspraken te maken maar dat is niet gelukt. (…)Omdat het inmiddels wel duidelijk is dat wij samen geen goede gesprekspartners kunnen zijn, is het mijns inziens noodzakelijk dat wij allebei een adviseur in de hand nemen die onze belangen behartigen en samen tot een ontvlechting van pand en praktijk komen. Wij zijn nooit tot andere afspraken gekomen dus we zullen wat dat betreft onze maatschapsovereenkomst moeten volgen. Graag wil ik het gewoon op basis van de gemaakte afspraken afwikkelen en ik denk dus dat het heel goed is als we daar allebei iemand voor inschakelen. (…)”
2.10.
[gedaagde] heeft daarop bij e-mail van 24 september 2024 als volgt geantwoord:
“Ik heb je mail ontvangen. Het is jammer dat jij de mediation bent gestopt, waarmee er nu ook geen vaststellingsovereenkomst is gekomen. Alle aangeleverde stukken gaan via mij.”
2.11.
[eiseres] heeft op 25 september 2024 de volgende reactie gemaild:
“Ik wil nog wel even reageren op wat je zegt over de mediation. Deze was feitelijk al gestopt toen jij aangaf de samenwerking te willen verbreken. Ik heb er alleen voor gekozen om de mediator niet te betrekken bij een mogelijke vaststellingsovereenkomst omdat ik dat liever bij 2 onafhankelijke adviseurs/experts wilde neerleggen. Zelf vind ik het ook jammer dat de daadwerkelijke mediation niet is gelukt (...)”
2.12.
Op 9 oktober 2024 heeft [gedaagde] aan [eiseres] een schriftelijk voorstel gedaan om binnen de maatschapsovereenkomst tot een oplossing te komen, te weten de praktijken technisch zoveel mogelijk splitsen (werkdagen en administraties).
2.13.
Vervolgens zijn er tussen partijen en hun advocaten eind 2024/begin 2025 diverse contacten en besprekingen geweest over het splitsingsvoorstel en de geschilpunten.

3.Het geschil in de hoofdzaak

3.1.
In de hoofdzaak vordert [eiseres] - samengevat - dat de rechtbank bij vonnis:
primair
I. voor recht verklaart dat de tussen [gedaagde] en [eiseres] bestaande samenwerkingsovereenkomst is opgezegd, althans deze overeenkomst ontbindt op een zodanige wijze dat [gedaagde]
a. haar praktijkruimte binnen zes maanden na het vonnis zal hebben verlaten en
b. binnen twee maanden na het vonnis haar onverdeelde helft van de onroerende zaak aan de [adres] aan [eiseres] zal aanbieden voor een door de rechtbank aan te wijzen taxateur te bepalen bedrag en aansluitend
c. binnen een maand, bij/na aanvaarding door [eiseres] haar medewerking te verlenen aan de levering van haar aandeel in het registergoed aan [eiseres] , waaronder begrepen het ondertekenen van de akte van levering en het verlenen van medewerking aan de notariële afwikkeling met bepaling dat, indien en voor zover [gedaagde] in gebreke blijft om haar medewerking te verlenen aan de levering van haar aandeel in het registergoed aan [eiseres] , het vonnis in de plaats treedt van de voor die rechtshandeling vereiste wilsverklaring of medewerking van [gedaagde] , als bedoeld in artikel 3:300 van het Burgerlijk Wetboek (BW);
II. [gedaagde] veroordeelt om binnen zes maanden na het vonnis haar volledige medewerking te verlenen aan de afwikkeling van de gevolgen van de beëindiging van de samenwerking, waaronder het treffen van een finale afrekening en het overdragen van eventueel gezamenlijk roerende zaken, met bepaling dat [eiseres] aan [gedaagde] een vergoeding moet betalen gelijk aan de boekhoudkundige waarde;
III. zo nodig nadere voorzieningen treft omtrent de wijze van verdeling, waardering, betaling en levering, alsmede omtrent de afwikkeling van eventuele overige onderlinge verplichtingen voortvloeiende uit de gemeenschap;
IV. [gedaagde] veroordeelt aan [eiseres] te vergoeden de door haar geleden schade van € 76.961,00, te vermeerderen met de wettelijke rente en de buitengerechtelijke incassokosten van € 1.868,98, althans een in goede justitie te bepalen - voor zover nodig op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet - schadebedrag, die het gevolg is van:
het niet nakomen van de 2:1 afspraak die vanaf 1 januari 2021 tussen partijen gold alsmede;
de in verband met de eenzijdige handelwijze tot ontvlechting door [eiseres] gemaakte kosten;
V. een dwangsom aan de veroordelingen verbindt;
subsidiair
I. bepaalt dat alle nieuwe patiënten, die geen voorkeur voor één van de mondhygiënisten hebben uitgesproken, worden toebedeeld aan [eiseres] , tot zij evenveel, althans 913 unieke patiënten heeft;
II. [gedaagde] beveelt om binnen tien werkdagen na betekening van het vonnis haar volledige medewerking te verlenen aan het realiseren en in stand houden van een aanpassing in het keuzemenu van [de maatschap] , in die zin dat de volgorde van de opties als volgt wordt vastgesteld:
(1) Nieuwe patiënten zonder behandelaarsvoorkeur;
(2) [eiseres] ;
(3) [gedaagde] ;
(4) [naam 2] ;
IIIa. [gedaagde] beveelt om binnen tien werkdagen na betekening van het vonnis haar volledige medewerking te verlenen aan beëindiging van het beheer door [echtgenoot van gedaagde] h.o.d.n. ServerTarget/MediaTarget van na te melden digitale voorzieningen van de mondhygiënistenpraktijken van [gedaagde] en [eiseres] , waaronder tevens begrepen een eventueel noodzakelijke opzegging van met [echtgenoot van gedaagde] h.o.d.n. ServerTarget/MediaTarget gesloten overeenkomsten, betreffende:
1) het beheer van de website, inclusief de daaraan gekoppelde e-mailadressen
2) VoIP-diensten
3) het CRM-systeem,
IIIb. welk handelen van [gedaagde] ertoe leidt dat alle bijbehorende wachtwoorden/inloggegevens ter beschikking worden gesteld aan ICT bedrijf ENCIS ICT te Hoorn of een nader door de rechtbank aan te wijzen ICT bedrijf, met bepaling dat dit ICT bedrijf het beheer over deze gemeenschappelijke voorzieningen zal voortzetten;
IV. een dwangsom aan de veroordelingen verbindt;
V. [gedaagde] veroordeelt aan [eiseres] te vergoeden de door haar geleden schade van € 76.961,00, te vermeerderen met de wettelijke rente en de buitengerechtelijke incassokosten van € 1.868,98, althans een in goede justitie te bepalen - voor zover nodig op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet - schadebedrag, die het gevolg is van:
het niet nakomen van de 2:1 afspraak die vanaf 1 januari 2021 tussen partijen gold alsmede;
de in verband met de eenzijdige handelwijze tot ontvlechting door [eiseres] gemaakte kosten.
3.2.
[eiseres] legt aan de primaire vorderingen ten grondslag dat uit de mededelingen en gedragingen van [gedaagde] moet worden afgeleid dat [gedaagde] de samenwerkings-overeenkomst heeft opgezegd, althans de facto heeft beëindigd. Als geen sprake is van een rechtsgeldige opzegging, is er volgens [eiseres] aanleiding om de samenwerkingsovereenkomst te ontbinden wegens wanprestatie van [gedaagde] en/of gewichtige redenen ex artikel 7A:1684 BW. [gedaagde] heeft de samenwerking namelijk zodanig uitgehold, onder andere door het zonder overleg wijzigen van de digitale infrastructuur, dat zij tekort is geschoten in de nakoming van de (op gelijkwaardigheid gebaseerde) samenwerkingsovereenkomst. Deze tekortkoming rechtvaardigt dat [eiseres] op grond van deze overeenkomst aanspraak maakt op het recht tot uitkoop van [gedaagde] . Daarnaast maakt [eiseres] aanspraak op schadevergoeding.
3.3.
[eiseres] grondt haar subsidiaire vorderingen op nakoming van de met [gedaagde] gemaakte afspraak dat meer nieuwe patiënten aan [eiseres] worden toebedeeld, in een verdeling van 2:1. Deze afspraak is gemaakt om het aantal behandelde patiënten naar een gelijkwaardig niveau terug te brengen en zo de achterstand in praktijkomvang te nivelleren. Om de inhaalslag te kunnen verwezenlijken moeten alle nieuwe patiënten zonder behandelaarsvoorkeur aan [eiseres] worden toebedeeld, tot zij evenveel, althans 913 unieke patiënten heeft. Verder stelt [eiseres] dat voor een objectief verifieerbare controle van het aantal nieuwe patiënten de ICT-systemen die betrekking hebben op het gezamenlijk deel van de onderneming van partijen (inclusief telefoonsysteem VoIP, de website, het e-mailadres en het CRM-systeem) moeten worden ondergebracht bij een onafhankelijk ICT bedrijf, zoals ENCIS ICT. [eiseres] is op dit moment voor de inrichting van deze ICT-systemen afhankelijk van [echtgenoot van gedaagde] , de echtgenoot van [gedaagde] , die deze systemen beheert. Die afhankelijkheid moet volgens [eiseres] eindigen, omdat zij ten aanzien van de invulling en wijziging van de ICT-systemen, waaronder de website [naam website] , geen enkele inspraak heeft. In verband met de uitbesteding van de ICT-systemen aan een derde partij zal er volgens de samenwerkingsovereenkomst gezamenlijk opdracht moeten worden verstrekt tot het doen van deze investering. [eiseres] verlangt dat [gedaagde] wordt gelast hieraan op straffe van verbeurte van een dwangsom medewerking te verlenen.
Verder stelt [eiseres] recht en belang te hebben bij een vordering tot aanpassing van het per 1 januari 2025 ingegane telefonisch keuzemenu, zodanig dat de optie ‘nieuwe patiënten zonder behandelaarsvoorkeur’ als eerste keuzemogelijkheid wordt aangeboden (in plaats van de optie ‘ [gedaagde] ’), met achtereenvolgens de opties (2) [eiseres] , (3) [gedaagde] en (4) [naam 2] . Nieuwe patiënten zullen bij het horen van het 18 seconden durend telefonisch keuzemenu namelijk niet de hele rit uitzitten maar de eerste optie kiezen. Een en ander blijkt ook, aldus [eiseres] , uit het beperkt aantal nieuwe patiënten dat zij in 2025 heeft gekregen in vergelijking met andere jaren.

4.Het geschil in het incident

4.1.
Onder verwijzing naar haar toelichting op de subsidiaire vorderingen in de hoofdzaak stelt [eiseres] belang te hebben bij een provisionele voorziening ten aanzien van:
het toedelen van alle nieuwe patiënten zonder voorkeur aan [eiseres] ;
het telefonisch keuzemenu;
diverse aanpassingen met betrekking tot het ICT-beheer, waaronder uitbesteding van telefonie, de website en het CRM-systeem aan een ander ICT bedrijf.
4.2.
In het incident vordert [eiseres] - samengevat - dat de rechtbank bij vonnis:
I. bepaalt dat alle nieuwe patiënten, die geen voorkeur voor één van de mondhygiënisten hebben uitgesproken, worden toebedeeld aan [eiseres] , tot zij 913 unieke patiënten heeft;
II. [gedaagde] beveelt om binnen tien werkdagen na het vonnis haar volledige medewerking te verlenen aan het realiseren en gedurende de duur van deze procedure in stand houden van een aanpassing in het keuzemenu van [de maatschap] , in die zin dat de volgorde van de opties als volgt wordt vastgesteld:
(1) Nieuwe patiënten zonder behandelaarsvoorkeur;
(2) [eiseres] ;
(3) [gedaagde] ;
(4) [naam 2] ;
IIIa. [gedaagde] beveelt om binnen tien werkdagen na betekening van het vonnis haar volledige medewerking te verlenen aan beëindiging van het beheer door [echtgenoot van gedaagde] h.o.d.n. ServerTarget/MediaTarget van na te melden digitale voorzieningen van de mondhygiënistenpraktijken van [gedaagde] en [eiseres] , waaronder tevens begrepen een eventueel noodzakelijke opzegging van met [echtgenoot van gedaagde] h.o.d.n. ServerTarget/MediaTarget gesloten overeenkomsten, betreffende:
1) het beheer van de website, inclusief de daaraan gekoppelde e-mailadressen
2) VoIP-diensten
3) het CRM-systeem,
IIIb. welk handelen van [gedaagde] ertoe leidt dat alle bijbehorende wachtwoorden/inloggegevens ter beschikking worden gesteld aan ICT bedrijf ENCIS ICT te Hoorn of een nader door de rechtbank aan te wijzen ICT bedrijf, met bepaling dat dit ICT bedrijf het beheer over deze gemeenschappelijke voorzieningen zal voortzetten;
IV. een dwangsom aan de veroordelingen verbindt.
4.3.
[gedaagde] voert verweer tegen de vorderingen van [eiseres] en concludeert tot afwijzing daarvan.

5.De beoordeling in het incident

5.1.
[eiseres] baseert haar vordering op artikel 223 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). Artikel 223 Rv biedt partijen de mogelijkheid om in een aanhangige procedure (de hoofdprocedure) te vorderen dat de rechter een voorlopige voorziening zal treffen voor de duur van de hoofdprocedure (ook wel aangeduid als een provisionele vordering). Aan het vereiste dat de provisionele vordering moet samenhangen met de hoofdprocedure is in dit geval voldaan.
5.2.
Het karakter van een voorlopige voorziening in de zin van artikel 223 Rv brengt mee dat eisende partij in het incident, in dit geval [eiseres] , een zodanig dringend belang bij de gevraagde voorziening moet hebben, dat van haar niet kan worden gevergd dat zij de afloop van de hoofdprocedure afwacht. Bij een beslissing op de vordering dient het belang van [eiseres] bij toewijzing van de vordering te worden afgewogen tegen het belang van [gedaagde] om de afloop van de procedure af te wachten. Bij die belangenafweging moeten alle omstandigheden van het geval worden betrokken, waaronder de te verwachten duur van het geding, het eventuele restitutierisico en de mate van aannemelijkheid van een toewijzing van de vordering in de hoofdprocedure.
5.3.
Wat betreft de vordering van [eiseres] dat alle nieuwe patiënten zonder voorkeur aan haar moeten worden toebedeeld, tot zij 913 unieke patiënten heeft, overweegt de rechtbank als volgt. [eiseres] baseert deze vordering op de stelling dat vanaf 1 januari 2021 een afspraak bestaat dat de contractuele om-en-om verdeling van nieuwe patiënten is gewijzigd in een 2:1 verdeling om de patiëntenaantallen van [eiseres] omhoog te krijgen en daarmee de ontstane scheefstand recht te trekken.
5.4.
[gedaagde] heeft gemotiveerd betwist dat deze afspraak bestaat. [gedaagde] erkent dat zij er mondeling mee heeft ingestemd om tijdelijk aan een 2-op-1 verdeling mee te werken, maar dit deed zij in het kader van de gesprekken (deels tijdens de mediation) die partijen op dat moment voerden over de wijze waarop zij verder zouden samenwerken. [gedaagde] voert daarbij aan dat het contract niet is gewijzigd en dat zij geen afstand heeft gedaan van haar bevoegdheid om daarop een beroep te doen. Haar bereidwilligheid stond in het teken van geschilbeslechting en hing samen met andere te maken afspraken. Gezien haar duidelijke uitlatingen hierover heeft [eiseres] , aldus [gedaagde] , redelijkerwijs nooit kunnen begrijpen dat de 2:1 verdeling zonder contractwijziging al in zou gaan. [gedaagde] voert verder aan dat de vordering praktisch onuitvoerbaar is in verband met de onzekerheden die verbonden zijn aan het bijhouden van lijstjes van patiënten.
5.5.
De rechtbank wijst dit deel van de vordering af. Gelet op de gemotiveerde betwisting van [gedaagde] van de gestelde nivelleringsafspraak, kan in dit stadium van de procedure niet met voldoende mate van zekerheid worden aangenomen dat het standpunt van [eiseres] over de toedeling van alle nieuwe patiënten aan haar de juiste is en dat het (subsidiair) in de hoofdzaak gevorderde dus zal worden toegewezen. Daarbij betrekt de rechtbank dat [eiseres] het gestelde aantal van 913 patiënten (nog) niet heeft onderbouwd. Evenmin heeft zij toegelicht hoe de door haar verlangde werkwijze uitvoering moet krijgen. Er moet in de hoofdzaak daarom nader onderzoek, mede op basis van de mondelinge behandeling, plaatsvinden. In afwachting daarvan ziet de rechtbank, de belangen van partijen afwegende, geen rechtvaardiging voor toewijzing van de gevorderde voorziening.
5.6.
[eiseres] vordert verder aanpassing van het telefonisch telefoonkeuzemenu door de volgorde daarvan te wijzigen.
5.7.
[gedaagde] erkent dat het keuzemenu per 1 januari 2025 is gewijzigd. Volgens [gedaagde] is daarbij aangesloten bij de volgorde op de website, die altijd al is geweest met een 1 voor [gedaagde] en een 2 voor [eiseres] . [gedaagde] heeft op zichzelf geen principiële bezwaren tegen wijziging van de volgorde, maar dat rechtvaardigt volgens haar nog geen veroordeling op dit punt vanwege het ontbreken van enige vorm van behoorlijk overleg voorafgaand aan de dagvaarding.
5.8.
De rechtbank volgt [gedaagde] hierin. Het verzoek van [eiseres] om de volgorde van het keuzemenu aan te passen kan, zoals [gedaagde] terecht aanvoert, (alsnog) buiten rechte worden besproken en bij een verschil van mening kan het debat verder in de hoofdzaak worden gevoerd. [eiseres] heeft niet gemotiveerd gesteld dat zij een zodanig dringend belang heeft bij de provisionele vordering dat de uitkomst van de hoofdzaak niet kan worden afgewacht en dat een belangenafweging in haar voordeel zou moeten uitvallen. De enkele stelling van [eiseres] dat zij als gevolg van de nieuwe inrichting van het keuzemenu in 2025 minder nieuwe klanten heeft gekregen (en deze naar [gedaagde] zijn gegaan), is daartoe onvoldoende.
5.9.
De overige vorderingen betreffen diverse aanpassingen van de ICT van de kostenmaatschap. Kort gezegd vordert [eiseres] medewerking van [gedaagde] aan de beëindiging van het beheer van de ICT door het bedrijf van [echtgenoot van gedaagde] , de echtgenoot van [gedaagde] , en dat [gedaagde] alle wachtwoorden/inloggegevens ter beschikking moet stellen aan een ander, door de rechtbank aan te wijzen, ICT bedrijf.
5.10.
[gedaagde] voert hiertegen aan dat [eiseres] niet heeft aangetoond dat [echtgenoot van gedaagde] met zijn bedrijf in enigerlei opzicht tekortschiet met zijn (kosteloze) werkzaamheden voor de maatschap. [gedaagde] begrijpt dat [eiseres] wegens – onterecht – wantrouwen niet afhankelijk wil zijn van [echtgenoot van gedaagde] , maar volgens haar heeft [eiseres] wel altijd vrijwillig van zijn diensten gebruik gemaakt. Daarbij benadrukt [gedaagde] dat zij de maatschapsovereenkomst niet heeft opgezegd. Verder voert [gedaagde] aan dat [eiseres] vaart maakt met het in orde maken van haar eigen ICT-omgeving (eigen website, eigen domein, eigen e-mailadres) waarna het gebruik van gezamenlijke ICT kan ophouden. Wanneer nu, op stel en sprong, zou moeten worden overgegaan tot de gevorderde acties tot overzetting van de gezamenlijke ICT-omgeving aan een derde zijn daar, aldus [gedaagde] , extra kosten mee gemoeid die zij niet wil dragen en waarmee zij redelijkerwijs ook niet kan worden belast.
5.11.
Gelet op het gemotiveerde verweer van [gedaagde] dat zij niet gehouden kan worden om mee te werken aan het doen van een investering voor het beëindigen en (aan een derde) overdragen van het ICT beheer, staat op dit moment niet voldoende vast dat de vorderingen van [eiseres] op deze punten in de hoofdzaak kunnen worden toegewezen. Naar de tussen partijen in het geschil zijnde feiten en/of omstandigheden zal in de hoofdzaak nader onderzoek, mede op basis van de mondelinge behandeling, moeten plaatsvinden. De rechtbank ziet, de belangen van partijen afwegende, geen grond om vooruitlopend op de beslissing in de hoofdzaak de gevorderde voorzieningen toe te wijzen. Van belang daarbij is dat [eiseres] niet gemotiveerd heeft gesteld dat zij op dit moment bij haar vorderingen voldoende dringend belang heeft, in die zin dat van haar niet kan worden gevergd dat zij de uitkomst van de bodemzaak afwacht. Bovendien zijn de door [eiseres] verlangde beëindiging van het ICT beheer (inclusief opzegging van de met het bedrijf van [echtgenoot van gedaagde] gesloten overeenkomsten) en uitbesteding aan een derde geen voorzieningen die werking hebben voor de duur van het bodemgeschil. Het voorlopige karakter van deze provisionele vorderingen ontbreekt. Ook om die reden moeten deze worden afgewezen. De vordering met betrekking tot medewerking aan overdracht van (inlog)gegevens delen in het lot van deze afwijzing.
5.12.
Nu de incidentele vorderingen van [eiseres] worden afgewezen, zal de daarmee samenhangende vordering om [gedaagde] een dwangsom op te leggen, ook worden afgewezen.
5.13.
[eiseres] wordt als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten in incident. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:
- salaris advocaat € 614,00 (1 punt x tarief II)
- nakosten
€ 178,00(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 792,00

6.De beoordeling in de hoofdzaak

6.1.
De rechtbank zal bepalen dat de zaak weer op de rol zal komen van 25 februari 2026 voor het nemen van een conclusie van antwoord in de hoofdzaak.

7.De beslissing

De rechtbank
in het incident
7.1.
wijst de vorderingen af,
7.2.
veroordeelt [eiseres] in de proceskosten van € 792,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [eiseres] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
in de hoofdzaak
7.3.
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van
woensdag 25 februari 2026voor conclusie van antwoord.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.H. Gisolf en in het openbaar uitgesproken op
14 januari 2026.
ST/JG