ECLI:NL:RBNHO:2026:2257

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
16 februari 2026
Publicatiedatum
5 maart 2026
Zaaknummer
12041826
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:625 BWArt. 6:96 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing loonvordering en wettelijke verhoging na niet-verlenging arbeidsovereenkomst

Eiser was in dienst bij ISMS op basis van een arbeidsovereenkomst voor 12 maanden, ingaande 1 maart 2025, als regio noord operationeel manager. Op 3 november 2025 werd haar medegedeeld dat het contract niet zou worden verlengd. Eiser meldde zich ziek en er ontstond onenigheid over de beëindiging van het dienstverband en de loonbetalingen.

ISMS betaalde het loon door tot 25 januari 2026, maar betaalde het loon over december 2025 te laat. Eiser vorderde betaling van achterstallig loon, wettelijke verhoging, incassokosten, loon tot het einde van het contract, salarisspecificaties en toegang tot werk. ISMS voerde verweer dat er geen achterstallig loon was en dat loonstroken digitaal beschikbaar waren.

De kantonrechter oordeelde dat het dienstverband niet was opgezegd en dat loon doorbetaald moest worden tot 17 maart 2026, de nieuwe overeengekomen einddatum. De te late betaling van december 2025 rechtvaardigde een wettelijke verhoging. Eiser had geen digitale toegang tot loonstroken, waardoor ISMS werd veroordeeld tot verstrekking van salarisspecificaties met dwangsom. Incassokosten werden toegewezen wegens noodzakelijke correspondentie.

ISMS werd veroordeeld tot betaling van het loon tot 17 maart 2026, wettelijke verhoging, incassokosten, proceskosten en het verstrekken van salarisspecificaties. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: ISMS is veroordeeld tot betaling van loon, wettelijke verhoging, incassokosten, proceskosten en verstrekking van salarisspecificaties aan eiser.

Uitspraak

RECHTBANKNOORD-HOLLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Haarlem
Zaaknummer: 12041826 \ VV EXPL 26-1
Vonnis in kort geding van 16 februari 2026
in de zaak van
[eiser],
te [plaats],
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser],
gemachtigde: mr. J. Zoutberg,
tegen
INTERNATIONAL SECURITY MANAGEMENT SERVICES B.V.,
te Alblasserdam,
gedaagde partij,
hierna te noemen: ISMS,
gemachtigde: mr. E. Köse.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 22 januari 2026 met producties
- de mondelinge behandeling van 2 februari 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt en
- de akte wijziging eis van 2 februari 2026 met producties
- de pleitnota van ISMS.
1.2.
Op verzoek van [eiser] is deze zaak gelijktijdig behandeld met haar voorwaardelijk verzoek tot vernietiging van de opzegging door ISMS (aanhangig onder zaaknummer 12045804 AO VERZ 26-1), welk verzoek [eiser] ter zitting (met instemming van ISMS) heeft ingetrokken.
1.3.
Ten slotte is de vonnisdatum bepaald op vandaag.

2.Feiten

2.1.
Volgens een schriftelijke arbeidsovereenkomst zijn partijen een arbeidsovereenkomst aangegaan voor de duur van 12 maanden, ingaande op 1 maart 2025, uit hoofde waarvan [eiser] bij ISMS in dienst is getreden in de functie van regio noord operationele Manager, laatstelijk met een salaris van € 4.953,60 bruto per vier weken op basis van 32 uur per week.
2.2.
In een gesprek op 3 november 2025 heeft ISMS [eiser] verteld dat haar contract na afloop van de overeengekomen duur niet zou worden verlengd. [eiser] is direct daarna naar huis gegaan en heeft haar laptop en mobiele telefoon op kantoor achtergelaten.
2.3.
In whatsappberichten en een e-mail van 3 november 2025 heeft [eiser] aan ISMS bericht dat zij nog steeds in shock is van het nieuws en niet meer weet wat er in het gesprek gezegd is en welke opties haar zijn gegeven.
2.4.
Bij e-mail van 3 november 2025 heeft ISMS aangekondigd dat [eiser] een vaststellingsovereenkomst en een voorstel voor haar laatste werkdag wordt toegestuurd. Verder is [eiser] geïnformeerd dat haar opdrachtgevers en stakeholders over haar vertrek op de hoogte zijn gebracht.
2.5.
Bij e-mail van 6 november 2025 heeft [eiser] zich ziek gemeld.
2.6.
In de daarop volgende correspondentie tussen (de gemachtigden van) partijen heeft ISMS zich op het standpunt gesteld dat [eiser] het dienstverband in het gesprek op 3 november 2025 direct heeft beëindigd en heeft [eiser] betwist dat zij het dienstverband heeft beëindigd.
2.7.
Op 5 december 2025 heeft ISMS het salaris over de periode van 3 november 2025 tot en met 30 november 2025 (periode 12) aan [eiser] betaald.
2.8.
Op 15 januari 2026 heeft ISMS het salaris over de periode van 1 december tot en met 28 december 2025 (periode 13) aan [eiser] betaald.
2.9.
Op 30 januari 2026 heeft ISMS het salaris over de periode van 29 december tot en met 25 januari 2026 (periode 1) aan [eiser] betaald.

3.Het geschil

3.1.
[eiser] vordert - samengevat en na eiswijziging - dat de kantonrechter ISMS veroordeelt:
i) om aan [eiser] te betalen € 2.476,80 bruto aan achterstallig loon;
ii) om aan [eiser] te betalen € 2.575,87 bruto aan wettelijk verhoging;
iii) om aan [eiser] te betalen vanaf week 1 van 2026 het loon van € 4.953,60 bruto per vier weken tot het moment waarop de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig zal zijn geëindigd, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover;
iv) om aan [eiser] te betalen € 870,16 aan buitengerechtelijke incassokosten;
v) om [eiser] onmiddellijk na de hersteldmelding toe te laten tot de bedongen arbeid, op straffe van een dwangsom;
vi) om binnen drie dagen na de datum van het vonnis salarisspecificaties over de weken 10 tot en met 28 aan [eiser] te verstrekken, op straffe van een dwangsom;
vii) om voor de maanden januari 2026 en februari 2026 uiterlijk binnen een week na de betreffende salarisbetaling een salarisspecificatie te verstrekken, op straffe van een dwangsom;
viii) in de proceskosten.
3.2.
ISMS heeft op de zitting mondeling verweer gevoerd. ISMS concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eiser], met veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure. ISMS voert aan dat op geen enkel moment sprake is geweest van achterstallig loon, waardoor er ook geen grond is voor toewijzing van de wettelijke verhoging en buitengerechtelijke incassokosten. De vordering terzake de salarisspecificaties moet ook worden afgewezen omdat [eiser] daartoe steeds digitaal toegang heeft gehad. De gevorderde tewerkstelling moet worden afgewezen vanwege de vrees dat de terugkeer van [eiser] tot veel commotie op de werkvloer zal leiden. Deze omstandigheden wegen zwaarder dan een eventueel belang van [eiser] om nog tot de einddatum van haar contract de bedongen arbeid te verrichten.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
De vordering in kort geding kan alleen worden toegewezen als [eiser] daarbij een spoedeisend belang heeft. Dat is het geval, nu het hier gaat om een loonvordering en daaraan gerelateerde nevenvorderingen.
De arbeidsovereenkomst is niet opgezegd en het loon is doorbetaald
4.2.
Ter zitting heeft ISMS verklaard dat de arbeidsovereenkomst niet op 3 november 2025 is opgezegd door [eiser] of ISMS en dat de arbeidsovereenkomst na die datum is blijven bestaan en het loon is doorbetaald. [eiser] heeft op haar beurt erkend dat ISMS vanaf 3 november 2025 het overeengekomen loon heeft betaald, maar [eiser] heeft erop gewezen dat het loon over de periode 1 december 2025 tot en met 28 december 2025 (periode 13) te laat is betaald.
Loonvordering
4.3.
De vordering tot betaling van achterstallig loon heeft betrekking op de periode van
1 maart 2025 tot 17 maart 2025. [eiser] heeft dit deel van de vordering ter zitting ingetrokken naar aanleiding van de toezegging van ISMS dat het loon wordt door betaald tot de datum waarop de arbeidsovereenkomst van rechtswege eindigt. Dit is volgens ISMS
17 maart 2026, omdat partijen mondeling zijn overeengekomen dat de arbeidsovereenkomst voor de duur van één jaar is aangevangen op 17 maart 2025 (in plaats van 1 maart 2025). Ter zitting heeft [eiser] deze nadere afspraak erkend. Hierdoor eindigt de arbeidsovereenkomst op 17 maart 2026. Op de zitting zijn partijen overeengekomen dat [eiser] tot die datum is vrijgesteld van werkzaamheden met behoud van loon. De vordering tewerkstelling heeft [eiser] ingetrokken. De gevorderde loonbetaling onder iii (zie 3.1.) zal daarom worden toegewezen als na te melden in de beslissing.
4.4.
Gelet op het voorgaande beperkt de beoordeling zich verder nog tot de navolgende posten.
Wettelijke verhoging
4.5.
De gevorderde wettelijke verhoging van € 1.337,47 bruto heeft betrekking op het loon over de periode van 1 december 2025 tot en met 28 december 2025 (periode 13). Volgens [eiser] is het loon te laat (op 15 januari 2026) betaald, omdat er op grond van artikel 4 van Pro de arbeidsovereenkomst op 2 januari 2026 betaald had moeten zijn.
4.6.
Aangezien ISMS erkent dat het loon te laat is betaald, is op grond van artikel
7:625 BW wettelijke verhoging verschuldigd. De kantonrechter ziet in de door ISMS aangevoerde (maar niet onderbouwde) omstandigheden geen aanleiding de wettelijke verhoging te matigen. Dat betekent dat ISMS zal worden veroordeeld tot betaling aan [eiser] van de wettelijke verhoging over het loon van periode 13 en dat het door [eiser] gevorderde bedrag van € 1.337,47 als onbetwist zal worden toegewezen.
Salarisspecificaties
4.7.
[eiser] heeft de vordering betreffende de loonstroken over de weken 10 t/m 28 2025ingetrokken, omdat zij die inmiddels van ISMS heeft ontvangen. De vordering om ISMS te veroordelen om de loonstroken voor de maanden januari en februari 2026 te verstrekken, zal worden toegewezen. [eiser] heeft immers betwist dat zij de stroken digitaal kan inzien, zoals ISMS had aangevoerd. [eiser] heeft in dat verband toegelicht dat zij gedurende haar gehele dienstverband geen toegang tot het digitale systeem kreeg en dat meermaals bij ISMS heeft aangekaart, om welke reden ISMS haar regelmatig zelf afschrift van de stroken heeft verstrekt, zoals recent ook is gebeurd met de stroken over eerder genoemde periode. De kantonrechter ziet in de (proces-)houding van ISMS aanleiding om aan de veroordeling een dwangsom te verbinden zoals hierna vermeld.
Buitengerechtelijke incassokosten
4.8.
[eiser] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW Pro en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). [eiser] heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht, die eruit bestaan dat (de gemachtigde van) [eiser] ISMS meermaals vruchteloos heeft verzocht te bevestigen dat het dienstverband na 3 november 2025 is blijven bestaan en dat het loon zou worden doorbetaald. [eiser] heeft daarom recht op een vergoeding voor de kosten van die werkzaamheden. Omdat [eiser] geen ondernemer is, wordt de vergoeding verhoogd met btw. Daarom zal een vergoeding, begroot op basis van het toe te wijzen bedrag, van € 242,75 worden toegewezen.
Proceskosten
4.9.
Pas op de zitting heeft ISMS haar herziene standpunt met betrekking tot de arbeidsovereenkomst kenbaar gemaakt. [eiser] heeft ISMS daarom terecht gedagvaard om haar verplichtingen op die grond na te komen. ISMS moet daarom de proceskosten betalen.
De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
155,02
- griffierecht
265,00
- salaris gemachtigde
865,00
Totaal
1.285,02

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
veroordeelt ISMS om aan [eiser] te betalen het loon van € 4.953,50 bruto per vier weken over de periode 26 januari 2026 tot 17 maart 2026,
5.2
veroordeelt ISMS om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 1.337,47 bruto,
5.3.
veroordeelt ISMS om een deugdelijke salarisspecificatie over januari 2026 aan [eiser] te verstrekken binnen twee weken na de datum van dit vonnis, en een deugdelijke salarisspecificatie over februari 2026 aan [eiser] te verstrekken binnen twee weken na de betreffende salarisbetaling, op verbeurte van een dwangsom van € 50,- voor iedere dag of gedeelte van een dag dat ISMS niet aan deze veroordeling voldoet, met een maximum van
€ 2.500,-,
5.4.
veroordeelt ISMS om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 242,75 aan buitengerechtelijke kosten,
5.5.
veroordeelt ISMS in de proceskosten van € 1.285,02, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
5.6.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. F.J. Lourens en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken door mr. R.I.V. Scherpenhuijsenrom.