Uitspraak
1.De procedure
- de mondelinge behandeling van 2 februari 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt en
- de akte wijziging eis van 2 februari 2026 met producties
- de pleitnota van ISMS.
2.Feiten
3.Het geschil
i) om aan [eiser] te betalen € 2.476,80 bruto aan achterstallig loon;
ii) om aan [eiser] te betalen € 2.575,87 bruto aan wettelijk verhoging;
iv) om aan [eiser] te betalen € 870,16 aan buitengerechtelijke incassokosten;
v) om [eiser] onmiddellijk na de hersteldmelding toe te laten tot de bedongen arbeid, op straffe van een dwangsom;
vi) om binnen drie dagen na de datum van het vonnis salarisspecificaties over de weken 10 tot en met 28 aan [eiser] te verstrekken, op straffe van een dwangsom;
vii) om voor de maanden januari 2026 en februari 2026 uiterlijk binnen een week na de betreffende salarisbetaling een salarisspecificatie te verstrekken, op straffe van een dwangsom;
viii) in de proceskosten.
4.De beoordeling
1 maart 2025 tot 17 maart 2025. [eiser] heeft dit deel van de vordering ter zitting ingetrokken naar aanleiding van de toezegging van ISMS dat het loon wordt door betaald tot de datum waarop de arbeidsovereenkomst van rechtswege eindigt. Dit is volgens ISMS
17 maart 2026, omdat partijen mondeling zijn overeengekomen dat de arbeidsovereenkomst voor de duur van één jaar is aangevangen op 17 maart 2025 (in plaats van 1 maart 2025). Ter zitting heeft [eiser] deze nadere afspraak erkend. Hierdoor eindigt de arbeidsovereenkomst op 17 maart 2026. Op de zitting zijn partijen overeengekomen dat [eiser] tot die datum is vrijgesteld van werkzaamheden met behoud van loon. De vordering tewerkstelling heeft [eiser] ingetrokken. De gevorderde loonbetaling onder iii (zie 3.1.) zal daarom worden toegewezen als na te melden in de beslissing.
7:625 BW wettelijke verhoging verschuldigd. De kantonrechter ziet in de door ISMS aangevoerde (maar niet onderbouwde) omstandigheden geen aanleiding de wettelijke verhoging te matigen. Dat betekent dat ISMS zal worden veroordeeld tot betaling aan [eiser] van de wettelijke verhoging over het loon van periode 13 en dat het door [eiser] gevorderde bedrag van € 1.337,47 als onbetwist zal worden toegewezen.
5.De beslissing
€ 2.500,-,