ECLI:NL:RBNHO:2026:2263

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
18 maart 2026
Publicatiedatum
5 maart 2026
Zaaknummer
C/15/373312
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:78 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering inzage stukken legitieme portie in nalatenschap

In deze civiele zaak vordert eiseres, een van de zussen en legitimaris, inzage in diverse bescheiden van de nalatenschap van haar vader om haar legitieme portie te kunnen berekenen. De vader is overleden en heeft haar onterfd, terwijl de andere zus tot enige erfgenaam en executeur is benoemd.

Eiseres stelt dat zij niet over alle benodigde stukken beschikt en dat gedaagde als executeur en erfgenaam haar verplicht is deze te verstrekken. Gedaagde heeft reeds een groot aantal documenten overgelegd en betwist dat zij verdere stukken achterhoudt.

De rechtbank beoordeelt per gevorderd onderdeel of aan de informatieplicht is voldaan. Zo is vastgesteld dat belastingaangiften, bankafschriften, WOZ-waarden, taxatierapporten, huuropbrengsten, schulden en schenkingen voldoende zijn toegelicht of niet ontbreken. Eiseres heeft onvoldoende concreet onderbouwd welke aanvullende stukken zij mist.

De vordering tot afgifte van aanvullende stukken wordt daarom afgewezen. De proceskosten worden gecompenseerd omdat partijen zussen zijn. De hoofdzaak wordt verwezen naar een latere rolzitting.

Uitkomst: Vordering tot afgifte aanvullende stukken wordt afgewezen; gedaagde heeft aan informatieplicht voldaan.

Uitspraak

RECHTBANK Noord-Holland

Civiel recht
Zittingsplaats Haarlem
Zaaknummer: C/15/373312 / HA ZA 26-2
Vonnis in incident van 18 maart 2026
in de zaak van
[eiser],
te [plaats 1],
eisende partij in de hoofdzaak,
eisende] partij in het incident,
hierna te noemen: [eiser],
advocaat: mr. L. Bosch,
tegen
[gedaagde],
te [plaats 2],
gedaagde partij in de hoofdzaak,
verwerende partij in het incident,
hierna te noemen: [gedaagde],
advocaat: mr. O. Asscher.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding, tevens vordering in incident met de producties 1 tot en met 16
  • de conclusie van antwoord in het incident met producties 1 tot en met 12
  • antwoordakte in het incident van de zijde van [eiser].
1.2.
Vervolgens is vonnis bepaald in het incident.

2.De uitgangspunten

2.1.
Partijen zijn zussen van elkaar. Zij zijn de kinderen van [de man] (vader) en [de vrouw] (moeder). Moeder is overleden op 24 augustus 2016. Zij had bij testament beschikt over haar nalatenschap. Partijen waren samen met hun vader de erfgenamen in de nalatenschap van moeder. Alle erfgenamen hebben die nalatenschap zuiver aanvaard. Uit hoofde van deze nalatenschap kregen [eiser] en [gedaagde] een niet-opeisbare vordering op hun vader, welke vordering zij beiden bij overeenkomst hebben omgezet naar een aflossingsvrije lening met hun vader.
2.2.
Vader heeft op deze lening aan [eiser] eenmaal een bedrag van € 18.000,- afgelost en eenmaal een bedrag van € 20.000,-.
2.3.
Vader is op 22 augustus 2025 overleden. Hij heeft bij testament beslist over zijn nalatenschap. Hij heeft [eiser] onterfd en [gedaagde] benoemd tot zijn enige erfgenaam, alsmede tot executeur.
2.4.
[eiser] heeft aanspraak gemaakt op haar legitieme portie en [gedaagde] om informatie gevraagd over de nalatenschap.
2.5.
[gedaagde] heeft bij e-mail van 11 december 2025 diverse bescheiden toegestuurd aan [eiser].

3.De vordering en de standpunten van partijen

3.1.
In de hoofdzaak vordert [eiser] dat de rechtbank:
I. de omvang van de legitieme massa van erflater vaststelt en de omvang van haar legitieme portie vaststelt,
II. [gedaagde] veroordeelt tot uitbetaling van het thans opeisbare erfdeel van [eiser] in de nalatenschap van moeder,
III. [gedaagde] veroordeelt tot uitbetaling van de legitieme portie van [eiser] in de nalatenschap van vader,
IV. [gedaagde] veroordeelt in de proceskosten, te vermeerderen met nakosten en wettelijke rente.
3.2.
In het incident vordert [eiser] dat de rechtbank [gedaagde] gebiedt om haar taak als executeur en tevens enig erfgenaam na te komen en binnen een in goede justitie te bepalen termijn aan [eiser] te verstrekken:
  • boedelbeschrijving inclusief de onderliggende stukken
  • belastingaangiften van erflater van 2016-2018
  • opgave inboedel en sieraden
  • bankafschriften van alle rekeningen van erflater vanaf 2016 tot heden
  • WOZ beschikkingen 2024, 2025
  • juiste taxatie van de woning per datum overlijden
  • opgave hypotheekschuld per datum overlijden
  • huuropbrengsten appartement behorende bij de woning vanaf 2016 tot heden
  • opgave overige schulden inclusief de onderliggende stukken
  • polis sommen- en/of levensverzekering (indien aanwezig)
  • opgave schenkingen inclusief de onderliggende stukken
dan wel alle informatie die is benodigd ter berekening van het erfdeel en zo nodig de aanvullende legitieme portie van [eiser], op straffe van een dwangsom voor iedere dag dat [gedaagde] hiermee in gebreke blijft.
3.3.
[eiser] legt aan haar vordering ten grondslag dat zij niet beschikt over alle stukken om de omvang van de nalatenschap en legitimaire massa te onderbouwen. Zij benadrukt dat [gedaagde] als executeur en enig erfgenaam alle daarvoor benodigde bescheiden en informatie moet overdragen aan haar en dat zonder de verzochte informatie het voeren van een deugdelijke procedure niet mogelijk is.
3.4.
[gedaagde] voert verweer. Bij haar conclusie van antwoord legt zij een groot aantal bescheiden over. Daarnaast voert zij aan dat zij [eiser] bij e-mail van 11 december 2025 al een groot deel van de door haar gewenste informatie heeft verstrekt, maar dat [eiser] in plaats van het gesprek met haar aan te gaan over wat zij verder nog wenst te ontvangen is overgegaan tot dagvaarden.

4.De beoordeling in het incident

4.1.
Op grond van het bepaalde in artikel 4:78 lid 1 Burgerlijk Pro Wetboek (BW) kan een legitimaris die geen erfgenaam is tegenover de erfgenaam die met het beheer van de nalatenschap is belast aanspraak maken op inzage in dan wel afschrift van alle bescheiden die nodig zijn voor de berekening van de legitieme portie.
[eiser] heeft verzocht om afschrift van diverse bescheiden en [gedaagde] heeft haar inmiddels ook al een grote hoeveelheid stukken verstrekt. In haar antwoordakte heeft [eiser] benadrukt dat [gedaagde] blijft weigeren om de stukken volledig en duidelijk gerangschikt ter beschikking te stellen. Zij handhaaft haar vordering met betrekking tot de volgende posten.
Belastingaangiften van erflater van 2016-2018
4.2.
[gedaagde] heeft bij antwoord als productie 4 de IB aangifte van vader over 2016 overgelegd en als productie 5 een brief van de Belastingdienst van 9 januari 2026 waaruit blijkt dat vader over 2017 en 2018 geen IB-aangifte heeft gedaan.
Daarmee heeft [gedaagde] op dit punt aan haar informatieverplichting voldaan.
Belastingaanslagen van erflater van 2016 – 2018
4.3.
[eiser] heeft niet in haar incidentele vordering om afgifte van de belastingaanslagen gevraagd, zodat de rechtbank dit verder onbesproken laat.
Opgave inboedel en sieraden
4.4.
[gedaagde] heeft over de inboedel verklaard dat de ouders van partijen zolang zij zich kan herinneren over dezelfde inboedel beschikken, dat deze tenminste 30 jaar oud is en gebruiksschade vertoont. Zij heeft verklaard dat de inboedel volgens haar geen economische waarde vertegenwoordigt. Als productie 3 heeft zij foto’s en een zelf opgestelde waardebepaling overgelegd van de inboedel. Daarbij heeft zij verklaard dat zij voor de waardes is uitgegaan van de prijzen die voor vergelijkbare goederen worden gevraagd op marktplaats.nl. Daarbij merkt zij wel op dat de prijzen op Marktplaats richtprijzen zijn en dat goederen in de praktijk voor een lagere prijs worden verkocht.
Zij heeft betwist dat vader in het bezit was van sieraden.
4.5.
[eiser] heeft gesteld dat de opgave van de inboedel niet compleet is omdat daarin in ieder geval een deel van het antiek en zilverwerk en/of een taxatie daarvan ontbreekt.
4.6.
De rechtbank is van oordeel dat [eiser] onvoldoende specifiek heeft aangevoerd welke objecten zij mist in de beschrijving van de inboedel. De algemene aanduiding ‘antiek en zilverwerk’ is daarvoor te weinig concreet. Ook voert [eiser] niet aan om welke sieraden van vader het volgens haar gaat. Bij die stand van zaken moet het er voor dit moment voor worden gehouden dat er op de sterfdatum van vader geen antiek of zilverwerk of sieraden aanwezig waren. Dit deel van haar vordering wordt afgewezen.
Bankafschriften van alle rekeningen van erflater vanaf 2016 tot heden
4.7.
[gedaagde] heeft zowel bij e-mail van 11 december 2025 als bij antwoord een grote hoeveelheid bankafschriften overgelegd van de bankrekeningen van vader bij de Rabobank (2018 tot en met 2025) en bij de ING Bank (2020 tot en met 2025). Zij heeft verklaard dat de banken niet verder teruggaan met bewaren en verstrekken van afschriften.
4.8.
[eiser] heeft benadrukt dat zij belang heeft bij afgifte van de afschriften vanaf 2016 omdat in 2016 de moeder van partijen overleden is en [gedaagde] zich vanaf dat moment opgedrongen heeft aan vader en haar vermogen en dat van vader heeft laten vermengen.
4.9.
De rechtbank is van oordeel dat [eiser] niet heeft weersproken dat het voor [gedaagde] niet meer mogelijk is bankafschriften te verkrijgen over 2016 en 2017. Voorts heeft zij verklaard dat vader onder meer altijd een spaarrekening had, maar in ieder geval blijkt uit de overgelegde IB aangifte 2016 niet dat vader op dat moment nog een spaarrekening had. Een enkel vermoeden van [eiser] dat dit anders moet zijn is niet voldoende. Voor het overige heeft zij niet aangevoerd welke bankafschriften zij eventueel mist. Daarom wordt dit deel van haar vordering afgewezen.
WOZ beschikkingen 2024, 2025 overzicht verstrekt bij antwoord
4.10.
Met betrekking tot de opgevraagde WOZ beschikkingen heeft [gedaagde] de WOZ-beschikking van 2025 overgelegd en daarnaast heeft zij een overzicht overgelegd van de WOZ-waarde van de woning over verschillende jaren. Hierin ontbreekt de opgave over 2024, maar de WOZ-waarde van woonadressen is openbare informatie die [eiser] zelf via het waardeloket WOZ kan inzien. Bovendien is deze waarde kennelijk bij [eiser] bekend, omdat zij stelt dat deze WOZ-waarde
met aanzienlijke mate de taxatiewaarde overstijgt. Daarom heeft [eiser] geen belang bij toewijzing van dit deel van haar vordering. De vordering wordt op dit punt afgewezen.
Juiste taxatie van de woning per datum overlijden
4.11.
[gedaagde] heeft de woning op 13 november 2025 laten taxeren voor een waardebepaling ten behoeve van afhandeling nalatenschap door [betrokkene 1] Makelaardij. Bij het opgestelde rapport bevindt zich een plausibiliteitsverklaring van een controlerend taxateur, [betrokkene 2]. Uit productie 16 van [eiser] blijkt dat [gedaagde] dit taxatierapport in december 2025 heeft toegestuurd aan [eiser]. [eiser] heeft in haar antwoordakte aangevoerd dat zij dit rapport niet maatgevend acht, omdat het pas een aantal maanden na het overlijden van vader is opgemaakt en dat de reden waarom de woning fors lager is getaxeerd dan de WOZ-waarde niet is onderbouwd. Dit is een discussie voor de hoofdzaak. Artikel 4:78 lid 1 BW Pro geeft een verplichting tot inzage en afschrift van bescheiden, maar legt op de erfgenaam geen verplichting op om zorg te dragen voor een taxatie. Met het overleggen van de uitgevoerde taxatie heeft [gedaagde] op dit punt aan haar verplichting voldaan. Dit deel van de vordering wordt afgewezen.
Huuropbrengsten appartement behorende bij de woning vanaf 2016 tot heden
4.12.
[gedaagde] heeft verklaard dat zij [eiser] inzicht heeft gegeven in de huuropbrengsten per datum overlijden van vader en daarna. Zij heeft benadrukt dat de verdeling van die opbrengsten tussen haar en vader was vastgelegd in een overeenkomst waaraan uitvoering is gegeven, zodat zij [eiser] voldoende geïnformeerd heeft en dat zij de eigendom van de woning op 13 december 2025 heeft overgenomen.
4.13.
[eiser] heeft in haar antwoordakte aangevoerd dat [gedaagde] een door haar zelf opgestelde overeenkomst tussen haar en vader heeft overgelegd, maar dat zij geen verdere informatie heeft ontvangen over de opbrengsten van de verhuur, de daadwerkelijke verdeling daarvan en een huurovereenkomst. Zij benadrukt dat zij belang heeft bij deze stukken omdat hieruit mogelijk schenkingen kunnen volgen omdat de woning eigendom was van vader en de huuropbrengsten hem dus toekwamen.
4.14.
Op 31 maart 2018 is tussen [gedaagde] en haar vader een overeenkomst gesloten. Deze overeenkomst houdt onder meer het volgende in:
In aanmerking genomen dat [gedaagde] een deel van de woning (in eigendom van [de man]) boven de garage als B & B verhuurt, waarbij de opbrengst dient te worden verdeeld en het eigendom van de Air B & B aan [gedaagde] toekomt.
Wensen beide partijen dat vast te leggen in onderhavige overeenkomst.
Partij 1: Dhr. [de man] eigenaar van het pand
(…) hierna te noemen: Partij A
Partij 2: Mevr. [gedaagde] huurder van [de man]
(…) hierna te noemen: Partij B
Partijen komen het volgende overeen:
Partij B betaald aan Partij A maandelijks een huur van € 450,00 per maand.
Er wordt een aparte rekening geopend bij een bank naar keuze en beide partijen kunnen over de gelden van Air B & B, die binnen komen, beschikken.
Alle gelden van Air B & B dienen binnen te komen op de rekening genoemd onder 2.
De gelden van Air B & B worden verdeeld zoals hieronder is aangegeven:
  • Geld wat bestemd is voor schoonmaak etc. gaat naar de rekening van Partij B.
  • Het restant van de gelden wordt verdeeld tussen Partij A voor 50% en Partij B de resterende 50%.
5.
Het gebouw blijft in eigendom van Partij A
6.
Deze overeenkomst is bedoeld om alle partijen tevreden te stemmen.
7.
De Onderneming ‘Air B & B’ blijft eigendom van Partij B.
4.15.
Bij e-mail van 11 december 2025 heeft [gedaagde] tevens een vermogensopstelling toegestuurd aan [eiser] waarin met betrekking tot de B & B is opgenomen dat de inkomsten uit verhuur € 1.395,- bedragen, welke kosten voor kale huur en schoonmaakkosten zijn gerekend, een geschat bedrag aan nutskosten en dat netto een bedrag aan opbrengst te verdelen is van € 2.985,- waarvan 50% € 1.493,- in de gemeenschap valt en dat ¼ in het kindsdeel € 373,00 bedraagt.
4.16.
Aangezien niet is weersproken dat [gedaagde] de eigendom van de woning per 13 december 2025 heeft overgenomen, komen de huuropbrengsten vanaf die datum volledig toe aan [gedaagde]. De rechtbank is van oordeel dat [eiser] voldoende geïnformeerd is over de hoogte van de huurinkomsten. Of op grond van de constructie tussen vader en [gedaagde] (mogelijk) sprake is geweest van een gift, zoals [eiser] niet uitsluit, zal in de hoofdzaak moeten worden beoordeeld. De vordering wordt op dit punt afgewezen.
Opgave overige schulden inclusief de onderliggende stukken
4.17.
[gedaagde] heeft verklaard dat zij, afgezien van de hypotheekschuld niet bekend is met andere schulden van vader. Daarmee is op dit punt aan de vordering voldaan, zodat dit deel wordt afgewezen.
Polis sommen- en/of levensverzekering (indien aanwezig)
4.18.
[gedaagde] heeft verklaard dat de levensverzekering bij Aegon is beëindigd per datum overlijden van vader. Zij maakt geen melding van andere aanwezige verzekeringen, zodat het ervoor moet worden gehouden dat deze er niet waren/zijn. Daarmee is op dit punt aan de vordering voldaan, zodat dit deel wordt afgewezen.
Opgave schenkingen inclusief de onderliggende stukken
4.19.
In verband met deze post heeft [gedaagde] bij antwoord als productie 12 een bankafschrift overgelegd waaruit blijkt dat op 31 mei 2025 aan [betrokkene 3] en aan [betrokkene 4] een bedrag is overgemaakt van elk € 5.000,- onder de vermelding ‘schenking ouwe knip’.
Zij heeft verklaard dat dit de kinderen van haar partner [betrokkene 5] zijn en dat zij niet met andere schenkingen bekend is. Daarmee is op dit punt aan de vordering voldaan, zodat dit deel wordt afgewezen.
Conclusie
4.20.
Uit hetgeen hiervoor is overwogen en beslist volgt dat de vordering van [eiser] tot afgifte van bescheiden wordt afgewezen.
4.21.
Omdat partijen zussen zijn zullen de proceskosten worden gecompenseerd.

5.de beslissing

in het incident
5.1.
wijst de vordering af,
5.2.
compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
in de hoofdzaak
5.3.
verwijst de zaak naar de rol van 29 april 2026 voor conclusie van antwoord in de hoofdzaak,
5.4.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. W.S.J. Thijs en in het openbaar uitgesproken op 18 maart 2026.
1155