ECLI:NL:RBNHO:2026:2294

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
18 februari 2026
Publicatiedatum
6 maart 2026
Zaaknummer
11874755
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 150 RvArt. 6:83 BWArt. 6:271 BWArt. 6:74 lid 1 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging verstekvonnis wegens niet-nakoming verhuisovereenkomst en afwijzing schadevergoeding voor negatieve review

Partijen sloten een verhuisovereenkomst waarbij de verhuizer de inboedel van de opdrachtgevers zou verhuizen voor €1.500. Op de verhuisdag vertrokken de verhuizers met een volgeladen busje en een jerrycan, maar keerden niet terug om de verhuizing af te maken. De opdrachtgevers probeerden contact te zoeken en dreigden met politie, waarop de verhuizer de werkzaamheden staakte wegens vermeend onbehoorlijk gedrag van de opdrachtgevers.

De verhuizer werd bij verstek veroordeeld tot restitutie en schadevergoeding. In verzet stelde hij dat het onbehoorlijk gedrag van de opdrachtgevers de reden was voor het staken van de werkzaamheden. De kantonrechter oordeelde dat de verhuizer onvoldoende concreet had gesteld en onderbouwd wat het onbehoorlijke gedrag inhield en dat dit niet was bewezen.

De mededeling van de verhuizer dat hij niet verder kon met de verhuizing leidde ertoe dat de opdrachtgevers mochten aannemen dat de verhuizing niet correct zou worden uitgevoerd, waardoor de verhuizer direct in verzuim was. De opdrachtgevers mochten de overeenkomst buitengerechtelijk ontbinden en hadden recht op restitutie van €1.500 en een schadevergoeding van €1.300 wegens de meerprijs van een andere verhuizer.

De tegenvordering van de verhuizer tot verwijdering van een negatieve online review werd ingetrokken, en de vordering tot schadevergoeding wegens die review werd afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing. De verhuizer werd veroordeeld in de proceskosten van de opdrachtgevers.

Uitkomst: Het verstekvonnis wordt bekrachtigd en de verhuizer veroordeeld tot restitutie, schadevergoeding en proceskosten; de tegenvordering tot schadevergoeding voor de negatieve review wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANKNOORD-HOLLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Haarlem
Zaaknummer: 11874755 \ CV EXPL 25-5939
Vonnis van 18 februari 2026 bij vervroeging
in de zaak van
[eiser]handelend onder de naam
[bedrijf 1],
te [plaats 1],
oorspronkelijk gedaagde,
eiser in het verzet,
tevens eiser in reconventie,
hierna te noemen: [bedrijf 1],
procederend bij haar eigenaar, dhr. [eiser]
tegen

1.[gedaagde 1],2. [gedaagde 2],

beiden te [plaats 2],
oorspronkelijk eisers,
gedaagden in het verzet,
tevens gedaagden in reconventie,
hierna samen te noemen: [gedaagde 1] en [gedaagde 2],
gemachtigde: mr. A.J.T. Lichtendahl (ARAG Rechtsbijstand).
De zaak in het kort
In deze zaak gaat het om de uitvoering van een verhuisovereenkomst. De opdrachtnemer (verhuizer) is bij verstek veroordeeld tot betaling van restitutie en schadevergoeding aan de opdrachtgevers. Het is niet gebleken dat de opdrachtnemer een goede reden had voor het stilleggen van de opdracht (onbehoorlijk gedrag door de opdrachtgevers is onvoldoende concreet gesteld en onderbouwd). De opdrachtgevers mochten uit de berichten van de opdrachtnemer afleiden dat de opdrachtnemer de verhuizing niet zou afmaken en dus de overeenkomst niet correct zou nakomen. De kantonrechter bekrachtigt het verstekvonnis. De tegenvordering tot schadevergoeding vanwege een negatieve online review wordt afgewezen.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de inleidende dagvaarding van 15 mei 2025;
- het verstekvonnis van 25 juni 2025 met zaak- en rolnummer 11722725 / CV EXPL 25-3351 (hierna: het verstekvonnis);
- de verzetdagvaarding van 3 september 2025, tevens houdende eis in reconventie;
- het tussenvonnis van 22 oktober 2025, waarbij een mondelinge behandeling is bepaald;
- de conclusie van antwoord in reconventie en akte overlegging producties;
- de mondelinge behandeling van 3 februari 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt;
- de pleitnotitie van [gedaagde 1] en [gedaagde 2].
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.Feiten

2.1.
Partijen hebben een (verhuis)overeenkomst gesloten, op grond waarvan [bedrijf 1] op 13 augustus 2024 de inboedel van [gedaagden] van [plaats 3] naar [plaats 2] zou verhuizen. Partijen zijn daarvoor een bedrag van € 1.500,00 overeengekomen.
2.2.
Op 13 augustus 2024 rond 11:15 uur arriveerden twee verhuizers van [bedrijf 1] met een Bo-Rent busje op het voormalig adres van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] in [plaats 3].
2.3.
Op enig moment is [gedaagde 1] richting het nieuwe adres in [plaats 2] vertrokken en bleef [gedaagde 2] achter op het oude adres in [plaats 3]. De verhuizers vertrokken vlak na [gedaagde 1].
2.4.
Omstreeks 13:00 uur waren de verhuizers nog steeds niet op het nieuwe adres van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] in [plaats 2] aangekomen. Zij waren ook niet op het oude adres in [plaats 3]. [gedaagde 1] heeft [bedrijf 1] vervolgens meerdere keren geprobeerd te bellen. Om 13:44 uur en 13:52 uur heeft [gedaagde 1] via WhatsApp aan [bedrijf 1] geschreven:
“We willen onze spullen terug.”“We willen ons geld terug.”“Ik heb contact met de politie en als dit niet gebeurd, doen we aangifte wegens diefstal en oplichting”
2.5.
[bedrijf 1] heeft hier (onder meer) om 13:56 uur als volgt op gereageerd:
“U heeft gedragregels geschonden en zo onbehoorlijk gedragen waardoor wij niet verder kunnen met u verhuizing. U dient zich fatsoenlijk tegen over personeel te gedragen en dat is niet gebeurd. Wij hebben geen dozen van u wat u beweert er is geen sprake van diefstal en er is ook geen sprake van oplichting aangezien ik volledig als bedrijf in mijn recht sta om het werk neer te leggen als een klant zich niet gedraagt. Wij rekenen dan uiteraard de volle offerte.”
2.6.
Om 14:00 uur heeft [gedaagde 1] aan [bedrijf 1] geschreven:
“De werkzaamheden zijn niet uitgevoerd, u dient terug te betalen.”
2.7.
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben vervolgens [bedrijf 2] ingeschakeld om de verhuizing nog dezelfde dag verder uit te voeren. [bedrijf 2] rekende hiervoor € 5.399,63. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben daarvan een bedrag van € 2.800,00 aan [bedrijf 2] betaald.
2.8.
Op 18 augustus 2024 hebben [gedaagde 1] en [gedaagde 2] aangifte gedaan bij de politie van verduistering. In het proces-verbaal van de aangifte staat (onder meer):
“(…)Na ongeveer een half uur kwam man 1 naar mij toe. Hij vroeg mij om een jerrycan. Ik zei dat ik die niet had. Hij vroeg toen om een fles omdat de andere twee verhuizers langs de weg stonden zonder benzine. Hij kwam nerveus over en ik pakte gauw een lege waterfles van vijf liter uit Frankrijk.Ik ging weg omdat mijn auto vol zat met spullen naar onze nieuwe woning en ik zag de mannen niet weggaan.De mannen zijn na mij vertrokken.Mijn man was toen nog in onze oude woning.Ik had rond één uur en hierna een paar keer telefonisch contact met mijn man omdat hij aangaf dat de mannen nog steeds niet terug waren.
Ik belde met [eiser] en die vertelde mij dat wij de mannen zo slecht hadden behandeld dat ze niet meer voor ons wilden werken. Hij kwam steeds met verschillende verhalen dat wij ze hadden weggestuurd en hij vertelde dat ik ze een boodschappenlijst had gegeven en dat we ze onjuist hadden gebruikt. Als laatste gaf hij aan dat ik ze weggestuurd had om benzine te halen voor mijn man en dat er een grote ruzie was ontstaan.
Hij gaf aan het met de mannen te gaan overleggen en die gaven aan dat wij ze slecht hadden behandeld en dat ze alles hadden opgenomen. Hij ging op en hierna belde ik met de politie en terwijl ik die aan de lijn had zag ik dat [eiser] mij weer belde. Ik heb de politie in de wacht gezet en het gesprek met [eiser] aangenomen. Hierna heb ik er een gecombineerd gesprek van gemaakt en toen hing [eiser] op.
Hierna heeft [eiser] mij nog twee keer gebeld en deze beide gesprekken heb ik beantwoord. Ik had de hoop dat hij mijn spullen alsnog zou verhuizen. [eiser] gaf toen aan dat de mannen geen spullen hadden meegenomen. Hij had de bus gezien en de bus was leeg.(…)”
2.9.
Bij e-mail van 11 oktober 2024 hebben [gedaagde 1] en [gedaagde 2] de verhuisovereenkomst buitengerechtelijk ontbonden.
2.10.
[gedaagde 2] heeft een online review geplaatst over [bedrijf 1]:
“Wij zijn door dit bedrijf bestolen. Ze hebben een deel van onze spullen ingeladen en gingen met een smoes weg. Na 2 uur wachten kregen we een appje dat wij ons misdragen hadden (?) Naar ons geld kunnen we fluiten. Daar stonden we dan in een huis vol dozen. Ik ben nog steeds woedend….”
2.11.
Op 19 november 2024 heeft [eiser] namens [bedrijf 1] aangifte gedaan tegen [gedaagde 1] en [gedaagde 2] van smaad en laster.

3.Het geschil

in conventie
3.1.
Bij de inleidende dagvaarding van 15 mei 2025 hebben [gedaagde 1] en [gedaagde 2] restitutie van de aan [bedrijf 1] betaalde verhuissom (€ 1.500,00) en vergoeding van de meerprijs van de verhuizing die door [bedrijf 2] is uitgevoerd (€ 3.899,63, waarvan € 1.300 als reguliere post en € 2.599,63 als Pro Memorie post) van [bedrijf 1] gevorderd, te vermeerderen met rente en kosten.
3.2.
[bedrijf 1] is bij verstek veroordeeld tot betaling aan [gedaagde 1] en [gedaagde 2] van
€ 3.205,00 (bestaande uit € 2.800,00 aan hoofdsom en € 405,00 aan buitengerechtelijke incassokosten), te vermeerderen met de wettelijke rente en de proceskosten.
3.3.
[bedrijf 1] is tegen dit verstekvonnis in verzet gegaan. [bedrijf 1] vordert in conventie dat de kantonrechter het op 25 juni 2025 gewezen verstekvonnis vernietigt en de vorderingen van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] alsnog afwijst, met veroordeling van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] in de proceskosten.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
in reconventie
3.5.
In reconventie vordert [bedrijf 1] dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] worden veroordeeld om de online review te verwijderen, op straffe van een dwangsom. Daarnaast vordert hij vergoeding van de schade die hij als gevolg van de review heeft geleden, nader op te maken bij staat.
3.6.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

in conventie
4.1.
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] stellen dat [bedrijf 1] toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van zijn verplichtingen door de verhuizing niet uit te voeren. Volgens hen zijn de verhuizers ongeveer een half uur na aankomst op het adres in [plaats 3] met een volgeladen busje en een vijfliterfles vertrokken, naar hun zeggen om benzine te brengen naar de bakwagen die langs de kant van de weg stond. De verhuizers zijn vervolgens nooit meer teruggekeerd naar het adres in [plaats 3] en/of aangekomen op het nieuwe adres in [plaats 2]. [bedrijf 1] heeft hiertegen aangevoerd dat [gedaagde 1] zich jegens de verhuizers van [bedrijf 1] zodanig heeft gedragen dat voortzetting van de werkzaamheden op dat moment redelijkerwijs niet van de verhuizers kon worden verlangd.
4.2.
Op [bedrijf 1] rust de stelplicht en de bewijslast van zijn stelling dat [gedaagde 1] zich onbehoorlijk heeft gedragen. [bedrijf 1] is immers degene die zich op de rechtsgevolgen van haar stelling beroept. [1] De kantonrechter is van oordeel dat [bedrijf 1] daar niet in is geslaagd. [bedrijf 1] heeft niet voldoende concreet gesteld en toegelicht wat [gedaagde 1] gedaan of gezegd zou hebben dat maakt dat [bedrijf 1] een gegronde reden had om de werkzaamheden te staken. Voor zover [bedrijf 1] heeft aangevoerd dat [gedaagde 1] tegen de verhuizers zou hebben geschreeuwd en/of hen zou hebben gecommandeerd, welk gedrag door [gedaagde 1] en [gedaagde 2] is betwist, heeft hij niet, althans onvoldoende nader toegelicht in welke context deze gedragingen zouden hebben plaatsgevonden, op welke momenten en/of met welke bewoordingen. Ook heeft [bedrijf 1] geen stukken in het geding gebracht, zoals verklaringen van de betreffende verhuizers die zijn stellingen ondersteunen. Weliswaar heeft [bedrijf 1] aangeboden om de twee verhuizers als getuigen te horen, maar zonder nadere feitelijke uitwerking van het gestelde onbehoorlijke gedrag wordt daaraan niet toegekomen. Omdat [bedrijf 1] zijn standpunt onvoldoende heeft geconcretiseerd en onderbouwd gaat de kantonrechter aan dat bewijsaanbod voorbij. De conclusie is dat niet is gebleken dat [gedaagde 1] zich tijdens de verhuizing zodanig jegens de verhuizers van [bedrijf 1] heeft gedragen, dat [bedrijf 1] de werkzaamheden terecht heeft neergelegd.
4.3.
De mededeling van [bedrijf 1] dat hij niet verder kon met de verhuizing (zie 2.5), kan (mede gelet op de tijdsdruk die [gedaagde 1] en [gedaagde 2] ervaarden om de verhuizing nog dezelfde dag af te ronden) naar het oordeel van de kantonrechter worden opgevat als een mededeling waaruit [gedaagde 1] en [gedaagde 2] mochten afleiden dat [bedrijf 1] blijvend tekort zou schieten in de nakoming van de overeenkomst. [2] Dat heeft tot gevolg dat [bedrijf 1] direct in verzuim verkeerde. Weliswaar heeft [bedrijf 1] daarna nog aangeboden om de verhuizing alsnog uit te voeren met andere medewerkers, maar dit doet niet ter zake. Een aanbod tot nakoming is geen zuivering van verzuim. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben daarom de overeenkomst met [bedrijf 1] rechtsgeldig buitengerechtelijk ontbonden.
4.4.
Wanneer een overeenkomst is ontbonden, zijn partijen verplicht om alles wat zij hebben gedaan op grond van de overeenkomst, ongedaan te maken. [3] [bedrijf 1] moet daarom aan [gedaagde 1] en [gedaagde 2] terugbetalen wat hij van hen heeft ontvangen (€ 1.500,00).
4.5.
Naast de bevoegdheid tot ontbinding hebben [gedaagde 1] en [gedaagde 2] recht op vergoeding van de schade die het gevolg is van de tekortkoming van [bedrijf 1]. [4] [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben onbetwist gesteld dat zij de verhuizing noodgedwongen nog dezelfde dag hebben laten uitvoeren door [bedrijf 2]. [bedrijf 2] heeft daar een bedrag van € 3.899,63 voor gerekend. De schade die [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben geleden bestaat derhalve in beginsel uit het verschil tussen de prijs die [bedrijf 1] heeft gerekend enerzijds en de prijs die [bedrijf 2] heeft gerekend anderzijds. Dit verschil (de meerprijs) bedraagt in beginsel € 2.399,63 (= € 3.899,63 minus € 1.500,00). [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben tot op heden echter slechts een bedrag van € 2.800,00 aan [bedrijf 2] voldaan. Daarna hebben zij niets meer van [bedrijf 2] vernomen. De schade die [gedaagde 1] en [gedaagde 2] op dit moment feitelijk hebben geleden bedraagt derhalve € 1.300,00 (= € 2.800,00 minus € 1.500,00). Dit bedrag is toewijsbaar. Het meerdere (€ 1.099,63) is afhankelijk van een onzekere toekomstige gebeurtenis en komt daarom thans niet voor vergoeding in aanmerking.
4.6.
De conclusie is dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] recht hebben op een bedrag van € 1.500,00 aan restitutie en een bedrag van € 1.300,00 aan schadevergoeding, zodat zij conform het verstekvonnis van 25 juni 2025 recht hebben op een totaalbedrag van € 2.800,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 13 augustus 2024.
4.7.
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben verder voldoende aannemelijk gemaakt dat zij buitengerechtelijke werkzaamheden hebben laten verrichten en dat hiervoor kosten zijn gemaakt. De omvang van de buitengerechtelijke incassokosten moet worden getoetst aan de tarieven uit het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De tarieven uit het Besluit worden geacht redelijk te zijn. Omdat het gevorderde bedrag (€ 405,00) niet hoger is dan het volgens het Besluit berekende tarief, zijn de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten toewijsbaar. De gevorderde rente over de buitengerechtelijke kosten is ook toewijsbaar, met dien verstande dat deze wordt toegewezen vanaf de datum van de dagvaarding.
in reconventie
4.8.
Vaststaat dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] de door hen geplaatste review (zie 2.10) inmiddels hebben verwijderd. Dat heeft tot gevolg dat [bedrijf 1] geen belang meer heeft bij de door hem gevorderde verwijdering van de review, op straffe van een dwangsom. Desgevraagd heeft [bedrijf 1] ter zitting laten weten dat hij dit deel van zijn vordering intrekt. Dat betekent dat de kantonrechter daarover niet meer hoeft te oordelen. Wel vordert [bedrijf 1] nog steeds de schade die hij als gevolg van de review stelt te hebben geleden, nader op te maken bij staat.
4.9.
De kantonrechter is van oordeel dat het antwoord op de vraag of sprake is van een onrechtmatige review in het midden kan blijven. Zelfs als de review onrechtmatig zou zijn, leidt dit namelijk niet tot een toewijzing van de schadevergoedingsvordering. Voor een toewijzing van een vordering tot schadevergoeding (of een verwijzing naar de schadestaatprocedure) moet het bestaan van schade als gevolg van (in dit geval) de review voldoende aannemelijk zijn. [bedrijf 1] draagt daarvan de stelplicht en bewijslast. Dat betekent dat het op de weg van [bedrijf 1] ligt om feiten en omstandigheden aan te voeren waaruit de schade en het causaal verband blijkt. [bedrijf 1] heeft zijn schade echter op geen enkele wijze geconcretiseerd of onderbouwd. De enkele (blote) stelling bij gelegenheid van de mondelinge behandeling dat ‘
meerdere mensen hebben aangegeven vanwege de review niet met hem in zee te willen gaan’ is daartoe onvoldoende. [bedrijf 1] heeft ook op dit punt niet voldaan aan zijn stelplicht. Weliswaar heeft [bedrijf 1] ter zitting een algemeen bewijsaanbod gedaan, maar dit is onvoldoende gespecificeerd en te laat. De tegenvordering van [bedrijf 1] wordt afgewezen.
de proceskosten in conventie en reconventie
4.10.
[bedrijf 1] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] in de verzetprocedure, zowel in conventie als in reconventie. Die kosten worden vastgesteld op € 506,00 als salaris voor de advocaat van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] (bestaande uit € 253,00 (1 punt) in de verzetprocedure en € 126,50 (0,5 punt) in reconventie, plus een bedrag van € 126,50 aan nakosten en de verhoging zoals vermeld in de beslissing).

5.De beslissing

De kantonrechter:
in conventie
5.1.
bekrachtigt het door de kantonrechter op 25 juni 2025 onder zaaknummer / rolnummer 11722725 / CV EXPL 25-3351 gewezen verstekvonnis;
in reconventie
5.2.
wijst de vordering van [bedrijf 1] af;
in conventie en in reconventie
5.3.
veroordeelt [bedrijf 1] in de proceskosten van [gedaagde 1] en [gedaagde 2], vastgesteld op € 506,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [bedrijf 1] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;
5.4.
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. S. Kleij en in het openbaar uitgesproken op 18 februari 2026.
De griffier De kantonrechter

Voetnoten

1.Artikel 150 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv).
2.Artikel 6:83 aanhef Pro en onder c van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW).
3.Artikel 6:271 BW Pro.
4.Artikel 6:74 lid 1 BW Pro.