ECLI:NL:RBNHO:2026:2319

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
11 maart 2026
Publicatiedatum
6 maart 2026
Zaaknummer
363146
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:178 BWArt. 3:185 BWArt. 3:300 BWArt. 6:199 BWArt. 150 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verdeling van woningen in eenvoudige gemeenschap tussen familieleden na overlijden

Eisers, ouders van de overleden echtgenoot van betrokkene, vorderen de verdeling van twee woningen die zij samen met betrokkene voor elk een derde deel bezitten. Betrokkene, vertegenwoordigd door een bewindvoerder, verzet zich tegen de verdeling zolang niet duidelijk is hoe eisers met haar geld zijn omgegaan. De rechtbank oordeelt dat betrokkene onvoldoende heeft onderbouwd dat eisers eerst financiële verantwoording moeten afleggen.

De rechtbank gelast de verkoop van woning B, waarin betrokkene woont, en de toedeling van woning A aan eisers, onder de voorwaarde dat zij betrokkene de overwaarde van haar aandeel betalen en haar ontslaan uit hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypotheek. De spaarpolissen gekoppeld aan de hypotheken worden verdeeld conform de eigendomsverhoudingen en betaalde premies.

De bewindvoerder vordert tevens een financiële verantwoording van eisers, maar de rechtbank wijst dit af wegens onvoldoende onderbouwing van een zaakwaarneming of bewindvoering. De proceskosten worden gecompenseerd tussen partijen. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad en bevat gedetailleerde instructies voor verkoop, taxatie en levering van de woningen.

Uitkomst: De rechtbank gelast de verdeling van de woningen waarbij woning B wordt verkocht en woning A aan eisers wordt toegedeeld onder voorwaarden.

Uitspraak

RECHTBANK Noord-Holland

Civiel recht
Zittingsplaats Haarlem
Zaaknummer: C/15/363146 / HA ZA 25-142
Vonnis van 11 maart 2026
in de zaak van

1.[eiser 1] ,

te [plaats 1] ,
2.
[eiser 2],
te [plaats 1] ,
eisende partijen in conventie,
verwerende partijen in reconventie,
[eiser 1] hierna ook te noemen: [eiser 1] , [eiser 2] hierna ook te noemen: [eiser 2] , samen te noemen: [eisers] ,
advocaat: mr. K. Tülü,
tegen
[gedaagde]h.o.d.n.
[bedrijf 3], in hoedanigheid van bewindvoerder van [betrokkene] ,
te [plaats 2] , gemeente [gemeente] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: de bewindvoerder,
advocaat: mr. F.J. Mascini.

1.De zaak in het kort

[eisers] zijn de ouders van de overleden man van [betrokkene] . Na het overlijden van de man hebben partijen samen twee woningen gekocht. Van beide woningen zijn [eiser 1] , [eiser 2] en [betrokkene] voor 1/3e eigenaar. In deze procedure vorderen [eisers] (vooral) verdeling van deze woningen. [betrokkene] vindt dat deze vorderingen moeten worden afgewezen. Zij zegt dat er eerst duidelijkheid moet komen over de wijze waarop [eisers] met haar geld zijn omgegaan. De rechtbank volgt [betrokkene] daarin niet. [betrokkene] heeft haar stellingen onvoldoende onderbouwd om te oordelen dat [eisers] (eerst) financiële verantwoording moeten afleggen. De rechtbank gelast partijen over te gaan tot verdeling van de woningen. De woning waarin [betrokkene] woont moet worden verkocht. De woning waarin [eisers] wonen kan aan hen worden toegedeeld onder de voorwaarde dat zij [betrokkene] de overwaarde van haar 1/3e onverdeeld aandeel betalen en ervoor zorgen dat [betrokkene] uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypotheekschuld wordt ontslagen.

2.De procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding van 20 februari 2025
  • de conclusie van antwoord en voorwaardelijke eis in reconventie met 5 producties
  • de conclusie van antwoord in reconventie
  • het tussenvonnis van 6 augustus 2025
  • de akte inhoudende overlegging van producties met vermeerdering van eis met productie 1 tot en met 23 van de kant van [eisers]
  • de mondelinge behandeling van 29 januari 2026, waarbij van de zijde van [eisers] spreekaantekeningen zijn voorgedragen en overgelegd en waarvan door de griffier voor het overige aantekeningen zijn gemaakt
  • aanhouding tot 4 februari 2026 en het verzoek van [eisers] om vonnis te wijzen.
2.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

3.De feiten

3.1.
Eisende partijen zijn met elkaar gehuwd.
3.2.
[betrokkene] (hierna: [betrokkene] ) was getrouwd met de zoon van [eisers] (hierna: de zoon), die in 1998 is overleden.
3.3.
Na het overlijden van de zoon, is [betrokkene] met haar kinderen bij [eisers] gaan wonen.
3.4.
Partijen hebben in 1999 respectievelijk 2003 de volgende twee woningen gekocht en ieder voor één/derde aandeel in eigendom verkregen:
[adres 1] te [plaats 1] (hierna ook: woning A)
[adres 2] te [plaats 1] (hierna ook: woning B)
Deze woningen liggen dicht bij elkaar in dezelfde wijk.
3.5.
Voor (de aankoop van) woning A zijn [eisers] en [betrokkene] samen een hypothecaire lening aangegaan bij ABN AMRO Bank N.V. met nummer [rekeningnummer 1] . Aan deze lening was een spaarpolis met nummer [nummer 1] gekoppeld. Deze is in 2020 beëindigd en heeft een waarde van € 27.228,00. Voor (de aankoop van) woning B zijn alleen [eisers] een hypothecaire lening aangegaan. Deze lening bij ABN AMRO Bank N.V. is aangegaan onder nummer [rekeningnummer 2] . Aan de lening is een spaarpolis met nummer [nummer 2] gekoppeld. Deze heeft een waarde van ongeveer € 28.337,00.
3.6.
[eisers] bewonen woning A en [betrokkene] woont in woning B.
3.7.
In 2019 heeft de kantonrechter de goederen die (zullen) toebehoren aan [betrokkene] onder bewind gesteld. [gedaagde] is de huidige bewindvoerder.
3.8.
Tussen partijen, althans hun advocaten, heeft divers overleg plaatsgevonden over de wens van [eisers] om één of beide woningen te verkopen of te verdelen.
3.9.
Op 8 november 2021 hebben [eisers] de bewindvoerder verzocht om een gesprek. Daarbij hebben zij het volgende aangegeven. Zij proberen al twee jaar tot afspraken te komen. Zij betalen al 3,5 jaar de hypotheeklasten en alle belastingen voor de door [betrokkene] bewoonde woning, maar kunnen dat niet langer opbrengen. [eisers] willen graag dat de aandelen in de woningen worden uitgeruild en dat [betrokkene] de rest zelf financiert. [eisers] hebben dringend een oplossing nodig. Op 28 juni 2022 heeft de advocaat van [eisers] aan de bewindvoerder geschreven dat zijn cliënten ten einde raad zijn omdat een gesprek en correspondentie met de bewindvoerder niets hebben opgeleverd. Omdat gebleken is dat [betrokkene] de woning niet kan overnemen, zien zij geen andere oplossing dan dat de woning wordt verkocht.
3.10.
Op 16 maart 2023 heeft de advocaat van [betrokkene] in een brief aan [eisers] vragen gesteld over (onder meer) een levensverzekering die de zoon zou hebben gehad, hoe de woningen zijn gefinancierd en welke bezittingen en schulden op naam van [betrokkene] staan.
3.11.
[eisers] hebben twee keer een kort geding gestart om te bewerkstelligen dat [betrokkene] woning B zou overnemen. In een proces-verbaal van de zitting van 24 mei 2023 in het eerste kort geding is vastgelegd dat partijen het volgende zijn overeengekomen:
1. De bewindvoerder zal in haar hoedanigheid met ingang van 1 juni 2023 zorgdragen voor de (maandelijkse) betaling aan [eisers] van de volledige eigenaarslasten (WOZ-belasting, hypotheeklasten en opstalverzekering) voor de woning aan de [adres 2] te [plaats 1] , en voor de (maandelijkse) betaling van de gebruikerslasten voor deze woning aan de desbetreffende schuldeiser.(…)
2. [eisers] zullen met ingang van 1 juni 2023 zorgdragen voor de (maandelijkse) betaling van de volledige eigenaars- en gebruikerslasten voor de woning aan de [adres 1] te [plaats 1] .
3. [eisers] zullen binnen 4 weken na heden onderbouwd antwoord geven op alle in de brief van 16 maart 2023 door mr. Mascini gestelde vragen.
4. Daarna zullen partijen in overleg treden over de mogelijkheid tot ontvlechting van de eenvoudige gemeenschappen met betrekking tot de hiervoor genoemde woningen.
3.12.
[betrokkene] heeft ook na 1 juni 2023 niet de totale hypotheeklasten van woning B betaald. [eisers] hebben ook na 1 juni 2023 maandelijks dat deel van de hypotheeklasten van woning B betaald dat [betrokkene] niet voldeed. Daarnaast zijn de aanslagen onroerendezaakbelasting, de opstalverzekering en overige lasten van woning B voor hun rekening blijven komen.
3.13.
Het tweede kort geding dat [eisers] jegens de bewindvoerder hebben gestart, is voor overleg aangehouden tot 28 februari 2025. Het is partijen niet gelukt om tot afspraken te komen. [eisers] hebben de bewindvoerder kort voor 28 februari 2025 gedagvaard in deze bodemprocedure.

4.Het geschil

in conventie
4.1.
[eisers] vorderen, na vermeerdering van eis, om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
I.
De verdeling te gelasten van de tussen partijen bestaande eenvoudige gemeenschap, bestaande uit de woningen [adres 2] en [adres 1] , beide te [plaats 1] ;
II.
te bepalen dat een door uw rechtbank aan te wijzen NVM-makelaar de woningen zal taxeren, waarbij de kosten gezamenlijk door de partijen zal worden gedragen;
III.
[betrokkene] te veroordelen om binnen veertien dagen na datum vonnis, een door Uw rechtbank aan te wijzen NVM-makelaar opdracht te geven om de verkoop van de woningen ter hand te nemen en te bepalen dat [eisers] , indien [betrokkene] niet tijdig de verkoopopdracht verstrekt, bevoegd zijn tot het verstrekken van de verkoopopdracht aan de aan te wijzen makelaar;
IV.
de aan te wijzen NVM-makelaar de vraag- en laatprijs van de woningen bindend mag bepalen;
V.
[betrokkene] te veroordelen om haar volledige medewerking te verlenen aan alle handelingen en activiteiten die de makelaar met het oog op de verkoop van de woningen noodzakelijk acht (waaronder, maar niet uitsluitend: het op orde maken van de woningen, het maken van foto’s, plaatsen van verkoopborden en het toestaan van bezichtigingen);
VI.
[betrokkene] te veroordelen tot het tekenen van de koopovereenkomst, binnen 48 uur na een eerste verzoek van de makelaar c.q. [eisers] daartoe en, indien [betrokkene] haar medewerking daaraan niet verleent, te bepalen dat het in dezen te wijzen vonnis overeenkomstig artikel 3:300 lid 1 en Pro 2 BW in de plaats treedt van de wilsverklaring van [betrokkene] ;
VII.
[betrokkene] veroordeelt om, binnen 48 uur na het eerste verzoek van de notaris c.q. eisers daartoe, haar volledige medewerking te verlenen aan het notariële transport van de resp. woningen aan de derde koper(s) en alle overige notariële handelingen die daarvoor nodig zijn (waaronder, maar niet uitsluitend: de doorhaling van de hypothecaire inschrijving) en te bepalen dat, indien [betrokkene] haar medewerking daaraan niet verleent, het in dezen te wijzen vonnis in de plaats komt van een bij de eigendomsoverdracht en levering van de woningen noodzakelijke toestemming en/of wilsverklaring en/of handtekening van [betrokkene] ;
VIII.
[betrokkene] veroordeelt om Woning B, uiterlijk één maand voorafgaand aan de notariële overdracht van de woning, te ontruimen en schoon op te leveren;
IX.
te bepalen dat de kosten van de verkoop en de notaris naar rato van hun aandeel in het eigendom van de twee woningen, door de partijen zal worden gedragen;
X.
[betrokkene] in de kosten van deze procedure te veroordelen;
XI.
te gelasten de verdeling van de tot de gemeenschap tussen partijen behorende spaarpolissen/verzekeringen, als volgt:
a)
De spaarpolis verbonden aan de hypotheek [adres 1] volledig toe te delen aan [eisers] ;
b)
De spaarpolis verbonden aan hypotheek [adres 2] naar rato van het eigendomsaandeel te verdelen;
en te bepalen dat de waarde van deze polissen bij de verdeling wordt meegenomen dan wel dat deze polissen worden uitgekeerd aan degene aan wie het toekomt conform de door Uw rechtbank vast te stellen verdeling;
XII.
te bepalen dat [betrokkene] aan [eisers] is verschuldigd haar aandeel in de door [eisers] betaalde eigenaarslasten ad € 1.243,00;
XIII.
te bepalen dat het onder XI genoemde bedrag wordt verrekend met het aandeel van [betrokkene] in de netto-opbrengst van de verkoop van de woningen.
4.2.
[eisers] leggen aan de vordering ten grondslag dat sprake is van eenvoudige gemeenschappen tussen partijen van de woningen. Vanaf het begin af aan worden de volledige lasten van woning A enkel door [eisers] betaald. In verband met de financiële situatie van [betrokkene] hebben zij sinds 2019 ook de eigenaarslasten van woning B gedragen. Tot voor kort betaalden zij ook de gebruikerslasten voor deze woning. De situatie kan niet blijven voortduren, ook al omdat met het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd de inkomenssituatie van [eisers] is gewijzigd. Zij hebben niet de financiële mogelijkheden dit langer vol te houden en hebben zelfs al bij familie moeten lenen om de aflossingen te kunnen blijven betalen. Zij hebben dit meermaals aangegeven, maar het is niet gelukt om onderling tot afspraken te komen. Daarom vorderen zij nu op grond van artikel 3:178 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) verdeling van woning B door verkoop aan een derde, waarbij [betrokkene] (kort gezegd) wordt veroordeeld daaraan mee te werken. Daarbij moeten ook de aan de hypothecaire leningen gekoppelde spaarpolissen worden verdeeld. De premies voor de polis gekoppeld aan de hypotheek voor woning B is tot 2016 uitsluitend door [eisers] voldaan. Daarna heeft (ook) [betrokkene] premies voldaan. De actuele waarde van € 28.337,00 komt daarom aan hen toe naar rato van het eigendomsdeel van de woning. De premies voor de polis gekoppeld aan de hypotheek voor woning A zijn altijd volledig door [eisers] voldaan. De waarde van die polis is € 27.228,00 en moet volledig aan [eisers] toekomen.
4.3.
De bewindvoerder voert verweer. De bewindvoerder concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eisers] totdat op de door de bewindvoerder gestelde feiten of eis in reconventie zal zijn geantwoord, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eisers] , met veroordeling van [eisers] in de proceskosten, tot op heden begroot op € 15.000,00.
4.4.
De bewindvoerder voert het volgende aan. Na het overlijden van haar man bevond [betrokkene] zich vanwege haar culturele achtergrond en traditionele rolpatronen in een buitengewoon afhankelijke positie ten opzichte van [eisers] . [eisers] (vooral de heer [eiser 1] ) regelden haar zaken en beheerden haar financiën, zonder dat [betrokkene] daar enige inbreng in had. [eisers] hielden haar kort door wekelijks slechts € 50 à € 60 in een envelop door de brievenbus te doen. Het is aan [eisers] om van hun materieel bewind rekenschap te geven, aan de bewindvoerder verantwoording af te leggen en aan te tonen dat zij behoorlijk gehandeld hebben. De situatie laat zich voor de verantwoording ook goed vergelijken met zaakwaarneming of (stilzwijgende) opdracht. Zolang [betrokkene] geen inzicht heeft gekregen in haar financiële situatie en niet vaststaat of zij woning B kan overnemen, is de verzochte verdeling niet toewijsbaar. Omdat [eisers] over alle historische informatie beschikken, ligt het op hun weg om te bewijzen dat zij voldoende in het belang van [betrokkene] hebben gehandeld. De bewijslast moet worden omgedraaid. Voor zover [eisers] zich op verjaring zouden beroepen, is dat in strijd met de goede trouw omdat zij zich mogelijk ongerechtvaardigd hebben verrijkt. Omdat [eisers] nalaten de benodigde duidelijkheid te verstrekken, terwijl [betrokkene] meerdere malen haar medewerking heeft toegezegd, moeten de volledige proceskosten wegens onnodig procederen voor rekening van [eisers] komen.
4.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
in voorwaardelijke reconventie
4.6.
Voor zover in conventie niet al positief op dat punt is beslist, vordert de bewindvoerder [eisers] te veroordelen tot het opstellen van een financiële verantwoording zoals een goed zaakwaarnemer, huisvader of bewindvoerder betaamt en [eisers] te veroordelen in de proceskosten.
4.7.
De bewindvoerder legt aan de vordering ten grondslag wat zij in conventie heeft aangevoerd.
4.8.
[eisers] voeren verweer. [eisers] concluderen tot afwijzing van de vorderingen van de bewindvoerder, met veroordeling van de bewindvoerder in de kosten van deze procedure. Zij voeren onder meer het volgende aan. De bewindvoerder strooit met aantijgingen, maar geeft geen concreet aanknopingspunt of begin van bewijs. Zij hebben nooit gefungeerd als bewindvoerders, zaakwaarnemers, of anderszins beheerders van de financiën van [betrokkene] . Er is nooit sprake geweest van een stilzwijgende opdracht, enkel van ondersteuning: praktisch, emotioneel en financieel. Na 2015 hebben zij sowieso geen inzage gehad in het inkomen of de uitgaven van [betrokkene] . Wel zijn zij haar financieel blijven ondersteunen. [betrokkene] had een eigen bankrekening en zeggenschap over haar eigen financiële aangelegenheden. Hetgeen de bewindvoerder aanvoert is enkel een gelegenheidsargument om ervoor te zorgen dat [betrokkene] woning B kan overnemen. Van omkering van de bewijslast kan geen sprake zijn, ook al niet omdat [betrokkene] de enige is met toegang tot (de gegevens van) haar bankrekening. Als er wel sprake zou zijn geweest van beheer, dan is dat al in 2015 geëindigd en verjaring aan de orde.
4.9.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

5.De beoordeling

in conventie en in reconventie
5.1.
Gelet op de samenhang tussen de vorderingen in conventie en in (voorwaardelijke) reconventie zullen deze vorderingen gezamenlijk worden behandeld.
Verzoek van de bewindvoerder om (nog) niet over te gaan tot verdeling
5.2.
Op grond van artikel 3:178 lid 1 BW Pro kan ieder van de deelgenoten te allen tijde verdeling van een gemeenschappelijk goed vorderen, tenzij anders voortvloeit uit de aard van de gemeenschap of uit de volgende leden van het artikel. Het derde lid van artikel 3:178 BW Pro bepaalt vervolgens dat de rechter een vordering tot verdeling door een van de deelgenoten steeds voor een periode van ten hoogste drie jaar kan uitsluiten als de door een onmiddellijke verdeling getroffen belangen van een of meer deelgenoten aanmerkelijk groter zijn dan de belangen die door de verdeling worden gediend. Aan deze voorwaarde voor uitsluiting van een vordering tot verdeling wordt niet voldaan.
5.3.
Op grond van de hoofdregel [1] rust op de bewindvoerder de plicht om voldoende feiten te stellen (en zo nodig te bewijzen) voor het oordeel dat de belangen van [betrokkene] die door een onmiddellijke verdeling worden getroffen aanmerkelijk groter zijn dan de belangen die door de verdeling worden gediend. Dat heeft de bewindvoerder niet gedaan. Duidelijk is dat [betrokkene] er belang bij heeft in woning B te kunnen blijven wonen. Dit belang is echter niet aanmerkelijk groter dan het belang van [eisers] bij verdeling. [eisers] vragen al zeer geruime tijd om verdeling van de woning, onder meer omdat zij na een wijziging in hun inkomen de door hen gedragen lasten van woningen A en B niet kunnen blijven voldoen. Partijen hebben echter geen afspraken over (de wijze van) verdeling kunnen maken. Ook op de zitting en de dagen daarna is dat niet gelukt. Niet gebleken is dat [betrokkene] in die periode daadwerkelijk stappen heeft gezet om op een redelijke termijn te komen tot verdeling. Daarbij komt dat het aannemelijk is dat [betrokkene] bij de hieronder uiteen te zetten verkoop en/of overbedeling van [eisers] een niet onaanzienlijk bedrag tegemoet kan zien (in de raming van [eisers] zal dit bedrag mogelijk € 300.000,00 of meer bedragen). Dit bedrag kan [betrokkene] vervolgens aanwenden om te kunnen wonen. Uitsluiting van de vordering tot verdeling is dan ook niet aan de orde.
[eisers] hoeven geen financiële verantwoording af te leggen
5.4.
Anders dan de bewindvoerder aanvoert, is er ook overigens geen reden af te wijken van het uitgangspunt dat iedere deelgenoot te allen tijde verdeling kan vorderen.
De bewindvoerder zegt dat zij in beginsel bereid is medewerking te verlenen aan verdeling van de woningen, maar zij vindt dat daar niet toe kan worden overgegaan zonder dat [eisers] eerst financiële verantwoording afleggen zoals een goed zaakwaarnemer of (materieel) bewindvoerder betaamt. [betrokkene] heeft anders geen inzicht in haar vermogen en eventuele vorderingen op [eisers] , zodat de overwaarde van de woningen niet verdeeld kan worden. [eisers] betwisten dat zij zaakwaarnemer waren of materieel bewindvoerder. Zij hebben [betrokkene] slechts ondersteund na het overlijden van de zoon en er alles voor gedaan dat [betrokkene] in Nederland kon blijven.
5.5.
Op grond van artikel 6:199 BW Pro moet een zaakwaarnemer aan de belanghebbende verantwoording afleggen van wat hij heeft gedaan. Ook een bewindvoerder moet op grond van de wet rekening en verantwoording afleggen. Een opdrachtnemer moet aan de opdrachtgever verantwoording afleggen van de wijze waarop hij zich van de opdracht heeft gekweten. Vaststaat dat de heer [eiser 1] geen bewindvoerder is geweest als bedoeld in de wet. De rechtbank is verder van oordeel dat de bewindvoerder haar stelling dat [eisers] zaakwaarnemer of stilzwijgend opdrachtnemer waren onvoldoende heeft onderbouwd. [eisers] zijn dan ook niet gehouden om financiële verantwoording af te leggen. Het ontbreken van die financiële verantwoording staat daarom niet in de weg aan verdeling als door [eisers] gevorderd. Dit wordt hierna toegelicht.
5.6.
[eisers] hebben weliswaar erkend dat zij (tot 2015) bepaalde dingen voor [betrokkene] regelden, maar van zaakwaarneming of opdracht is niet gebleken. Dat en wanneer [eisers] zich als opdrachtnemer tegenover [betrokkene] hebben verbonden werkzaamheden te verrichten heeft de bewindvoerder niet onderbouwd. Voor de gestelde zaakwaarneming is van belang dat de bewindvoerder weliswaar zegt, maar niet onderbouwt dat [betrokkene] geen inzicht en zeggenschap had over haar bankrekening. [eisers] betwisten de stellingen die de bewindvoerder in dit kader naar voren brengt. Zij betwisten dat zij [betrokkene] ’s financiën hebben beheerd, dat zij geld hebben achtergehouden en dat zij [betrokkene] handgeld hebben gegeven van haar rekening. Bij die betwisting had het op de weg van de bewindvoerder gelegen om deze stellingen nader te onderbouwen. De rechtbank ziet die onderbouwing niet in de oude foto die [betrokkene] bij de mondelinge behandeling op haar telefoon heeft getoond van een bankpas van een “e/o rekening” op naam van [betrokkene] en [eiser 1] . Voor zover daaruit kan worden opgemaakt dat [eiser 1] op enig moment samen met [betrokkene] toegang had tot een bankrekening (wanneer dat zou zijn geweest is onduidelijk), geeft de pas geen onderbouwing van de stellingen van de bewindvoerder over beheer van gelden door [eisers] De heer [eiser 1] heeft overigens verklaard dat de “e/o rekening” mogelijk dateert uit de tijd dat [betrokkene] geholpen moest worden een verblijfsvergunning te krijgen, dat hij zich de “e/o rekening” niet kan herinneren en dat hij er ook geen pinpas van heeft gehad.
5.7.
De bewindvoerder zegt ook dat het sterke vermoeden is ontstaan dat in de loop van de jaren – kennelijk door toedoen van [eisers] – veel geld van [betrokkene] is verdwenen. Mede gelet op de hiervoor in 5.6. vermelde betwisting van de stelling dat [betrokkene] niet de beschikking had over een eigen bankrekening, is een enkel vermoeden onvoldoende om [eisers] te verplichten verantwoording af te leggen. De bewindvoerder heeft geen stukken overgelegd die dit vermoeden onderbouwen. Een algemeen financieel overzicht waarbij de inkomsten [betrokkene] zijn afgezet tegen de uitgaven volgens Nibud-normen (om te concluderen dat [betrokkene] meer geld zou moeten hebben dan zij heeft) is daarvoor niet genoeg. Daarbij wordt immers geen inzicht gegeven in, of rekening gehouden met de daadwerkelijke uitgaven die [betrokkene] had. Daarbij komt dat de advocaat van de bewindvoerder in een brief van 16 december 2024 aan de advocaat van [eisers] heeft gemeld dat [betrokkene] zelf doende is om onderzoek te doen, onder andere bij KLM, SVB en ABN AMRO. Van de uitkomsten van dit onderzoek heeft de bewindvoerder in deze procedure een jaar later echter niets naar voren gebracht. Meer in het algemeen constateert de rechtbank dat [betrokkene] al jaren een bewindvoerder heeft, die (op zijn laatst) al in 2023 de handelwijze van [eisers] in twijfel heeft getrokken, maar dat in al die tijd kennelijk geen concrete aanwijzingen naar voren zijn gekomen dat [eisers] geld van [betrokkene] hebben weggenomen. Bij de verwijten lijkt de bewindvoerder eraan voorbij te gaan dat [betrokkene] door de jaren heen – in relatie tot haar inkomen – een niet onaanzienlijk vermogen heeft kunnen opbouwen (door de stijging van de waarde van de woningen waarin zij een aandeel heeft). Ook zijn eerder geuite aantijgingen dat [eisers] rond 1999 een woning van [betrokkene] hebben verkocht onjuist gebleken. De verkochte woning was eigendom van [eisers]
5.8.
De bewindvoerder doet in dit kader een beroep op omkering van de bewijslast. Zij brengt naar voren dat het aan [eisers] is om aan te tonen dat zij voldoende in het belang van [betrokkene] hebben gehandeld omdat alleen zij over alle historische informatie beschikken. De rechtbank oordeelt dat omkering van de bewijslast, een uitzondering op de hoofdregel die slechts terughoudend mag worden toegepast, niet aan de orde is. Omkering vloeit namelijk niet voort uit enige bijzondere regel of de eisen van redelijkheid en billijkheid. De bewindvoerder heeft gesteld dat [eisers] als enige over alle historische informatie beschikken, maar die hebben dat betwist. Duidelijk is dat [betrokkene] (en/of de bewindvoerder) al jaren als enige toegang hebben tot de bankrekeningen van [betrokkene] . Niet betwist is dat zij daarmee (in ieder geval deels) ook de historische informatie kan opvragen. Omdat ook anderszins niet is gebleken van een onredelijk zware bewijspositie door toedoen van [eisers] , zijn er geen bijzondere omstandigheden om af te wijken van de hoofdregel van artikel 150 Rv Pro. Daarbij geldt dat het bestaan van bewijsnood op zichzelf onvoldoende reden is om de bewijslast om te keren op grond van de redelijkheid en billijkheid. [2] Waar bij een voldoende onderbouwing dat er gelden zouden zijn weggenomen een omkering van de (verdere) bewijslast mogelijk aan de orde zou kunnen zijn, ontbreekt die onderbouwing hier.
Tussenconclusie
5.9.
De bewindvoerder heeft dus onvoldoende onderbouwd dat er sprake is geweest van zaakwaarneming, (stilzwijgende) opdracht of andere omstandigheden die maken dat [eisers] gehouden zijn verantwoording af te leggen. Er is dan ook geen reden [eisers] niet-ontvankelijk te houden of hun vorderingen af te wijzen totdat zij verantwoording hebben afgelegd.
Verdeling woningen: artikel 3:185 BW Pro
5.10.
Omdat het verweer van de bewindvoerder niet slaagt (zie hiervoor), zal de rechtbank op grond van artikel 3:185 BW Pro de (wijze van) verdeling van woning A en woning B vaststellen. Bij deze vaststelling moet de rechtbank rekening houden met de belangen van partijen en met het algemeen belang. [3] De rechtbank heeft daarom een mate van vrijheid. Zij is niet gebonden aan hetgeen partijen over en weer hebben gevorderd en zij hoeft niet expliciet in te gaan op hetgeen partijen aanvoeren. [4] De rechtbank zal de verdeling van de woningen vaststellen op de hierna volgende wijze.
5.11.
De rechtbank weegt de betrokken belangen als volgt. Bij de mondelinge behandeling hebben [eisers] verzocht om verdeling van de woning aan de [adres 1] door deze aan hen toe te delen en verdeling van de woning aan de [adres 2] door verkoop. Na verkoop van de woning aan de [adres 2] hebben zij voldoende mogelijkheden om [betrokkene] de waarde van haar aandeel in die woning te betalen en om [betrokkene] uit de hoofdelijke aansprakelijkheid van de financiering van die woning te laten ontslaan.
De bewindvoerder heeft geen bezwaar geuit tegen toedeling van de woning aan de [adres 1] aan [eisers]
5.12.
Duidelijk is dat [eisers] er belang bij hebben dat zij volledig eigenaar worden van de woning aan de [adres 1] . Zij zijn ieder voor 1/3e eigenaar van deze woning en bewonen deze al meer dan twintig jaar. Bij toewijzing van het 1/3e aandeel van [betrokkene] in de woning aan de [adres 1] aan [eisers] zullen [eisers] 1/3e van de overwaarde aan [betrokkene] moeten voldoen. Ook heeft [betrokkene] er belang bij dat zij uiterlijk bij de notariële overdracht van haar aandeel uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de lening voor deze woning zal worden ontslagen. Hierna zal de rechtbank oordelen dat de woning aan de [adres 2] zal moeten worden verkocht. Het ligt voor de hand dat [eisers] met de opbrengst van hun 2/3e aandeel in de eigendom van die woning in staat zullen zijn het aandeel van [betrokkene] in (de overwaarde van) de [adres 1] te vergoeden en ervoor kunnen zorgen dat [betrokkene] uit de hoofdelijke aansprakelijkheid zal worden ontslagen. Volledige zekerheid daarover is er echter niet. Het aandeel van [betrokkene] in de woning aan de [adres 1] zal daarom onder de voorwaarde van mogelijkheid van betaling van haar aandeel in de overwaarde en ontslag uit hoofdelijke aansprakelijkheid van [betrokkene] aan [eisers] worden toegewezen.
5.13.
Op de zitting heeft de bewindvoerder verklaard dat het – ook met een betaling door [eisers] voor het aandeel van [betrokkene] in de woning aan de [adres 1] – voor [betrokkene] niet mogelijk is om de woning aan de [adres 2] over te nemen. Ook dan is zij niet in staat (het restant van) de hypotheekschuld te financieren. De rechtbank komt daarom tot de conclusie dat de woning aan de [adres 2] , waar [betrokkene] woont, zal moeten worden verkocht.
5.14.
De rechtbank zal met het vorenstaande als uitgangspunt een regeling vaststellen voor het traject van verkoop respectievelijk verdeling. [eisers] zullen pas na verkoop van de woning aan de [adres 2] aan [betrokkene] het bedrag kunnen betalen dat haar toekomt inzake haar 1/3e aandeel in de eigendom van de woning aan de [adres 1] . Ook zullen zij hun deel van de overwaarde van de woning aan de [adres 2] mogelijk moeten inzetten om [betrokkene] uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire lening voor de [adres 1] te laten ontslaan. De woning aan de [adres 2] moet dan ook eerst worden verkocht. Er is daarbij geen aanleiding om te wachten met taxatie van de [adres 1] om de voor de verdeling van die woning te hanteren waarde (de overbedeling van [eisers] ) vast te stellen. Deze taxatie kan tegelijk met het verkooptraject van de woning aan de [adres 2] plaatsvinden. De rechtbank zal de verdeling van de woningen verder gelasten zoals in de beslissing vermeld.
Spaarpolissen
5.15.
[eisers] hebben ook gevorderd om de verdeling te gelasten van de twee spaarpolissen die (oorspronkelijk) gekoppeld waren aan de twee hypothecaire leningen. Zij beschouwen deze kennelijk als twee (eenvoudige) gemeenschappen, waarbij de polissen toebehoren aan [eisers] en [betrokkene] samen. De bewindvoerder heeft dit niet betwist. Hierna zal de rechtbank uiteenzetten hoe deze spaarpolissen worden verdeeld, dan wel in de verdeling worden betrokken
5.16.
[eisers] zeggen dat zij de premies voor de spaarpolis die gekoppeld is (of was) aan de hypothecaire lening voor de [adres 1] volledig zelf hebben betaald. De bewindvoerder betwist dit niet. Bij deze stand van zaken zal de rechtbank tegemoetkomen aan de vordering van [eisers] om te bepalen dat de spaarpolis volledig aan [eisers] zal worden toegedeeld.
5.17.
Voor de spaarpolis die gekoppeld is aan de hypothecaire lening voor de [adres 2] geldt het volgende. Hiervoor is geoordeeld dat de woning aan de [adres 2] moet worden verkocht. Bij die gelegenheid zal de schuld aan ABN AMRO Bank N.V. met nummer [rekeningnummer 2] moeten worden afgelost. De rechtbank acht het aangewezen dat de spaarpolis bij deze gelegenheid te gelde wordt gemaakt. Daaruit volgt dat deze spaarpolis tegen de actuele waarde in de verdeling moet worden betrokken. Er zijn geen redenen aangevoerd voor een andere toerekening dan naar rato van de eigendom. Daarmee wordt de aflossing meegenomen in de berekening van de overwaarde die vervolgens, elk voor 1/3e, toekomt aan de heer [eiser 1] , mevrouw [eiser 2] en mevrouw [betrokkene] .
Eigenaarslasten
5.18.
Bij eisvermeerdering hebben [eisers] gevorderd om de bewindvoerder te veroordelen om het aandeel van [betrokkene] in de door hen betaalde kosten van de opstalverzekeringen van de woningen te vergoeden. Zij zeggen dat [betrokkene] als mede-eigenaar haar aandeel in deze kosten had moeten voldoen en stellen het 1/3e aandeel in de premie op € 1.243,00. De bewindvoerder heeft hiertegen geen verweer gevoerd. De rechtbank zal het gevorderde bedrag daarom toewijzen.
5.19.
Voor de volledigheid merkt de rechtbank hierbij op dat in de akte van eisvermeerdering ook aanspraak wordt gemaakt op een vergoeding voor betaalde onroerendezaakbelasting, maar dat [eisers] bij de mondelinge behandeling hebben aangegeven daar geen aanspraak meer op te maken. Dit deel van de vordering van [eisers] hoeft dan ook niet meer te worden besproken.
5.20.
Omdat deze vordering is ingesteld met de vorderingen tot verdeling van de woning, zal de rechtbank hieronder bepalen dat het bedrag van € 1.243,00 door de bewindvoerder zal worden voldaan bij de notariële levering van de woning aan de [adres 2] .
Proceskosten in conventie en reconventie
5.21.
Gelet op de familiaire relatie tussen [eisers] en [betrokkene] zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
5.22.
Voor een veroordeling van [eisers] in de werkelijke proceskosten van de bewindvoerder is geen plaats. Uitgangspunt is dat de artikelen 237 tot en met 240 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) een zowel limitatieve als exclusieve regeling bevatten van de kosten waarin de partij die bij het vonnis in het ongelijk wordt gesteld, kan worden veroordeeld. Alleen in geval van buitengewone omstandigheden, waarbij gedacht moet worden aan misbruik van procesrecht of onrechtmatige daad, kan een volledige proceskostenveroordeling worden uitgesproken. Van misbruik van procesrecht of onrechtmatige handelen is sprake als het instellen van de vordering, gelet op de evidente ongegrondheid ervan, in verband met de betrokken belangen van de wederpartij achterwege had moeten blijven. [5] De rechtbank moet gelet op het door artikel 6 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden gewaarborgde recht op toegang tot de rechter, terughoudendheid te betrachten bij toewijzing van een reële proceskostenveroordeling.
5.23.
De bewindvoerder brengt naar voren dat [eisers] deze procedure onnodig zijn gestart omdat van de kant van [betrokkene] al meermaals medewerking was toegezegd. Daarmee heeft de bewindvoerder echter onvoldoende onderbouwd dat het instellen van de vordering achterwege had moeten blijven. Voor zover van de zijde van [betrokkene] al medewerking is toegezegd is daar steeds een aantal voorwaarden aan verbonden. Partijen hebben daarover geen overeenstemming bereikt, waarna [eisers] er belang bij hadden in rechte verdeling te vorderen. Daarbij komt dat de voorwaarden die namens [betrokkene] werden gesteld voortkwamen uit de veronderstelling van [betrokkene] dat [eisers] geld van [betrokkene] hadden weggenomen. Dat daarvan sprake is geweest is niet gebleken.

6.De beslissing

De rechtbank
in conventie en reconventie
stelt de verdeling van de tussen partijen bestaande eenvoudige gemeenschap van de woning aan de [adres 2] en de tussen partijen bestaande eenvoudige gemeenschap van de woning aan de [adres 1] te [plaats 1] als volgt vast, respectievelijk gelast partijen tot verdeling als volgt:
[adres 2]
6.1.
gelast partijen de woning de [adres 2] te verkopen aan een derde. Bij deze verkoop aan een derde geldt het volgende:
  • als verkoopmakelaar zal optreden (het kantoor van) [bedrijf 1] [plaats 1] ;
  • als partijen over de vaststelling van de vraag- en laatprijs geen overeenstemming bereiken, zal ieder van hen gerechtigd zijn een bindend advies aan de makelaar te vragen. Partijen zullen gehouden zijn aan dat advies uitvoering te geven;
  • als de verkoopprijs bindend is vastgesteld, zijn partijen verplicht hun medewerking te verlenen aan de verkoop en de levering van de woning en elke rechtshandeling te verrichten die daartoe nodig is zoals het tekenen van de koopovereenkomst en de akte van levering (of een volmacht tot het tekenen van de akte van levering);
  • uit de verkoopopbrengst en de aan de hypothecaire lening van deze woning gekoppelde spaarpolis zullen partijen op de dag van de levering de hypotheekschuld aflossen en de kosten van de makelaar en eventuele andere verkoopkosten betalen. Van het restant zal één/derde aan [betrokkene] en twee/derde aan [eisers] toekomen.
6.2.
veroordeelt de bewindvoerder om alle noodzakelijke medewerking te verlenen om de verkoop en levering als bedoeld in 6.1 tot stand te brengen, waaronder het tekenen van de koopovereenkomst binnen een week na eerste verzoek van de makelaar en het tekenen van de akte van levering of een volmacht daartoe, en [betrokkene] om de makelaar en potentiële kopers in de woning toe te laten,
6.3.
bepaalt dat als de bewindvoerder haar medewerking niet aan de verkoop en levering van de [adres 2] verleent, dit vonnis overeenkomstig artikel 3:300 lid 1 BW Pro in de plaats treedt van de wilsverklaring van de bewindvoerder,
[adres 1]
6.4.
gelast de wijze van verdeling van de woning aan de [adres 1] als volgt:
a. [eisers] zullen, mede namens de bewindvoerder, binnen twee weken na dit vonnis opdracht verstrekken aan [bedrijf 2] . [6] tot het verrichten van een gevalideerde NWWI-taxatie van de woning aan de [adres 1] ;
[eisers] zullen binnen zes weken na de notariële levering van de woning aan de [adres 2] , onderbouwd met een ondertekende verklaring van de hypotheekverstrekker, moeten aantonen dat zij het onverdeelde aandeel van [betrokkene] in de woning aan de [adres 1] kunnen overnemen tegen de door de makelaar bepaalde waarde, waarbij geldt dat de hypotheekverstrekker bereid moet zijn – gelijktijdig met de notariële levering van het onverdeelde aandeel van [betrokkene] in de woning aan de [adres 1] – [betrokkene] te ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor het restant van de aan die woning verbonden hypotheekschuld. De kosten in verband met de toedeling van het onverdeelde aandeel in de woning aan de [adres 1] aan [eisers] zullen door [eisers] moeten worden gedragen;
het onverdeelde aandeel in de woning aan de [adres 1] zal zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen acht weken na de notariële levering van de woning aan de [adres 2] , bij een door [eisers] aan te wijzen notaris aan [eisers] worden geleverd, waarbij [eisers] aan [betrokkene] 1/3e van de overwaarde moeten betalen. Bij de berekening van de overwaarde van de [adres 1] komt het saldo van de spaarpolis niet in mindering op de hypotheekschuld,
6.5.
veroordeelt de bewindvoerder mee te werken aan de in 6.4. genoemde notariële levering als [eisers] voorafgaand aan de levering hebben aangetoond dat zij in staat zijn tot herfinanciering van de bestaande hypothecaire geldlening of voortzetting daarvan onder ontslag van [betrokkene] uit de hoofdelijke aansprakelijkheid of tot volledige aflossing én zij [betrokkene] één/derde van de overwaarde kunnen betalen,
6.6.
gelast partijen de woning aan de [adres 1] te verkopen aan een derde als niet uiterlijk binnen acht weken na de notariële levering van de woning aan de [adres 2] , de levering op de wijze als bepaald in 6.4. heeft plaatsgevonden omdat niet aan de daarvoor gestelde voorwaarden is voldaan (kort gezegd: [eisers] kunnen niet betalen en/of [betrokkene] wordt niet uit de hoofdelijke aansprakelijkheid ontslagen). Bij verkoop aan een derde geldt het volgende:
  • als verkoopmakelaar zal optreden (het kantoor van) [bedrijf 1] [plaats 1] ;
  • als partijen over de vaststelling van de vraag- en laatprijs geen overeenstemming bereiken, zal ieder van hen gerechtigd zijn een bindend advies aan de makelaar te vragen. Partijen zullen gehouden zijn aan dat advies uitvoering te geven;
  • als de verkoopprijs bindend is vastgesteld, zijn partijen verplicht hun medewerking te verlenen aan de verkoop en de levering van de woning en elke rechtshandeling te verrichten die daartoe nodig is zoals het tekenen van de koopovereenkomst en de akte van levering (of een volmacht tot het tekenen van de akte van levering);
  • uit de verkoopopbrengst zullen partijen op de dag van de levering de hypotheekschuld aflossen en de kosten van de makelaar en eventuele andere verkoopkosten betalen. Van het restant zal de één/derde aan [betrokkene] en twee/derde aan [eisers] toekomen. Voor de berekening van dit restant zal het bedrag van de spaarpolis niet gelden als in mindering gebracht op de schuld, omdat het bedrag van de polis volledig aan [eisers] toekomt,
6.7.
veroordeelt [eisers] om in dat geval alle noodzakelijke medewerking te verlenen om de verkoop en levering als bedoeld in 6.6. tot stand te brengen, waaronder het toelaten van de makelaar en potentiële kopers in de woning en het tekenen van de koopovereenkomst en akte van levering,
6.8.
veroordeelt de bewindvoerder om in dat geval alle noodzakelijke medewerking te verlenen om de verkoop en levering als bedoeld in 6.6. tot stand te brengen, waaronder het tekenen van de koopovereenkomst binnen een week na eerste verzoek van de makelaar en het tekenen van de akte van levering of een volmacht daartoe,
6.9.
bepaalt dat als de bewindvoerder haar medewerking niet aan de verdeling of verkoop en levering van de [adres 1] verleent, dit vonnis overeenkomstig artikel 3:300 lid 1 BW Pro in de plaats treedt van de wilsverklaring van de bewindvoerder,
Eigenaarslasten
6.10.
veroordeelt de bewindvoerder om uiterlijk bij notariële levering van de woning aan de [adres 2] € 1.243,00 aan [eisers] te voldoen,
6.11.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
6.12.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
6.13.
wijst het meer of anders gevorderde af,
Dit vonnis is gewezen door mr. M.A. Hoogkamer en in het openbaar uitgesproken op 11 maart 2026.
1621

Voetnoten

1.Artikel 150 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv)
2.HR 31 oktober 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2476,
3.Artikel 3:185 lid 1 BW Pro
4.Zie het arrest van de Hoge Raad van 17 april 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2631.
5.Hoge Raad 12 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1600 en Hoge Raad 6 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV7828
6.[bedrijf 2]