2.8.Verdeling
2.8.1.Partijen verzoeken beiden om de tussen hen bestaande gemeenschap van goederen te verdelen, waarbij zij ieder een eigen (wijze van) verdeling voorstaan. Verder stelt de man dat bij de verdeling rekening moet worden gehouden met vergoedingsrechten.
2.8.2.Nu de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft met betrekking tot het verzoek tot echtscheiding, heeft hij tevens rechtsmacht ten aanzien van het verzochte met betrekking tot het huwelijksvermogensregime van partijen.
2.8.3.Op het huwelijksvermogensregime is het Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978 van toepassing.
2.8.4.Niet gebleken is dat partijen een geldige rechtskeuze hebben uitgebracht.
2.8.5.Zij hadden bij de huwelijksvoltrekking dan wel kort daarna meer dan één nationaliteit gemeenschappelijk in de zin van artikel 15, eerste lid, van het Verdrag. In dat geval kan ingevolge de hoofdregel van artikel 15, tweede lid, van het Verdrag geen aanknoping worden gezocht bij een van die nationaliteiten.
2.8.6.Partijen hebben hun eerste gewone verblijfplaats na de huwelijksvoltrekking op het grondgebied van dezelfde staat gevestigd.
2.8.7.Nu geen van de uitzonderingen van artikel 4, tweede lid, van het Verdrag zich heeft voorgedaan, werd krachtens het bepaalde in artikel 4, eerste lid, van het Verdrag vanaf de datum van de huwelijksvoltrekking het recht van de eerste gewone verblijfplaats, te weten het recht van Nederland, van toepassing op het huwelijksvermogensregime.
2.8.8.Dit recht is daarop nog steeds van toepassing.
2.8.9.De rechtbank stelt vast dat partijen geen huwelijkse voorwaarden hebben laten opstellen en dat zij na 1 januari 2018 zijn getrouwd. Dat betekent dat voor hen de wettelijke beperkte gemeenschap van goederen geldt.
2.8.10.De huwelijksgemeenschap van partijen is door de indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding ontbonden op 11 juli 2023 (de peildatum). Dat betekent in beginsel dat alle goederen die al vóór het huwelijk samen van partijen waren en alle goederen die zij tijdens het huwelijk en voor de peildatum hebben verkregen, moeten worden verdeeld. Van de schulden die al vóór het huwelijk gezamenlijk van partijen waren en alle schulden die zij tijdens het huwelijk en voor de peildatum zijn aangegaan, moet worden vastgesteld wie in de onderlinge verhouding welk deel daarvan moet dragen. Daarbij geldt als uitgangspunt dat ieder van partijen recht heeft op de helft van de waarde van de goederen en ieder van hen de helft van de schulden zal moeten dragen. Voor de waarde van de goederen geldt dat de rechtbank in beginsel kijkt naar de waarde die de goederen hebben op het moment van feitelijke verdeling.
2.8.11.De rechtbank zal de door partijen naar voren gebrachte bestanddelen die volgens hen of één van hen in de verdeling dienen te worden betrokken, hierna afzonderlijk bespreken.
2.8.12.Tot de gemeenschap behoorde de echtelijke woning aan de [adres] . Deze woning is inmiddels verkocht en op 4 januari 2026 geleverd aan derden. De verkoopopbrengst bedroeg na aftrek van de hypothecaire geldlening bij de Rabobank en de verkoopkosten € 108.979,54. Dit bedrag is in depot gesteld bij de notaris.
2.8.13.De man is van mening dat het bedrag van € 108.979,54 volledig aan hem toekomt. Hiertoe stelt de man dat hij een bedrag van € 114.772,- aan privévermogen heeft geïnvesteerd in de echtelijke woning. Bij de aankoop van deze woning heeft de man dit bedrag overgemaakt aan de notaris. Het bedrag was volgens de man afkomstig uit de overwaarde van de verkoop van de woning aan de [adres] , welke woning al voor het huwelijk van partijen uitsluitend zijn eigendom was. Na toepassing van de beleggingsleer op de investering van zijn privévermogen komt de man tot de conclusie dat hij een vordering heeft op de gemeenschap van € 108.979,54.
2.8.14.De vrouw betwist het door de man gestelde vergoedingsrecht. De vrouw stelt dat de woning aan de [adres] alleen op naam van de man stond, omdat de vrouw een BKR-registratie had. De intentie van partijen was echter altijd dat deze woning gezamenlijk was. Het klopt volgens de vrouw ook niet dat de man de woning aan de [adres] alleen heeft gekocht. Om de aankoopkosten te kunnen betalen heeft de man een bedrag van € 12.500,- geleend van de vader van de vrouw. Daarnaast heeft de vrouw voordat de man de woning aankocht meerdere malen geld naar hem overgemaakt. In de periode van 27 maart 2017 tot en met [huwelijksdatum] ging het om een bedrag van € 3.950,-. De vrouw acht het niet redelijk en billijk als de man een vergoedingsrecht zou toekomen.
2.8.15.De rechtbank stelt op grond van de akte levering registergoed vast dat de woning aan de [adres] voorafgaand aan het huwelijk door de man is gekocht en op 15 januari 2018 aan hem is geleverd. Hiermee is de man eigenaar geworden van deze woning. Ook de hypothecaire geldlening ten behoeve van de aankoop van de woning is enkel door de man aangegaan. De vrouw heeft naar het oordeel van de rechtbank haar stelling dat zij in deze woning heeft geïnvesteerd met privévermogen onvoldoende onderbouwd. Uit de stukken maakt de rechtbank weliswaar op dat op 9 oktober 2016 een bedrag van in totaal € 12.500,- op een bankrekening van de man is gestort door een onbekende afzender en dat de vrouw in de periode van 27 maart 2017 tot en met [huwelijksdatum] een bedrag van in totaal € 3.950,- op een bankrekening van de man heeft gestort, maar bij betwisting door de man kan de rechtbank niet vaststellen dat deze bedragen vervolgens zijn geïnvesteerd in de woning aan de [adres] . Dit heeft de vrouw niet aangetoond. De vrouw heeft geen andere rechtsgronden aangevoerd die zouden kunnen leiden tot de conclusie dat de woning aan [adres] gezamenlijk eigendom was. De woning aan de [adres] is in 2023 verkocht en de overwaarde van € 114.738,42 betrof gelet op het voorgaande privévermogen van de man. De man heeft naar het oordeel van de rechtbank met de door hem overlegde bankafschriften en nota van afrekening van de woning aan de [adres] inzichtelijk gemaakt dat deze overwaarde vervolgens is geïnvesteerd in de woning aan de [adres] . Dit betekent dat de man op grond van artikel 1:95, tweede lid, BW een vergoedingsrecht heeft op de gemeenschap die gelet op artikel 1:87, tweede en derde lid, BW moet worden vastgesteld aan de hand van de beleggingsleer. De man heeft onbetwist gesteld dat zijn vergoedingsrecht op grond van de beleggingsleer € 108.979,54 bedraagt. Dit betekent dat de man een vergoedingsrecht heeft op de gemeenschap voor een bedrag van € 108.979,54, welk bedrag dient te worden voldaan uit de in depot gestelde verkoopopbrengst van de woning aan de [adres] . Van de verkoopopbrengst resteert dan geen bedrag meer dat tussen partijen bij helfte zou moeten worden verdeeld.
2.8.16.De man heeft ter zitting aangegeven dat hij bij toewijzing van voormeld vergoedingsrecht zijn verzoek om de vrouw te veroordelen tot betaling van het door hem voorgeschoten aandeel van de vrouw in de gemeenschappelijke woonlasten van de echtelijke woning intrekt. Gelet op het voorgaande beschouwt de rechtbank dit verzoek van de man dan ook als ingetrokken.
2.8.17.De rechtbank stelt vast dat in ieder geval de volgende bankrekeningen met de volgende saldi aanwezig waren op de peildatum 11 juli 2023:
- [rekeningnummer] op naam van de vrouw met een saldo van € 48,32
- [rekeningnummer] op naam van de man met een saldo van € 3.255,-
- [rekeningnummer] op naam van de man met een saldo van € 239,-
2.8.18.Tussen partijen is niet in geschil dat het saldo op voormelde bankrekening van de vrouw aan haar moet worden toebedeeld, onder de verplichting om de helft van het saldo op 11 juli 2023 aan de man te vergoeden, te weten € 24,16. Tijdens de zitting heeft de vrouw aangegeven dat zij naast deze betaalrekening ook een spaarrekening heeft. De vrouw heeft echter niet, zoals ter zitting besproken, ook een afschrift van de spaarrekening overgelegd waaruit het saldo op 11 juli 2023 volgt. Gelet hierop zal de rechtbank bepalen dat de vrouw inzage aan de man moet geven in het saldo op haar spaarrekening op 11 juli 2023 en dat een positief saldo bij helfte tussen partijen moet worden verdeeld en dat een negatief saldo bij helfte door partijen moet worden gedragen.
2.8.19.Voorts is tussen partijen niet in geschil dat de saldi op de bankrekeningen van de man aan hem worden toebedeeld. Partijen verschillen echter van mening over de hoogte van de te verdelen saldi.
2.8.20.De man stelt dat de saldi op zijn bankrekeningen op 11 juli 2023 slechts bij helfte dienen te worden verdeeld voor zover dit het bedrag van € 2.605,- overstijgt. In dit verband licht de man toe dat hij bij aanvang van het huwelijk op [huwelijksdatum] reeds een bedrag van € 2.605,- op zijn bankrekening met het nummer [rekeningnummer] had staan. Dit bedrag betreft volgens de man privé vermogen dat buiten de verdeling dient te blijven. De vrouw is van mening dat de saldi op de bankrekeningen van de man op 11 juli 2023 wel degelijk bij helfte tussen partijen dienen te worden verdeeld. Volgens de vrouw spaarden partijen op de bankrekening van de man met het nummer [rekeningnummer] en heeft zij gedurende het huwelijk meermaals geld naar deze rekening overgemaakt.
2.8.21.De rechtbank stelt op grond van het door de man overgelegde afschrift van de bankrekening op zijn naam met nummer [rekeningnummer] vast dat het saldo op deze rekening op 15 oktober 2018 en dus ten tijde van het aangaan van het huwelijk met de vrouw, € 2.605,- bedroeg. Dit saldo betrof daarom in beginsel privé vermogen van de man, welk vermogen niet in de wettelijk beperkte gemeenschap valt. De stelling van de vrouw dat deze rekening tijdens het huwelijk van partijen een spaarrekening was waar partijen samen op spaarden doet hier niet aan af nu verkregen vermogen vanaf de datum van het huwelijk wel in de gemeenschap valt. Dit betekent dat het saldo op de bankrekening slechts voor zover dat meer bedraagt dan € 2.605,- in de gemeenschap is gevallen. Nu de saldi op de bankrekeningen van de man op 11 juli 2023 in totaal € 3.494,- bedroegen, dient slechts een saldo van € 889,- bij helfte tussen partijen te worden verdeeld. De man dient dan ook de helft van dit saldo aan de vrouw te vergoeden, te weten een bedrag van € 444,50.
2.8.22.Tussen partijen is niet in geschil dat de auto van het merk Volkswagen Golf 7 met kenteken [kenteken] tot de beperkte gemeenschap behoorde en dat de man deze auto op 11 juni 2025 bij [autobedrijf] heeft ingeruild voor een bedrag van € 11.750,-
2.8.23.De vrouw is van mening dat de man de helft van de waarde van de Volkswagen
Golf 7 aan haar dient te vergoeden. De waarde van de auto moet volgens de vrouw worden bepaald op de peildatum voor de omvang van de gemeenschap, te weten 11 juli 2023. Sinds het feitelijk uiteengaan van partijen in juni 2023 heeft de man de auto immers feitelijk alleen in gebruik gehad. De vrouw stelt dat de waarde van de auto op dat moment € 14.000,- bedroeg. Ter onderbouwing heeft de vrouw een advertentie van [autobedrijf] overgelegd waarin de Volkswagen Golf 7 die van partijen was wordt aangeboden voor een prijs van € 16.495,-. Volgens de vrouw dient de man haar dan ook een bedrag van € 7.000,- te vergoeden.
2.8.24.De man is van mening dat voor de waarde van de Volkswagen Golf 7 moet worden uitgegaan van de inruilwaarde op 11 juni 2025 van € 11.750,-. Voorts stelt de man in dit verband een vergoedingsrecht op de gemeenschap te hebben van € 8.000,-. De man licht toe dat hij voorafgaand aan het huwelijk op 4 augustus 2016 een Volkswagen Golf 6 met kenteken [kenteken] had aangeschaft. Deze auto stond in verband met schadevrije jaren op naam van de vader van de man, maar de man was de eigenaar. Op 10 oktober 2019 is deze auto bij de aankoop van de Volkswagen Golf 7 ingeruild tegen een waarde van € 8.000,-, welke waarde is geïnvesteerd in de Volkswagen Golf 7. Aangezien de Volkswagen Golf 6 behoorde tot het privé vermogen van de man stelt hij een vordering te hebben van € 8.000,-. Volgens de man dient hij na aftrek van dit vergoedingsrecht nog een bedrag van € 1.875,- aan de vrouw te vergoeden.
2.8.25.De vrouw betwist het door de man gestelde vergoedingsrecht. Volgens de vrouw was de Volkswagen Golf 6 eigendom van de vader van de man en stond de auto op zijn naam geregistreerd. Het was volgens de vrouw ook de vader van de man die de Volkswagen Golf 7 op 10 oktober 2019 heeft gekocht waarbij de Volkswagen Golf 6 is ingeruild voor € 8.000,-.
Partijen hebben deze auto nadien overgenomen van de vader van de man. Pas op 3 maart 2023 is de Volkswagen Golf 7 op naam van de man geregistreerd nadat de volledige koopsom aan de vader van de man was betaald.
2.8.26.Ten aanzien van de waarde van de Volkswagen Golf 7 overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank stelt vast dat een auto een gebruiksgoed is waarvan de waarde als gevolg van dat gebruik daalt. Nu de man de Volkswagen Golf 7 sinds het feitelijk uiteengaan van partijen in juni 2023 alleen in gebruik heeft gehad, zal de rechtbank voor wat betreft de waarde aansluiten bij de peildatum voor de omvang, te weten 11 juli 2023. De eisen van redelijkheid en billijkheid brengen naar het oordeel van de rechtbank mee dat de waardedaling na deze datum alleen voor rekening komt van de man. Uit de door de vrouw overgelegde verkoopadvertentie van [autobedrijf] blijkt dat de Volkswagen Golf 7 na inruil op 11 juni 2025 werd aangeboden voor een prijs van € 16.495,-. De rechtbank ziet hierin aanleiding om voor de waarde van deze auto op 11 juni 2023 uit te gaan van de door de vrouw gestelde waarde van € 14.000,-.
2.8.27.Ten aanzien van het door de man gestelde vergoedingsrecht van € 8.000,- overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank stelt op grond van de factuur van [autobedrijf] van 10 oktober 2019 vast dat de man de Volkswagen Golf 7 heeft gekocht en dat deze auto aan de man is geleverd. Gelet hierop is de man op dat moment eigenaar van deze auto geworden. Dat de Volkswagen Golf 7 pas op 3 maart 2023 op naam van de man is geregistreerd maakt dit niet anders aangezien de tenaamstelling in het kentekenregister geen bewijs van eigendom oplevert. Bij de aankoop van de Volkswagen Golf 7 is de Volkswagen Golf 6 ingeruild voor een bedrag van € 8.000,-. De rechtbank acht aannemelijk dat de Volkswagen Golf 6 voorhuwelijks privé vermogen van de man betrof. Tussen partijen is immers niet in geschil dat deze auto er al voor hun huwelijk was en de rechtbank vindt het onwaarschijnlijk dat de man een auto van zijn vader heeft ingeruild voor een auto waarvan de man eigenaar is geworden. Dat de Volkswagen Golf 6 stond geregistreerd op naam van de vader van de man maakt dit niet anders aangezien zoals reeds eerder overwogen de
tenaamstelling in het kentekenregister geen bewijs van eigendom oplevert. Dit betekent dat de man een vergoedingsrecht heeft op de gemeenschap van € 8.000,-.
2.8.28.Gelet op het voorgaande dient de man na aftrek van zijn vergoedingsrecht van € 8.000,- nog een bedrag van € 3.000,- aan de vrouw te vergoeden in verband met de waarde van de Volkswagen Golf 7.
2.8.29.De vrouw stelt dat tijdens de bruiloft van partijen diverse sieraden zijn geschonken door familie en vrienden. Aan de vrouw zijn geschonken 11 armbanden, 7 gouden ringen, een parelketting, 1 armband met gouden munt, een gouden ketting van 1,5 meter lang, 2 kettingen met munten en 2 sets (ketting, armband en oorbellen). Aan de man zijn geschonken 1 gouden armband en 1 gouden gebedssnoer. Dat deze sieraden zijn geschonken blijkt volgens de vrouw ook uit videobeelden van de bruiloft. Na de bruiloft zijn de sieraden opgeborgen in een kluis. De vrouw geeft aan dat zij op 15 juni 2023 bij de kluis is geweest om één armband op te halen om te dragen tijdens een bruiloft. Deze armband heeft de vrouw nadien weer aan de man gegeven om terug te leggen in de kluis. Vervolgens is de man op 21 juni 2023 als laatste bij de kluis geweest en heeft hij volgens de vrouw alle sieraden meegenomen. De vrouw verzoekt te bepalen dat de aan haar geschonken sieraden tot haar privévermogen behoren en dat de man deze sieraden aan haar dient af te geven dan wel te bepalen dat de man de waarde hiervan aan haar dient te vergoeden. Indien wordt geoordeeld dat de sieraden in de gemeenschap vallen, verzoekt de vrouw de man te bevelen om de helft van de sieraden aan haar af te geven dan wel te bepalen dat de man de helft van de waarde van de sieraden aan haar vergoedt. De vrouw verzoekt aan de nakoming hiervan door de man een dwangsom te verbinden.
2.8.30.De man stelt dat er tijdens de bruiloft sieraden aan partijen gezamenlijk zijn geschonken en dat deze sieraden na de bruiloft zijn opgeborgen in een kluis. De man betwist dat hij de sieraden uit de kluis heeft meegenomen. Volgens de man heeft de vrouw de kluis op 15 juni 2023 bezocht om sieraden op te halen die zij nodig had voor een bruiloft. Toen de man nadien op 21 juni 2023 de kluis bezocht trof hij een lege kluis aan. Volgens de man heeft de vrouw de sieraden uit de kluis ontvreemd. De man verzoekt te bepalen dat de vrouw de helft van de tijdens de bruiloft geschonken sieraden aan de man afgeeft dan wel de helft van de waarde van deze sieraden aan hem vergoedt.
2.8.31.De rechtbank is van oordeel dat de tijdens de bruiloft van partijen geschonken sieraden in de gemeenschap vallen en dus moeten worden verdeeld. De vrouw heeft gelet op de gemotiveerde betwisting door de man onvoldoende onderbouwd dat er tijdens de bruiloft sieraden exclusief aan haar zouden zijn geschonken en haar privé eigendom zijn. Weliswaar kan het naar Turks recht of gebruik zo zijn dat de sieraden de vrouw toekomen, maar de rechtbank moet hier oordelen naar Nederlands recht. Partijen wonen in Nederland, zij hebben (ook) de Nederlandse nationaliteit en zij zijn hier getrouwd. Het is naar Nederlandse maatstaven gebruikelijk dat cadeaus die worden geschonken tijdens een bruiloft beide echtgenoten toekomen. Daarmee zijn de sieraden tot de beperkte gemeenschap gaan behoren. Aan het verzoek van de vrouw om de man te bevelen videobeelden van de bruiloft die hij in bezit heeft beschikbaar te stellen, komt de rechtbank niet toe.
2.8.32.De vervolgvraag is hoe de sieraden moeten worden verdeeld. In beginsel komt ieder van partijen de helft van (de waarde van) de sieraden toe. De rechtbank kan echter niet vaststellen om welke sieraden het gaat. De opsomming van de sieraden door de vrouw wordt immers door de man betwist. Verder is het voor de rechtbank volstrekt onduidelijk wie de sieraden thans in zijn of haar bezit heeft. Partijen beschuldigen elkaar over en weer van het ontvreemden van de sieraden uit de kluis en de rechtbank kan niet beoordelen wie er gelijk heeft. Gelet op het voorgaande kan de rechtbank niet overgaan tot verdeling van (de waarde van) de sieraden. De verzoeken van partijen daartoe zullen dan ook worden afgewezen. De rechtbank merkt hierbij nog op dat de partij die in het kader van een verdeling een goed verzwijgt, zijn aandeel in dit goed verbeurt aan de andere partij (artikel 3:194, tweede lid, van het BW).
2.8.33.De vrouw stelt dat zij voor het huwelijk een levenlanglerenkrediet heeft afgesloten en dat zij ook tijdens het huwelijk vanuit dit krediet bedragen heeft ontvangen van DUO. Volgens de vrouw staat er nog een bedrag van € 9.967,06 open van deze schuld. De vrouw verzoekt te bepalen dat partijen ieder voor de helft draagplicht zijn voor deze schuld.
2.8.34.De man stelt zich op het standpunt dat het levenlanglerenkrediet een voorhuwelijkse schuld van de vrouw betreft en buiten de beperkte gemeenschap valt. Volgens de man blijkt nergens uit dat de vrouw dit krediet is aangegaan tijdens het huwelijk van partijen en wat de hoogte van de schuld op de peildatum 11 juli 2023 is.
2.8.35.De rechtbank is van oordeel dat de vrouw onvoldoende heeft aangetoond of en zo ja, in hoeverre het levenlanglerenkrediet een huwelijkse schuld betreft. Gelet op de stelling van de vrouw betreft een deel van dit krediet wellicht een huwelijkse schuld waarvoor beide partijen draagplicht zijn, maar het lag gelet op de betwisting door de man op de weg van de vrouw om dit inzichtelijk te maken en te onderbouwen met stukken. Weliswaar heeft de vrouw een schermafbeelding van dit krediet in het geding gebracht, maar hieruit blijkt niet wanneer het krediet door haar is ontvangen en welk bedrag op de peildatum 11 juli 2023 nog open stond. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het verzoek van de vrouw ten aanzien van het levenlanglerenkrediet afwijzen.